Bier op

De Nederlandse bierwereld wordt dikwijls vergeleken met een klein dorp, en niet ten onrechte. Brouwers en liefhebbers kennen elkaar persoonlijk en ze delen op de vele bierfestivals naarmate de avond vordert lief en leed met elkaar. Ons kent ons. Er gaan wat plagerijtjes over en weer, onderhands wordt soms een bijzondere fles weggegeven, anders zo kritische recensenten laten zich omkopen en schrijven dan tot ieders verbazing iets leuks over een saaie tripel – altijd wel stof voor een nieuwe dorpsroddel. Zo modderen we gemoedelijk voort.

Een modern dorp hoeft niet fysiek te bestaan. Internet is al genoeg, op Facebook is er een bierproefpagina die functioneert als dorpsplein en stamcafé, bij momenten ook als kerk, als één of andere liefhebber weer een zatte preek afsteekt. Daarnaast zijn er nog de festivals, de dorpskermissen op verplaatsing. Dit weekend trekt menig dorpeling naar Hoogeveen om daar, in de kille openlucht, aan een heel leuk festival deel te nemen.

Heeft een modern dorp nog wel een eigen dialect? Als taalliefhebber zou ik toch hopen van wel. Variatie is immers mooi. Het bierdorp, heeft dat een dialect? De mensen komen overal vandaan, op de festivals hoor je tongvallen uit heel Nederland en een enkele keer zelfs uit België of van overzee. Het dorpsdialect heeft dus in elk geval niet één klank, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat het niet bestaat.

Onlangs zat ik met een bevriende brouwer in café In de Wildeman, de fysieke dorpskroeg van bierland Nederland. We spraken over Engels bier, want er wordt natuurlijk ook gewoon geroddeld over naburige dorpen, zo gaat dat op het platteland. “De St. Peter’s Cream Stout heb ik in huis,” zei ik. “O ja,” zei de brouwer, “die heb ik ook op. Leuk biertje.”

Ineens werd ik me bewust van een beetje dorpsdialect. “Die heb ik op.” Op jaarmarkten is het wel eens een openingszin: “Die nieuwe van Jopen, heb jij die al op?” Het is natuurlijk een verkorting van “opgedronken”, maar eigenlijk een rare, want waarom wordt de nadruk zo op de voltooiing, op dat  ”op”, gelegd? Doen ze dat in andere dorpen ook zo?

Ik kom wel eens in het boekendorp. Veel schrijvers ken ik niet, maar wel zo wat liefhebbers. Op boekenmarkten komt de vraag wel eens voorbij: “Heb jij de nieuwe van Grunberg al gelezen?” Ik kan me best voorstellen dat er ook wel eens wordt gevraagd: “heb jij die al uit?” – maar dan ligt de nadruk toch echt wel op de voltooiing. Zoiets vraag je over een onleesbaar boek. “Heb je het nog uit kunnen lezen, dat rotboek?” Dat is toch anders in het bierdorpsdialect.

In de bierwereld hoor je het vaak zeggen, dat “op”. Het is niet negatief, het gaat zeker niet over ondrinkbare bieren. Eerder is er een ondertoon van spijt. “Die heb ik op,” zeg je treurig, “het glas is leeg.” Maar gelukkig is er altijd een nieuw glas, op één van die festivals bijvoorbeeld. Daar moeten nu ook maar eens taalkundigen naartoe, met een opschrijfboekje en opnameapparatuur. Het dorpsdialect van bierland Nederland is er springlevend.

Tussen taal en land

Vandaag ga ik weer ‘ns naar België. Toch een beetje mijn tweede vaderland, want ik heb er gewoond en gestudeerd. Een tweede vaderland tegen wil en dank, misschien, want de cultuurverschillen blijven. Ik zal de Belgen wel nooit helemaal begrijpen en zij mij ook niet. Dat hoeft vriendschap niet in de weg te staan, dat niet. We spreken immers dezelfde taal?

Het buitenland vertellen we graag dat het Nederlands meer is dan de taal van Nederland alleen. Suriname tikt niet zo aan, maar Vlaanderen, met zes miljoen sprekers, nou! Het maakt onze taal toch weer wat gewichtiger, al zal een Engelsman nog lang niet onder de indruk zijn. Zeker niet als hij bij een eerdere reis wat fiere Vlamingen tegen is gekomen die hem op de mouw gespeld hebben dat zij Flemish spreken en geen Dutch. Het regionalisme.

Er ís een verschil tussen Vlaams en Hollands, zeker. We hebben dezelfde standaardtaal, maar gebruiken haar anders. Of moet ik zeggen: we gebruiken hém anders? Onze grammatica verschilt, onze woordenschat nog meer. Dat bracht het Vlaamse radioprogramma Hautekiet ertoe een tekstje de ether in te slingeren vol zuiderbuurs vocabulaire, onbegrijpelijk voor Nederlanders:

Bomma heeft in de solden zwarte pens, salami en botten gekocht. Het was een ander paar mouwen om nog fruitsap, kipkap en fondant te vinden.
Bij valavond kwam bomma’s dochter op bezoek. Ze durfde niet uit de biecht te klappen want ze vond het ambetant om te vertellen dat ze gebuisd was en op kot veel gepoept had. Dus stoefte de dochter maar wat over de smoutebollen die ze had gebakken.
Daarna was ze ribbedebie want ze moest dringend langs de mutualiteit en het interimkantoor. Bij deze laatste viel ze over een aftrekker die tegen de chambrant stond.
Daarna had ze nog weinig goesting om ook nog langs de flikken te gaan. Echt niet plezant.

Voor Nederlanders is dat zeker geen doorgrondelijk tekstje. Nu zijn sommige woorden wel wat gezocht (“botten” zijn laarzen, die koop je natuurlijk niet samen met bloedworst en salami), maar het is dan ook maar ‘n gebbetje.

Zou dat andersom ook kunnen? Vast wel. De Standaard kwam met een alternatieve test waarin Vlamingen werden getrakteerd op typisch Nederlandse woorden als, eh, “zwijnenpan”. En “dooievisjesvreter”. “Kwijlebabbel”. Woorden die, de Nederlandse lezer van dit blog ziet dat meteen, ook boven de Moerdijk door niemand worden gebruikt.

Dat moet beter kunnen. Mijn alternatief is een leestekst, net als die van Hautekiet. En natuurlijk is ook deze geforceerd en kloppen niet alle woorden met de stijl en de situatie – maar ‘t is dan ook maar voor te lachen, meneer. Ik wens de Vlamingen alvast veel succes.

Het was waterkoud. Een stevige bries drukte tegen de deur. De kozijnen rilden. De kastelein tikte nog ‘n vaasje af.
“Nog eentje toe,” knipoogde hij.
Kees lachte, hij liet zich wel jennen. Hij zat best. De muziek stond niet hard. De poes snorde. Plots veerde ‘t dier op.
“Volk,” baste een stem. In de deurpost stond een bonkige man.
“Krijg nou tieten,” riep Kees, “Jaap, dat is al ‘n tijdje terug!”
“Ja welja, gozer,” zei Jaap gul, “ik ben even de hort op geweest.”
“Wat heb je uitgevroten?”
Jaap ging aan de bar zitten. ”Een weekje niks. Ik ben het wad opgegaan.”
“Joh!?” Kees hoorde er van op. “Een week? En niks te nassen?”
“Ik had ‘n trommeltje bij me,” grinnikte Jaap. “Brood, met palingworst, saks, en voor de zoete trek nog pasta ook.”
“Wordt dat niet taai?” Kees kon er met z’n kop niet bij.
“Ja, natuurlijk, daarom ben ik afgetaaid,” lachte Jaap.
“Nou, mij niet gezien,” zei Kees, “ik zit hier wel senang.”
“Ja, maar jij bent dan ook een watje,” sarde Jaap.
“Och,” zei Kees, “een avondje bankhangen, even niks, mij best… Maar dit is andere koek. Geen kwestie van lef hoor.”
“Joh, geintje,” zei Jaap goeiig. “Jij hebt ‘n baan, ze zien je aankomen!”
“Nee, juist niet,” zei de kastelein gevat. “Jaap, ‘n jonkie zeker?”
“Een kopstoot,” zei Jaap beslist, “en voor Kees nog eentje toe.”

Zo. En nou naar de trein.

Vakantietaal

In mijn vorige blogbericht maakte me ik weer ‘ns kwaad over de eenzijdige oriëntatie op alles wat Engels is van de moderne Nederlandse (en Vlaamse) media. Andere talen komen nauwelijks aan bod, andere culturen bestaan er niet, zelfs het nieuws is pas belangrijk als het uit Engelstalige landen komt. De gemiddelde Nederlander ziet meer Australische films en series dan Duitse films en series en blijkbaar vindt de gemiddelde Nederlander dat heel normaal.

Nu is dit een ergernis waar ik zo ongeveer het hele jaar door mee rondloop, dus met de actualiteit heeft ze niet veel te maken. Maar het is nu wel vakantietijd, dus dan is er ook weer vakantie-Engels. Dat lijkt onschuldig. Mensen gaan op reis, meestal binnen Europa en dus hoogst zelden naar een Engelstalig land (binnen Europa is het Engelse taalgebied beperkt tot wat perifere eilanden en Gibraltar), en terug van vakantie vertellen ze vrolijke reisverhalen.

Die verhalen zitten, dat is zo raar, vol Engels. “In Praag hebben we lekker door de Old Town gewandeld,” klinkt het dan. Daar bedoelen ze de wijk Staré Město mee. Staré Město is Tsjechisch voor “oude stad”, maar de meeste toeristen spreken geen Tsjechisch, dus die term vertalen ze. “Oude Stad” zou je dan dus moeten zeggen, maar “Oude Stad” klinkt niet stoer, dat klinkt alsof je een dagje in Valkenburg geweest bent, kom nou. Tegen je vrienden zeg je beter dat je de “Old Town” gezien hebt, nietwaar?

Het is betekenisloos Engels. Boedapest, we waren op “Heroes’ Square”, jawel - Hősök tere in het Hongaars, Heldenplein in het Nederlands. Na een paar dagen Boedapest zou je er toch van doordrongen moeten zijn dat je met Engels niet eens zo ver komt, maar nee. Laten we tegen onze vrienden doen alsof Boedapest een Engelstalige stad is, dan klinkt het bijna net zo hip als Londen of New York. Of wat zeg ik, Londen – dat schrijf je natuurlijk als London tegenwoordig.

Het blijft niet tot reislustige studentjes beperkt. De Belgische krant De Standaard kwam onlangs met een volksliederenquiz (sinds Vandermeersch daar redacteur is geweest komt die krant voortdurend met dat soort jolige quizjes, serieus mag daar niet meer), met daarin fragmentjes van volksliederen en wat kennisvragen. In de quiz werd onder meer naar Beethovens Ode to joy verwezen, ik verzin dit niet, en naar The March of the Volunteers, niet het volkslied van één of ander Engelstalig ontwikkelingsland, maar dat van China. Eén op de vijf mensen spreekt Chinees, denken ze bij De Standaard nu echt dat ze in China hun volkslied March of the Volunteers zouden noemen?

Mijn bezwaar is niet eens het Engels. Dat vind ik een prima taal voor in Engeland. Wat me vooral ergert is het stoer willen doen met iets wat eigenlijk sneu is. Pochen met je eenzijdigheid. De toeristen kun je het niet eens verwijten, die zijn door de media zo gemaakt. Engels voor en Engels na, iets anders is er niet. Zo neemt de gemakzucht alles over.

Dag van de Duitse taal

Vandaag is het de Dag van de Duitse taal. Voor de eerste keer wordt er in Nederland zo’n Dag georganiseerd. Normaal doe ik niet mee aan Dagen, ik vind dat zo’n gedoe, maar voor het Duits maak ik graag een uitzondering. Want Duits, dat is heel belangrijk.

Nederland heeft een lange traditie van Duits leren en veel Nederlanders spreken ook ‘n mondje Duits. Het is na het Engels nog altijd de eerste vreemde taal, vóór Frans, want Frans en Nederlanders, dat heeft nooit zo geboterd. Vlamingen zijn daar beter in, maar die kunnen dan weer vaak geen Duits. Al geldt dat laatste helaas meer en meer ook voor de Nederlanders.

Engels is hipper dan ooit. Het is overal. Nu je niet meer om de haverklap zure stukjes leest over de Amerikanisering is de Amerikanisering pas echt doorgedrongen. Op tv zijn er Nederlandstalige en Engelstalige programma’s, zelden iets anders. Elke matige serie uit Groot-Brittannië of de Verenigde Staten verschijnt hier, met al even matige ondertitels, op tv. En niks uit Duitsland. Zelfs Krimi’s zijn er nauwelijks nog. Nu hebben we Midsomer Murders immers. En de tv is hierin niet anders dan andere media. Als een Engelse bibliotheek zegt het oudste boek van Europa te hebben gekocht, dan staat dat in alle Nederlandse kranten. Onze blik is eenzijdig op het Engelstalige westen gericht.

Duitsland ligt in het oosten, waar het dag wordt. In Duitsland verdienen we onze centen: de Nederlandse economie is behoorlijk van de Duitse afhankelijk. We rijden in Duitse auto’s. We gaan naar Duitse supermarkten. Maar van de Duitse cultuur consumeren we bijna niks. De Duitse taal, daar hebben we ons vanaf gekeerd. En in Vlaanderen is het niet anders hoor: daar keert men zich ook meer en meer van hún achterland, het Franse taalgebied, af. Ik denk zelfs dat er een verband bestaat tussen het Vlaams-nationalisme, de Nederlandse binnendijksheid en die “Amerikanisering”, om daar dan toch nog maar eens zuur over te doen.

Maar goed. De Dag van de Duitse taal is het, laat ik vrolijk zijn. Zuur zijn er al genoeg bloggers. Duits! We kunnen ons heroriënteren. Duitse kinderseries, ze zijn er al op de Nederlandse tv. Nu ook het echte werk. Duits drama, Duitse documentaires, laten we ze uit gaan zenden. En laten we Duits leren, allemaal! Laten we weer naar Duitse muziek gaan luisteren. Laten we Duitsland ontdekken als zalig vakantieland. Of, om nog positiever te zijn: laten we die trend volhouden. Want er is al een trend. Nederlanders leren weer meer Duits, Nederlanders gaan weer meer naar Duitsland. Zo verder!

Natuurlijk moeten we het westen nu niet de rug toekeren. Ik houd stiekem best van de Engelse cultuur. Maar we moeten niet langer zo eenzijdig wezen. Het Duits is het middel om ons aan die eenzijdigheid te ontrukken. Zo maakt die taal ons vrijer. En rijker, dat ook. Een brede Europese oriëntatie: ik wil ook weer Franse series op tv, en als we dan toch bezig zijn ook Poolse en Zwitserse. Maar vooral dus meer Duits, want met Duits kunnen we onze blik weer wenden op het land waar het dag wordt. De Dag van de Duitse taal.

Het oudste boek

Het oudste boek van Europa is verkocht. Dat is in de Nederlandse kranten te lezen en ongetwijfeld ook in die uit andere landen. Het oudste boek van Europa, dat gaat ons allemaal aan. Zoiets is toch uniek, nietwaar?

Het gaat om ‘n Engels boek, het Evangelie van Cuthbert. Het is geschreven in het Latijn. Het handschrift komt uit de zevende eeuw, dus oud is het zeker. Het werd geschreven op het mooie eiland Lindisfarne, in het hoge noorden van Engeland. De kopers – de eerbiedwaardige British Library – hadden er negen miljoen pond voor over. Zoiets bijzonders mag wat kosten.

Maar hoe bijzonder is het nu eigenlijk? Is dit werkelijk het oudste boek van Europa? De British Library zegt van wel, en als je nu “oudste boek van Europa” googelt krijg je massa’s Nederlandse artikelen die de British Library napraten. Als er maar één bron is kun je je afvragen hoe betrouwbaar die is. Zouden ze daar bij de British Library niet gewoon ‘n beetje chauvinistisch zijn?

Het eiland Lindisfarne vanaf de Engelse kust

Als je nu met Google wat over andere kandidaten voor de titel wilt vinden, zink je in ‘n zee van verwijzingen naar het Evangelie van Cuthbert. Dat heeft de British Library al voor mekaar. Maar ja, wat is dat ook, “het oudste boek van Europa”? Wat is een boek?

Boeken bestaan in Europa nog niet zo lang als het schrift. Zelfs de Romeinen gebruikten aanvankelijk nog lange rollen om hun teksten op te bewaren. Toch waren zij waarschijnlijk de eersten die met het idee kwamen om een stapel teksten aan elkaar te verbinden met een band, zodat ze doorbladerbaar waren. In eerste instantie deden ze dat met wastafeltjes. Dat leverde zware schriften op, die wel herbruikbaar waren, omdat wat je in de was graveerde nu eenmaal prima te wissen en te wassen was. Maar voor het serieuze werk werden perkamenten bundels vervaardigd: de eerste boeken, de codices.

Zo’n codex was natuurlijk een handschrift, geen gedrukt boek. Maar dat is dat Evangelie van Cuthbert ook niet, dus dat zal het punt niet wezen. En Cuthberts evangelie is zeker niet het oudste handschrift. Een beroemd handschrift dat ik zelf graag eens in handen zou hebben is de Gotische Bijbelvertaling, de Codex Argenteus. Dat is een echt boek, met de evangelisten erin. De auteur is Wulfila, de man die ijverig de Bijbel vertaalde in zijn moedertaal en daarmee de eerste lange tekst in het Germaans schreef – of toch tenminste de eerste die bewaard gebleven is.

De Codex Argenteus werd rond het jaar 500 vervaardigd, toch anderhalve eeuw eerder dan dat Engelse evangelie. Het onttroont Cuthbert gemakkelijk. Het wordt niet in Engeland, maar in Zweden bewaard, dus voor de Angelsaksische pers valt er niks mee te behalen. Maar zelfs deze codex is niet de oudste in z’n soort, bijlange niet. Misschien wordt de alleroudste dan toch nog ergens in Engeland bewaard.

Natuurlijk gaat ‘t me niet eens om het superlatief. Het oudste boek, wat is dat nou voor titel. Waar het mij om gaat is dat de Engelse bron zo gemakkelijk voor waar wordt aangenomen door de internationale pers. Zo kan iedere chauvinist z’n claims wel verspreiden. Google geeft ze al gauw gelijk. Tot Google dit blog heeft opgemerkt, natuurlijk.

Bijvoegtoon

Als beloofd kom ik nog even terug op de kwestie van de bijgevoegde naamwoorden, waar ik in ‘n eerder blog, dat eigenlijk vooral over spelling ging, al een en ander over heb geschreven. Er valt namelijk nog wel meer over te zeggen, zeker als je gaat kijken naar een aantal verschillen in klemtoon tussen Hollands, Vlaams en Duits. Over klemtoon heb ik het trouwens ook al eens eerder gehad. De helft van het leven is herhaling.

In mijn blog van verleden week waagde ik me aan de stelling dat het Vlaams, of correcter het Zuid-Nederlands, vanouds meer gebruik maakt van de mogelijkheid nieuwe woorden te maken op basis van een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord. Kortverhaal is daar een mooi voorbeeld van. Nederlanders zeggen liever een kort verhaal, maar Vlamingen kunnen toe met kortverhaal, dat verdacht veel lijkt op het Duitse Kurzgeschichte en daarom ook vaak als “Duitse invloed” is bestempeld. Mijn stelling is: in Vlaanderen is dat geen Duitse invloed, daar zijn zulke woorden zeker inheems. Voor het Noord-Nederlands geldt dat iets minder.

Nu zal al snel tegengeworpen worden, dat er ook in het “Hollands” een aantal van dit soort samenstellingen voorkomt, en er is niet echt reden die als Vlaamse of Duitse leenwoorden te zien. Vrijgezel is toch heus een samenstelling van het bijvoeglijk naamwoord vrij en het zelfstandig naamwoord gezel.

Natuurlijk noem ik dit tegenargument niet zomaar. Ik ben zo sluw om in dit tegenargument een argument vóór mijn stelling te zien. De uitspraak van dit woord door Hollanders verschilt van de uitspraak die in Vlaanderen gewoon is:

Hollands: vrijgezél
Vlaams: vríjgezel
Duits: Júnggeselle

De Duitse vorm, die weliswaar met jung en niet met frei begint, heeft dezelfde structuur als de Nederlandse. De klemtoon komt perfect overeen met de Vlaamse. Dat is bij meer van dit woorden zo. Elk jaar verbaast er zich wel eens een Vlaming over Hollanders die nieuwjáár zeggen, en die Nederlander vindt ‘t dan weer apart dat Vlamingen níeuwjaar zeggen. In het Duits is Néujahr gebruikelijk, maar naar het schijnt komt Neujáhr ook voor. Een noordelijke afwijking?

De woordvorming volgens de regel bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord is in het Duits productief en Duitsers zullen dat soort samenstellingen altijd “op z’n Vlaams” beklemtonen. Rótkäppchen. Ik ken Vlamingen die Roodkápje zeggen, maar die geven de schuld aan de Nederlandse tv – Róódkapje moet authentieker zijn. En terecht. Het is toch zeker ook róódborstje?

Ja, róódborstje. Niemand zegt roodbórstje, ook een Hollander niet. Het is geen wet, het is niet altijd waar, uitzonderingen te over, maar toch zie ik een verband: de Vlamingen hebben net als de Duitsers de klemtoon vóóraan bij dit soort woorden, omdat ze taaleigen zijn; de Nederlanders weten niet goed wat ze met de klemtoon aanmoeten, omdat deze samenstelling niet echt Noord-Nederlands is.

Wat moet de norm nu zijn? Is kortverhaal een germanisme? Uit Vlaamse mond niet, uit Nederlandse mond misschien wel. Maar de grenzen zijn nu open. We moeten maar gewoon eens leren consequent met vrijgezel, Roodkapje en nieuwjaar om te gaan. Niet dat de norm heel strak hoeft te worden nagevolgd, daar ben ik nooit voorstander van geweest. Maar voor wie wil: de Vlaamse klemtoon is wat mij betreft de meest correcte, maar als lokale variant vind ik gelukkig nieuwjáár ook wel best.

Bijgevoegd naamwoord

Een fijn plekje internet is de site Signalering Onjuist Spatiegebruik, afgekort tot SOS. Daar hebben ze hun naam natuurlijk op uitgezocht. SOS, dat is morse, en als het juist doseren van pauzes érgens belangrijk is, dan is het wel in het morsealfabet. Maar morse wordt niet veel meer gebruikt en dus is de Engelse ziekte overal: spaties waar ze niet horen. “Eenheids worst”. “Af haal restaurant”. “Gast blog”. Dat laatste had nog een aansporing kunnen zijn, de rest is natuurlijk helemaal geen Nederlands. Dus moet er iets tegen gebeuren, en moet onjuist spatiegebruik worden gesignaleerd.

Wat dagen geleden signaleerde ik zelf. Een vriend van me schreef op Facebook iets over sinterklaas, die ook in januari nog in onze hoofden is, en spelde goedheilig man. SOS, riep ik. Maar hij zei dat het niet fout was, goedheilig man stond immers in de Van Dale? Andere woordenboeken hebben dan weer wel goedheiligman, wierp ik tegen. Samen signaleerden we dat de norm wat dit woord betreft vaag is. Beide spellingen komen voor.

Nu is er natuurlijk wel een verschil. Goedheilig man, zonder spatie, spreek je anders uit dan goedheiligman. De klemtoon ligt anders als het één woord is, dan is het goedhéiligman.  Als het twee woorden zijn ligt de sterkste klemtoon op het laatste lid: goedheilig mán. Kennelijk is de uitspraak goedhéiligman nog niet zo heel oud. Zou ze zijn ontstaan omdat het liedje zo gaat? Sinterklaas goedheiligman, trek je beste tabberd an…

Goedheiligman, als één woord, is een samenstelling op basis van het bijvoeglijk naamwoord goedheilig en het zelfstandig naamwoord man. Dat ziet iedereen. Toch is het niet zo gewoon, dat een Nederlands woord op deze manier wordt gevormd. We hebben wel langneus en vetklep, maar dat zijn haast schertsende woorden. Wel hebben we bijwoorden als nep, rot en kut, die eindeloos gecombineerd kunnen worden (nepbaard, rotkind, kutstreek) – maar dat zijn geen echte bijvoeglijke naamwoorden, die tellen niet.

In het Duits kunnen bijvoeglijke naamwoorden wel makkelijk met zelfstandige naamwoorden worden gecombineerd. Een grote stad is daar een Großstadt en een kort verhaal is in het Duits een Kurzgeschichte. Als iemand in het Nederlands over een grootstad en een kortverhaal spreekt, dan wordt er al snel geklaagd: dat is Duits, een germanisme heet zoiets, de Teutoonse ziekte. Niet doen!

Anders is dat in België, daar vindt met kortverhaal heel normaal en langspeelfilm ook. Zijn Belgen zo Duitszinnig? Misschien. Maar het zou ook wel eens zo kunnen zijn dat de mogelijkheid om bijvoeglijke naamwoorden met zelfstandige te combineren in het zuidelijk Nederlands gewoon van oudsher al aanwezig is. Dan is kortverhaal geen germanisme, maar goed, hoogstens regionaal gekleurd Nederlands.

Terug naar de goedheiligman. Die grijsaard komt ook in België langs om de allerkleinsten te verwennen. Het Belgische woordenboek Verschueren was één van de eersten om het woord goedheiligman, zonder spatie, als lemma op te nemen. Is het misschien een Belgisch woord? Is het daarom dat Van Dale er nog niet aan wil?

Vragen genoeg. Dat krijg je als de norm vaag is. Wat mij betreft is die goedheiligman niet Belgisch, Duits of Spaans, maar gewoon goed Nederlands. Laat die spatie dus maar weg. We hebben nog tot november om Van Dale te veranderen.

Misdadig

Onlangs hoorde ik de nieuwslezeres van het VRT-journaal iets over een misdadiger zeggen. Dat woord sprak ze als mísdadiger uit. Dat viel mij eerst niet op, want zo spreek ik het woord zelf immers ook uit. Maar in tweede instantie vond ik het toch opmerkelijk. Zou een Belg niet misdádiger moeten zeggen?

Toen ik jaren geleden in Belgie ging studeren laafde ik mij aan de verschillen die er tussen noordelijk en zuidelijk Nederlands bestonden. Van plezant en de zachte G had ik natuurlijk al wel gehoord, maar toen ik eenmaal op kot zat en briefjes kreeg over de chauffage en de frigo besefte ik dat ik mij met die verschillen nog wel ‘n mensenleven kon amuseren. En dan niet alleen met woorden – toch wat oppervlakkig – maar ook met de verschillen die minder gauw in het oog sprongen. De klemtoon bijvoorbeeld.

Al gauw had ik lijstjes in een schriftje staan van afwijkende Vlaamse klemtonen. Niet ásfalt, maar asfált. Net als in het Duits, maar of dat ermee te maken had kon ik niet bewijzen. Van andere klemtoonverschillen was de oorzaak wel te herleiden. Tot die laatste groep behoort de klemtoon in misdádiger.

Een misdaad, dat is een mísdaad, zowel in het noorden als het zuiden van ons taalgebied. Maar het bijvoeglijk naamwoord dat van misdaad is afgeleid spreken we als misdádig uit. Kennelijk zorgt dat ene achtervoegsel, -ig, ervoor dat de klemtoon naar achteren wandelt. Dat komt bij wel meer woorden voor. Ónrust – onrústig. Ze zijn er ook in het Duits, maar daar is er wel een verandering merkbaar: in het moderne Duits zijn dingen nótwendig, vroeger konden ze best wel ‘ns notwéndig zijn geweest (en ze zijn het nog als een Hollander Duits spreekt).

Van misdádig naar mísdadig, het zou zomaar kunnen. Waarom niet, het is toch ook mísdaad? Toch zegt nu iedereen nog misdádig, in België en Nederland, maar de afgeleide vorm, misdadiger, die wordt al wel verschillend uitgesproken. Een mísdadiger in het noorden, een misdádiger in het zuiden.

Tot dat VRT-nieuws, van de week. Mísdadiger, zei ze. De Hollandse klemtoon begint in het zuiden door te dringen. Nu doen ze bij de VRT natuurlijk altijd erg hun best om netjes Nederlands te spreken, en vaak is netjes Nederlands voor ‘n Vlaming toch nog “Hollands”, maar die journaalpresentatrice staat niet op zichzelf. Ook in Vlaanderen is de klemtoon op drift geraakt.

Voor mijn schriftje is het natuurlijk ‘n beetje zonde. Braaf hield ik de verschillen bij, maar niet alle verschillen zijn nog actueel, nu niet en over vijftig jaar al helemaal niet. Verder mag ik er natuurlijk niet te veel van vinden, van taalverandering. Iets vinden van taalverandering is niet wetenschappelijk. Maar goed, misschien vind ik het toch wel ‘n beetje zonde. Onze taal wordt zo weer ‘n beetje makkelijker. Is het niet eigenlijk veel leuker een moeilijke taal (uit) te spreken?

Neerlandiziek

In het onvolprezen cultureel tijdschrift Ons Erfdeel heeft René van Stipriaan, het genie achter de prachtsite dbnl, zich kwaad gemaakt over de hedendaagse neerlandistiek. Het is goed dat iemand zich daar eens in het openbaar kwaad over maakt. Ik maak me er ook dikwijls kwaad over, maar ik ben niet zo openbaar. Wat ook weer jammer is.

Van Stipriaan zet in zijn artikel in Ons Erfdeel uiteen hoe de neerlandistiek zich de voorbije decennia ontwikkeld heeft. Hij gaat vooral op de Nederlandse situatie in, maar wat hij schrijft geldt ook voor de situatie in Vlaanderen, zoals het minder mooie weekblad Knack terecht opmerkt. Behalve Knack heb ik er trouwens nog geen andere grote pers over weten schrijven, dus blijkbaar is zelfs René van Stipriaan niet openbaar genoeg.

Van Stipriaan stelt vast dat de moderne neerlandistiek nauwelijks nog ambitieus is. Het gaat niet meer om de grote wetenschap, er worden geen bakken geschiedenis over de studenten uitgestort, het gaat allemaal allang zo diep niet meer. Tegelijkertijd is de site van dbnl, waar het wél diep mag gaan, een succes: de site wordt druk bezocht door ‘n breed, blijkbaar geïnteresseerd publiek. Dat publiek zoekt veel minder z’n heil op de letterenfaculteiten, en Van Stipriaan begrijpt wel waarom. Er is gewoon niks meer aan.

Zelf kom ik ook graag op die mooie, overvolle website, waar je nog degelijke artikelen en talloze oude boeken terug kunt vinden. Wát een bibliotheek. Toen ik nog Nederlands studeerde stond er minder op, maar toen was ik er ook al gek van. Er viel meer te leren dan in de collegebanken. Want wat Van Stipriaan voorzichtig vaststelt, heb ik al vaker, bozer vastgesteld: de studie Nederlands is tot een soort speelkwartier voor mooie meisjes die wel ‘ns ‘n boek lezen verworden, met echte wetenschap heeft ‘t allemaal nauwelijks nog van doen.

Van Stipriaan wil dat de neerlandistiek weer ambitieuzer wordt. Laat taalkunde en letterkunde weer samensmelten, betoogt hij. Daar ben ik het dan weer niet mee eens. Ik ben zwartgalliger dan hij: hef die hele neerlandistiek maar op, dat vak is toch z’n geloofwaardigheid al kwijt. Zorg dan wel dat ervoor in de plaats een échte studie taalkunde komt, die zich niet door één taalgebied beperkingen op laat leggen, maar die diep en precies op alle talen van de wereld ingaat, van Chinees tot Fries en van Hongaars tot Hixkaryana. Voor de letterkunde hetzelfde: niet alleen Reve, maar ook Huysmans, niet alleen Nescio, maar ook Lu Xun. En Cornelis van der Wal, natuurlijk.

Ondertussen worden de laatste restjes neerlandistiek verder onttakeld. Bezuinigen is het toverwoord, visie en ambitie zijn achterhaald. Dáárom is Van Stipriaans pleidooi zo onopgemerkt gebleven: het past niet meer in deze tijd. Universiteiten zijn scholen geworden, blije oorden voor blije tieners, en met diep graven, of ‘t nu binnen één taalgebied is of algemener, zoals ik zou willen, kom je dat verval niet meer te boven.

Laat ze lezen, schrijft Van Stipriaan. Laat ons op dbnl maar lezen dan. Allemaal. Niet dat autodidact zijn wél van deze tijd is – integendeel – maar voor onze gemoedsrust is het zo beroerd nog niet. Vooral niet als we bij het lezen bedenken dat er ook nog anderen zijn, die lezen willen, al is het dan niet in het openbaar.

Een Baskisch boek uit Amsterdam (2)

Literatuur is er in grote en kleine talen. Ik heb een zwak voor kleine talen, en dus ook voor kleine literaturen. Ze doen vaak helemaal niet onder voor die hele grote, maar ze worden wél vergeten. Iedereen leest maar vertaalde Engelse boeken, niemand leest iets dat vertaald is uit het Estisch, Fries of Catalaans. Al eerder schreef ik over de bijzondere uitgeverij Zirimiri. Deze Amsterdamse uitgever ijvert ervoor kleintalige literaturen, zoals de Baskische, te ontsluiten voor het Nederlandse publiek. Ze publiceerden al Emekiro, een verhalenbundel met daarin werk van Baskische schrijfsters. Nu is er dan eindelijk een roman.

Sisifo maite minez is in Baskenland een bestseller. Het is verplichte kost voor ieder die de Baskische literatuur wil gaan ontdekken. Basken lezen Sisifo maite minez op school. De schrijfster, Laura Mintegi, is er een bekendheid. Ze schreef een essayistische roman over verliefdheid, over oprechtheid en verdwazing, over heel veel en tegelijk over heel weinig, over het kleine, tere en fragiele, en over hoe groot we dat maken… Enfin, ‘t is zo’n typisch goed boek, geen romantisch niemendalletje, maar grootse literatuur, die toch meesleept en door iedereen gelezen wordt, omdat iedereen het lezen wíl… Nederlanders ook. Toch?

Sisifo maite minez is vertaald in het Nederlands. Het heet nu Sisyphus verliefd. Niet met een -f-, want dan zou ‘t een vergeten boek van Ton Anbeek zijn, maar met -ph-. Het boek doet niet alleen met die -ph- z’n best om op te vallen. Het is opvallend mooi uitgegeven. Dat kunnen ze wel, bij Zirimiri, al hun uitgaven zijn grafische wondertjes. Alsof ze daar ook wel weten dat je er met ‘n goed boek alleen niet meer komt. Want dat is het grote probleem: de Nederlanders en de Vlamingen willen Sisyphus verliefd misschien wel net zo graag lezen als de Basken, alleen weten ze dat van zichzelf niet. Zo dreigt Sisyphus verliefd ook in vertaling ondergesneeuwd te raken onder honderden romannetjes uit Amerika.

Zelf heb ik Sisyphus verliefd inmiddels gelezen. In vertaling, want Baskisch kan ik niet. Wel heb ik begrepen dat maite “liefde” is in het Baskisch. Het zal dus wel goed vertaald zijn. Gelukkig maar, want ik had er niks van willen missen, van dit wonderlijke boek.
Met ‘n roman over de liefde maak je mij eigenlijk niet warm, ik ben immers een cynicus, wat moet ik met het relaas van hoofdpersoon Ane, die na een dwaze liefdesreis in Baskenland terugkeert bij haar echtgenoot…?
Al na ‘n hoofdstuk had ik door dat dit andere koek was. Dit boek is smullen voor cynici. Het is voer voor psychologen, dat ook. Filosofisch is het, diepzinnig, tegelijk spannend en aangenaam mysterieus. De hoofdpersoon, Ane, gaat langs bij een psychoanalyticus, Esteban, die haar probeert te doorgronden, net als de lezer. Ane heeft net een zonderlinge liefde achter de rug. Op slag verliefd geworden, met hem naar Zuid- en Noord-Amerika gereisd, daar in verwarring geraakt – alweer – en zomaar teruggevlogen naar dat regenachtige Baskenland, waar niemand wist wat ze met Ane aanmoesten. Daarom is ze bij Esteban, maar die weet het ook niet. Ane heeft zo eigenaardig lief.

Verliefdheid, liefde, overgave, leugens en waarheden: Sisyphus verliefd hangt er van aan elkaar. ‘t Is knap verweven. Het leest als een trein, daarom is het natuurlijk een bestseller geworden destijds. Ik kan het iedereen wel aanbevelen. Maar wie leest dit? Wie leest Sisyphus? Voorkom dat dit boek vergeten raakt, lezer. Doe het desnoods voor Laura Mintegi. Die verdient een groter publiek dan het Baskische alleen. Vraag er naar bij de boekwinkel. Een goede boekverkoper, zo’n ouderwetse, wil vast ook wel eens wat anders verkopen dan Angelsaksische chicklit.

Toch?