Bouw

Bij mijn huis wordt gebouwd. ’t Is hier op twee minuutjes lopen vandaan. Last heb ik er niet van, het heien is allang voorbij. Maar ik passeer er vaak en dan kijk ik, luister ik. Soms is ’t erg stoffig, dan waait zand door de lucht en m’n ogen in. Vaak is er beroerde muziek. Maar de laatste tijd is het er zomaar anders. Een glimmende auto staat er geparkeerd, er zijn nette mensen uitgestapt. Er wordt gepraat.

“Wonen op 45 minuten van Amsterdam,” zwaait een groot wit zeil voor de verse appartementen. Het station ligt tegenover het bouwterrein. Een man met ’n pak en ’n lichtblauwe das wandelt langs de hekken. De intercity stopt, en rijdt weer weg. Hier moeten forenzen wonen, mensen met geld en ’n baan in de grote stad. Wonen op 45 minuten van Amsterdam: zo is Alkmaar goed genoeg.

Bij het hek staat een ander bord, op een paal. Het is niet geschreven in de hippe drukletter van het zeil, hier is een gewoon mens aan bezig geweest, met ’n marker en z’n handen. “Geen auto’s op de bouw.” Achter het bord ligt omwoeld land en ’n berg zand, met her en der spullen die vast bij de bouw horen en niet bij het zeildoek of de schone auto met de blauwe das.

Ik heb alles zien gebeuren. De oude school was ’n lelijk blok uit de jaren 80, met lawaaiige kinderen er omheen en soms ’n meisje met geblondeerd haar, hoge hakken en te grote oorbellen. De school werd gesloopt, de herriemakers en het meisje gingen voortaan ergens anders heen. Na de school kwam de vlakte en het grote bord met het bouwplan erop. Tijdens een herfststorm woei dat bord de sloot in, die daarna toevroor, en pas maanden later, toen het alweer lente werd en de bouw vorderde, werd het bord weer opgevist en verdween het voorgoed. Nu is alles bijna klaar. De ruiten, de bruinrode bakstenen (bruinrood is weer modieus), de zwarte ijzeren balkons, af zijn ze, klaar om aangeraakt te worden. Er zullen bewoners komen, op 45 minuten van Amsterdam.

Er blijft niks van over, uiteindelijk. Het zeil zal worden opgerold, en dan vernietigd. Misschien kan het worden hergebruikt, ergens anders op 45 minuten van Amsterdam. Misschien denkt geen mens daaraan, behalve ik. Het bordje “Geen auto’s op de bouw” gaat ook verdwijnen. De bouw is over, de winter ook, de stormen, het ijs, de vervelende muziek en de striemende korrels zand.

De opgepoetste auto vertrekt. Nog 45 minuten, en de potentiële koper is weer terug in Amsterdam.

Democratie voor beginners.

Limburg moesten we maar aan België geven. Dat hoor je de laatste dagen nogal eens gezegd worden. Het is natuurlijk maar ’n grapje, al heeft niet elke Limburger dat begrepen. En het gaat tussen de regels door ook echt wel ergens over. Hoe moet de gematigde meerderheid van de Nederlanders, de mensen die volgens Wilders allemaal “linkse verraders” en “grachtengordel” zijn, zich verhouden tegenover de 1,5 miljoen landgenoten die op de PVV stemden?

Nederland is een democratie. Dat zegt Wilders zelf ook. In die democratie mag iedereen vrijelijk zijn mening uiten. Iedereen mag stemmen op wie hij maar wil stemmen. Iedereen telt mee, zogezegd.
De linkse grappenmakers die nu zeggen dat Limburg maar moet worden afgeschaft, en de PVV koste wat kost uit de regering willen houden, wordt door anderen verweten dat zij niets begrijpen van democratie. Hun mening is gevaarlijk, klinkt het. Het is onverdraagzaam om de PVV zo weg te zetten. Zo zijn ze geen haar beter dan Wilders!

Een bekend misverstand luidt: democratie is het gelijk van de helft plus één. Natuurlijk, waar vrije verkiezingen zijn, daar gelden de meeste stemmen. Naar de PVV-stemmer moet ook heus geluisterd worden. Maar die PVV niet bestrijden, niet veroordelen, niet de vinger wijzen – dat zou eigenlijk ook heel ondemocratisch zijn.
Democratie gaat namelijk niet over meerderheden en hun gelijk. Verkiezingen zijn een wezenlijk kenmerk van democratie, maar niet eens de kern ervan. Democratie gaat ergens anders over. Democratie gaat over vrijheid, gelijkwaardigheid, over verlichting en beschaving. Vrijheid, gelijkheid, broederschap. Religieus fanatisme past niet in een verlichte democratie, ander extremisme evenmin. In een democratie mag nooit gediscrimineerd worden. Nooit mag aan de democratische grondrechten worden getornd.
Een en ander maakt dat democratie gauw ironisch is en soms zelfs gevaarlijk. In een democratie kunnen ondemocratische partijen in theorie de grootste worden. Democratie is helemaal niet onsterfelijk. Dat zagen we in Nazi-Duitsland, dat zagen we in Iran, en we zullen het ergens anders ook gaan zien. Ieder die de verlichte democratie wil beschermen, zal daarom alles wat niet verlicht is, alles wat de democratie ondermijnt, moeten blijven bestrijden, opdat de democratie niet sterft.

Wilders wordt bestreden. Terecht. Natuurlijk moet hij met democratische middelen bestreden worden, en nooit met andere. Altijd loert de ironie, altijd dreigt de dood. Wie extremisme bestrijdt, moet goed oppassen dat hij niet zelf een extremist wordt. Wie de radicale islam bestrijdt, moet ervoor waken dat hij geen Wilders wordt. Wie Wilders bestrijdt, moet ervoor waken dat hij geen Volkert wordt. Zo is dat voor iedereen. Laat Wilders het voorbeeld zijn, dat we niet moeten volgen.

Maar ook: laten we hem vooral blíjven bestrijden. Voor de vrijheid, voor de gelijkheid, voor het broederschap. Voor onze samenleving, en tegen de dood. Dat is democratie.

België

Eigenlijk heeft niet één Europees land natuurlijke grenzen, tenzij dat land een eiland is, zoals IJsland of Malta. Maar dat zijn landen op de rand van Europa. De natuurlijke grens van ons continent loopt zelfs dwars door IJsland heen, en scheurt ieder jaar verder open. Daar hebben ze al die vulkanen van. Heel indrukwekkend, en heel uniek: iedere andere Europese grens is ’n willekeurige lijn, een paal, een wegroestend bordje met ’n wapen of ’n vlag erop. Het zijn grenzen die steeds verlegd en onteerd zijn, soepele grenzen, heel omstreden grenzen ook. Zo is Europa.

Het gaafste voorbeeld van zo’n bizarre tegennatuurlijke Europese grens vinden we in het dorp Baarle, dat in het zuiden van Nederland en in het noorden van België ligt, tegelijk. Dwars door Baarle slingeren grenslijnen. Er zijn huizen met twee voordeuren. Op het dorpsplein staat een grenspaal, die overigens niet echt is (de echte grens ligt wat meters verder) en rond die grenspaal drommen toeristen die wel eens willen zien hoe grenzeloos een grens kan zijn. Het Belgische Baarle heet Baarle-Hertog, het Nederlandse Baarle heet Baarle-Nassau. Heel het dorp bestaat uit eilandjes, vierkantjes, lapjes buitenland.
Zo’n grens is natuurlijk eeuwenoud. Al heel vroeg werd dit gebied verdeeld over twee landen, waarvan één uiteindelijk het huidige Nederland werd en het andere België. Dat die twee landen elk hun identiteit hebben, kun je in het dorp goed zien, maar dat ze een beetje bij elkaar horen merk je ook. België en Nederland delen een eeuwenlange geschiedenis en een mijlenlange, grillig kronkelende grens.

Koterij

Och, dierbaar België. Te weinig mensen houden van dat land. Er wordt almaar over gediscussieerd. Toch bestaat het al veel langer dan al die mensen en hun meningen samen.
In 1581 werden de huidige grenzen van België vastgelegd en ging het gebied “Zuidelijke Nederlanden” heten. Het veranderde soms nog van naam, en van eigenaar (het Habsburgse koningshuis was niet altijd even vruchtbaar), maar het bestond tenminste. De grens bij Baarle was een lappendeken, heel Limburg was een lappendeken, en Luik was bij momenten helemaal onafhankelijk – maar dat waren politieke gekkigheden. Dit gebied, dit “België”, ontwikkelde z’n eigen cultuur, met zo z’n eigen bouwstijl, z’n eigen gewoontes, z’n eigen keuken en z’n eigen bieren. Het was niet één cultuur, die Belgische cultuur, het was een grote malle optelsom van kleine dorpen en eigenwijze steden, van dialecten en talen, van armen en rijken, van alles en niets.
Zo’n eigenaardig land, zo’n eigenaardige cultuur, dat kon best toekomst hebben, en dat had het ook: in 1790 werd de eerste Belgische republiek uitgeroepen (Verenigde Nederlandse Staten / États belgiques unis), die het net twaalf maanden uithield. Niet veel later werd heel België bij Frankrijk gevoegd, toen weer bij Nederland, en uiteindelijk, veertig jaar later, weer onafhankelijk.

Zo’n mooie geschiedenis, zo’n mooie cultuur – hoe kon je zoiets nog laten mislukken? Het kon. Ten eerste kon het, door die cultuur te ontkennen. Niks versnipperde identiteit, niks dorp na dorp wat anders, niks Belgische eigenzinnigheid: de grote bazen, de heren industriëlen, hadden iets anders voor ogen. België moest een eenheidsstaat worden, met één taal, één vorst, één cultuur. La Belgique sera latine ou ne sera pas. Economisch haalde dat wel wat uit, België werd het rijkste en modernste land van Europa, maar voor de Belgische cultuur was het nefast. De industriebarons hadden weinig oog voor het gewone volk, dat Vlaams of Waals sprak en voor ’n hongerloon werkte in de fabrieken van Charleroi of Aalst en in de mijnen van Luik of Beringen. Dat moest misgaan.
Het kon misgaan. Nieuwe grootheden werden verzonnen. Niet één Belgische staat, maar één socialistische heilstaat, of één Vlaamse staat, of nog weer wat. De 20e eeuw kon beginnen, en het werd ’n heel ellendige eeuw, vol fictieve grenzen, grote machtsblokken, cordons, volksunies, zuilen en ontzuiling – kortom, ’n gepolariseerde wereld waarin van dat oude België niets meer overbleef.

Of toch. De Belg is flegmatiek. Politici en dwazen houden zich bezig met gewesten en staten en koddige Vlaamse leeuwen of blinde haantjes. Het echte België bestaat zodra je het weer binnenrijdt. Nog altijd is het een lappendeken, met om de twee kilometer een ander dialect en als ’t niet aan InBev ligt in elk café een ander bier. Gans België is een grote koterij, een rommelige scheur in de natuur, waar eigenlijk helemaal niet gebakkeleid wordt, maar gegeten, gedronken, geleefd. Zo blijken Vlamingen en Walen toch maar gewoon mensen te zijn, of nee, gewoon Bélgen, die pas weer zot draaien als het om al die belachelijke verzinsels gaat die hen sinds 1830 zijn aangedaan.

Stop de fictie. Begin aan België.

Ideeëloos

Balkenende ziet z’n einde al wel naderen. Tenminste, iedereen rond Balkenende ziet dat, dus je zou denken: hij ook. Toch ontkent hij dat hij de aankomende verkiezingen gaat verliezen, want, zegt hij, hij is ’n echte Zeeuw en ’n Zeeuw gaat bij tegenwind harder fietsen. Het lijkt Balkenendes laatste strohalm: zijn Zeeuwse roots. Zolang hij zich presenteert als ’n echte Zeeuwse jongen, zo’n harde calvinistische werker, één die voor geen stormvloed terugdeinst, nou, dán kan hij toch zeker de verkiezingen niet verliezen.

Balkenende is zo Zeeuws dat hij andere provincies maar niks vindt. “Laten we Noord-Holland opheffen,” zei hij van de week.  “Dat kan best samen met Zuid-Holland. Die provincies hebben toch verder geen eigen identiteit.”
Nou ben ik West-Fries. Een beetje Texelaar, ook. Ik kan ermee leven dat mensen buiten West-Friesland ons accent ’n beetje gek vinden, en niet goed weten waar West-Friesland nu begint en eindigt. Zo mysterieus wil ik wel zijn. Maar dat we hier helemaal geen eigen identiteit hebben, en wel zo bij Zuid-Holland gevoegd kunnen worden, dat laat ik mij niet zeggen.
Balkenende zei ook: “Natuurlijk moet Zeeland wel een eigen provincie blijven, Zeeland heeft een eigen identiteit.”

Op zich vind ik het prima dat aan de bestuurslaag die provincies zijn wordt getwijfeld. Heel veel nut lijken ze niet te hebben. Nederland is ook maar een erg klein land, wij zijn zo groot als één Duitse bondsstaat. Je kunt daar best eens bij stilstaan en denken: wat doen we met die provincies, vinden we ze niet te duur en te stroef?
Maar dat zijn de argumenten van Balkenende niet. Balkenende zegt eigenlijk: provincies mogen bestaan, zolangt ze een eigen identiteit hebben, maar Noord-Holland mag niet bestaan, want dat heeft geen identiteit.
Het is zo dat Noord-Holland op ’n gekke manier geschapen is. Eerst was er het gewest Holland, met daarin het Noorderkwartier (Alkmaar, Medemblik, Enkhuizen, Purmerend en alles wat daar tussen ligt). Eigenlijk functioneerde dit Noorderkwartier als ’n aparte provincie met Hoorn als hoofdstad. Later kwam er de provincie Holland, met het Noorderkwartier daar zomaar bij. Dat werkte niet, dus werd de provincie opgedeeld. Alleen, de eigenwijze Noorderkwartierders (West-Friezen, Zaankanters, Waterlanders…) werd een eigen provincie niet gegund, en slinks werden er twee Hollandse steden (Haarlem en Amsterdam) en ’n stuk Utrecht (het Gooi) aan toegevoegd, opdat die provincie Noord-Holland geen West-Friese meerderheid had. Daar begon eigenlijk al de onttakeling van de West-Friese identiteit.

Toch. Je kunt mensen niet veranderen. West-Friesland is gebleven. De folklore verdween misschien, het dialect ook zowat, maar een West-Fries bleef ’n West-Fries, een schuur een boetje, eendenkuikens pulletjes. Nog altijd is er ’n echte eigen identiteit, al reduceren de Hollandse media die graag tot alcoholmisbruik en een te hoog suïcidecijfer.

Maar dus nog liever ’n Hollander dan ’n Zeeuw. Balkenende, ooit nog “premier van alle Nederlanders”, doet alsof West-Friesland nooit heeft bestaan. Hollanders zijn wij, gewoon, brave calvinisten zoals in Delft en Gouda, steile werkers als in het Westland – niks katholieken, niks feestvierders, er is geen West-Fries, er zijn geen West-Friezen. Wij bestaan niet voor de minister-president.

Gelukkig zijn er ook nog normale Zeeuwen. Willem van Hanegem bijvoorbeeld. Volgens hem heeft Balkenende het mis als hij beweert, dat ’n echte Zeeuw bij tegenwind harder gaat fietsen. “Als het stormt,” aldus Van Hanegem, “dan gaan wij gewoon niet naar buiten, dan blijf je thuis.” Dat moet Balkenende misschien ook maar gaan doen.