Een Baskisch boek uit Amsterdam

Dinsdag werd er bij mij een nieuwe boekenkast bezorgd. Het laatste stukje lege muur werd ingevuld, nog meer werd m’n woonkamer een bibliotheek, overal zouden nu boeken komen – wat me zelf wel veilig leek. Boeken behouden nog de eeuwigheid in een tijd waarin alles vluchtig is, feiten binnen een dag achterhaald zijn en duizenden debatten drammerig doordreunen op fora en tv. Boeken verzetten zich tegen de vluchtigheid van het moderne. Dat is nodig zelfs.

Toch werd ook aan de boeken deze week getornd. Ik herschikte en verplaatste, om zo mijn nieuwe kast mooi te vullen en de andere wat op te ruimen, want overal lagen nog de boeken over en achter elkaar, onopgemerkt zowat. De literatuur zou zich nu over zes planken verspreiden, en op ’n nette manier, dat leek me wel zo horen. De volgorde werd alfabetisch, en taal zou bij taal gaan, eerst veel Nederlands en dan pas de rest. De vijfde plank was de eerste anderstalige. Oude Friese boekjes zette ik er neer, Schurer en Triemersma en natuurlijk H. P. de Jong, proza en poëzie, en toen ze er stonden bestónden ze ook eindelijk weer. Te lang had het Fries achter een glazen deurtje moeten liggen, de taal was nu herrezen in mijn huis, en even leek het alsof het Fries, de literatuur en zelfs die dode Schurer weer een echte toekomst hadden, wat ik onlangs in mijn vluchtige blogje nog betwijfelde.

Naast het Fries van De Jong kwam een nieuw boekje, roder nog dan En de inket sil útrinne, met zwarte letters op een smalle kaft: Emekiro. Bijna dreigend staarde het kaftje me aan. Dit boekje was alles wat ik had van de Baskische literatuur, en het was nog in Amsterdam uitgegeven ook, in het Nederlands zelfs, maar de namen op de kaft, de titel en de naam van de uitgeverij waren exotisch genoeg om me een ogenblik opnieuw te verwonderen.

Emekiro is geen oud boekje. Verleden week kreeg ik het pas. Er staan Baskische verhalen in, vertaald naar het Nederlands, en twee verhalen werden door een Baskische dame direct in het Nederlands geschreven. Haar handtekening stond op het eerste lege blad, háár had ik ontmoet, vrijdag vorige week, toen ik m’n kast nog niet eens had gekocht en het Fries gestapeld achter een ruitje lag. Ik interviewde de schrijfster over haar taal en haar literatuur.

Het Baskisch is zoveel raadselachtiger dan het Fries. Geen taalkundige weet waar de taal vandaan komt of zelfs maar waarop ze een beetje lijkt. Wie de taal niet eerst bestudeerd en geleerd heeft kan er nooit iets van verstaan, tenzij hij er mee geboren is, en door z’n ouders in het Baskisch opgevoed – maar dat genoegen is maar weinigen gegund. Een verre bergtaal is het Baskisch, onbekend en ongehoord en ongelezen vooral. Tot deze week, toen Emekiro kwam en ik vertaalde Baskische verhalen las over moderne mensen in een vluchtige wereld, met daarin toch die oude, behouden taal.

Kristina Goikoetxea zag er nog minder Spaans uit dan ik had verwacht. Ze had blauwe ogen. Basken zijn bijna Noord-Europees om te zien, vertelde de uitgever later. Zelf had hij donker haar en donkere ogen, wat bijna jammer was, maar in Nederland in ieder geval wel exotischer. Kristina Goikoetxea sprak Nederlands, heel behoorlijk zelfs, maar ze was wel een echte Baskische die van haar taal hield en er natuurlijk nooit helemaal los van kwam. Waarom dan die keuze voor het Nederlands, een taal die met het Baskisch niets te maken heeft? “Lego,” zei ze, “Nederlands is als lego en Baskisch is dat ook.” Een taal van blokken, van woorden die met een k beginnen en er ook mee eindigen, kijk en koek en kaak… Zo helder, zo eerlijk, zo zalig zonder zever was het Nederlands. Net als Baskisch dus.

“Elkaar” is elkar in het Baskisch. Dat spreek je net zo uit als  “elkaar”, de uitgever deed het later nog voor. Het Nederlands en het Baskisch zouden elkaar niet zo moeten vergeten, de talen kunnen prima samen in een boekje en ook al verschillen ze zo van structuur en woordenschat, de geest van de taal is gelijk. Daarom past Baskische literatuur in Nederland. Zirimiri betekent motregen, en als motregen, zacht en bijna strelend, wil Zirimiri de Baskische literatuur in Nederland introduceren. Eindelijk weer iets anders dan die slagregen uit Amerika.

Storein. Passen Fries en Baskisch wel bij elkaar, als elkar in het Fries inoar is en de k in het Fries soms zomaar in een tsj veranderen kan? Ik denk van wel. Naast elkaar staan ze nu op de vijfde plank van mijn boekenkast, eerst tien centimeter Friese literatuur en dan een halve Baskische, zó, opdat ze behouden blijven en niet in vluchtigheid verregenen.

* Emekiro (Zirimiri Press, ISBN 978-94-90042-02-8) is te koop bij de betere boekhandel of te bestellen via internet.

Abuys

Wanneer was Alkmaars Gouden Eeuw? Die vraag wordt zelden eigenzinnig genoeg beantwoord, men gaat er altijd maar van uit dat de Gouden Eeuw van Alkmaar wel ongeveer gelijk liep met die van Amsterdam en Hoorn, terwijl historici best weten dat het met Alkmaar in die tijd juist al gauw gedaan was met de bloei. Natuurlijk, de schildersfamilie Van Everdingen, dat waren meesters, Alkmaarse meesters, maar geen van hen was “de Meester van Alkmaar”, zoveel is zeker. Wie dan wel de Meester van Alkmaar was, daar wordt nog over gediscussieerd, maar we weten wel dat hij schilderde rond het jaar 1500 en wat mij betreft ligt in die tijd ook Alkmaars Gouden Eeuw.

De Meester van Alkmaar leefde in de jaren dat in Alkmaar de grootste architectuur van de stad werd neergepoot: de Sint-Laurenskerk en het stadhuis. De eerste gotisch, en hóe, de tweede al renaissance maar niet minder perfect. In een halve eeuw werd hier voor duizend jaar aan architectuur opgetrokken. Voor een architectuurliefhebber zijn de eerste decennia van de 16e eeuw zeker wel de Gouden Eeuw van Alkmaar.

De Meester van Alkmaar was geen architect, hij schilderde. Zijn bekendste werk, De Zeven Werken van Barmhartigheid (1504), was zelfs goed genoeg voor het Rijksmuseum. In Alkmaar zelf hangt nog een ander werk van hem, maar dat is niet zo aansprekend als dat kerkelijke zevenluik, dat zo middeleeuws oogt en tegelijkertijd al zo modern, de nieuwe tijd lonkte immers al – Jan van Scorel zou de renaissance enkele jaren later definitief in Alkmaar introduceren.  Het is een schilderij als een gebouw, bedoeld voor iedereen, heel moralistisch maar tegelijkertijd misschien wel grappig, ondeugend, omdat er overal van alles gebeurt. Zo zijn veel schilderijen uit deze periode: ze lezen als stripverhalen, er is zoveel op te doen – zo anders dan de strenge portretten van Cesar van Everdingen, wat eeuwen later!

De Meester van Alkmaar, wie is hij? Wie schilderde die heerlijke Zeven Werken van Barmhartigheid? Er is wel een naam op hem geplakt, natuurlijk niet met zekerheid, maar wel door lieden met verstand van namen en van schilderkunst: Cornelis Buys. Een echte Alkmaarse schilder moet hij zijn geweest, maar tegelijkertijd een broer van de Zaankanter Jacob van Oostsanen, nog iemand die zo scharnierde van Middeleeuwen naar Renaissance.

De Gouden Eeuw van Alkmaar was een scharnierende Gouden Eeuw, zowel in de schilderkunst als in de architectuur. Ze laat zich lezen als een lineair verhaal. De Meester van Alkmaar had een zoon, Cornelis Buys de Tweede, die nog veel meer door de zuidelijke renaissance beïnvloed was dan zijn pa. Van hem heeft nauwelijks een mens gehoord, zijn werken zijn op internet bijna allemaal onvindbaar, er is enkel tekst en een aardige maar droge Wikipagina. Toch, Cornelis Buys de Tweede, díe kon er wat van.

In het Stedelijk Museum van Alkmaar hangen meerdere schilderijen van Buys II. Het merkwaardigste is een klein doekje met daarop aan de rand wat Bijbelse landschappen die zó van Jan van Scorel hadden kunnen zijn, en dan zomaar in het midden een grote renaissancegevel, een lijst, een orgelkas – iets dat duidelijk niet met de rest correspondeert, een tweede schilderij in dit schilderij. In deze gevel is dan weer een cirkel, en in die cirkel zit Jezus, vaag verlicht, en hij vertelt er aan zijn discipelen dat hij verloochend zal gaan worden. Petrus buigt meteen het hoofd, de anderen peinzen en kijken weg. Het is een pijnlijk tafereel. Dit schilderij leeft, maar het is geen stripje meer, het is één statische voorstelling waarbij niet de panelen maar het oog, het licht, de secure lijntjes een lineair verhaal vertellen. Alles is kleurig, fel, vól, en overal is zo ontzettend veel detail, de handjes kloppen, de vingers, Jezus heeft een mond met mondhoeken en rimpels om zijn ogen, en Petrus baalt zo levensecht van zichzelf…. en misschien ook wel van de beschuldigende blik die wij op hem werpen als wij stil naar dit meesterwerk te staren staan.

Cornelis Buys de Tweede. Niet alleen door goed te kijken naar Jan van Scorel, maar juist door individueel te durven zijn, werd hij een echte renaissancemens. Wie nu door het Stedelijk Museum van Alkmaar loopt hoeft helemaal zo’n expert niet te wezen om zijn hand, zijn kleur, zijn oog voor detail te herkennen. Zo zeg je: dat is een Buys, en het naambordje geeft je gelijk. Deze Tweede Buys is de ware Meester van Alkmaar, maar toch zo ontzettend onbekend – net als heel die Alkmaarse Gouden Eeuw is hij vergeten, overschaduwd door schimmen uit een recenter, grootstedelijker verleden. Zo gaat dat met provinciale Gouden Eeuwen.

Bier

In Purmerend ben ik geboren en in België heb ik gewoond. Voor een bierliefhebber is dat twee keer goed nieuws, want in Purmerend zit ’n goede brouwerij (S.N.A.B.) en in België houden ze veel van bier. Niet dat je het Purmerendse bier in België zult vinden, dat niet.

Onlangs was ik eens in Purmerend en daar bezocht ik het lokale biercafé. Voor een stad met zo’n beroerd imago heeft Purmerend verrassend goede cafés, waarvan Bontekoe het bekendste is en niet ten onrechte. Ik heb de tapkaart er op ’n viltje genoteerd, zodat ik thuis nog eens kon terugverlangen naar wat er daar allemaal te drinken viel. Wat opvalt is de grote variatie. Ik heb de herkomst van de bieren er maar bijgezet:

Brand Pilsener (Nederland)
Brand Sylvester (Nederland)
Goliath Winterbier (België)
Dobbelpalm (België)
S.N.A.B. 1410 (Nederland)
S.N.A.B. IJsbok (Nederland)
Gouden Carolus Ambrio (België)
Guinness (Ierland)
Edelweiss (Oostenrijk)
Texels Eyerlander (Nederland)
Texels Skimme (Nederland)
Troubadour Magma (België)
La Chouffe (België)
La Trappe Quadrupel (Nederland)
Ciney Blond (België)

België is goed vertegenwoordigd, Belgisch bier heeft immers een goede naam, maar gelukkig waren er ook Nederlandse bieren op tap. Veel cafés kiezen nog risicoloos voor saaie Belgische klassiekers als Leffe en De Koninck, maar niet de Bontekoe, daar durft men onbekende Waalse topbrouwers naast de lokale favorieten te zetten. Noch voor de S.N.A.B. noch voor de Texelse Brouwerij hoef ik mij als Purmerender van Texelse komaf te schamen.

Als ik in België bier drink lijkt het er soms toch op dat ik mij schamen moet, want Nederlands bier kun je daar nergens krijgen. In België komt er sowieso weinig van de tap, biercafés hebben daar doorgaans wat klassiekers staan en dan een flessenlijst erna. Een Nederlands tapbier is ondenkbaar in België, op fles vind je er hoogstens eens La Trappe. Is er misschien iets mis met ons Nederlandse bier?

Bierkenners uit heel de wereld buiten België vinden van niet. Nederlandse brouwers gooien hoge ogen bij internationale wedstrijden. De S.N.A.B. won onlangs weer in Duitsland en brouwerij De Molen uit Bodegraven verovert Amerika. Maar dat maakt voor België niet uit, in België vinden ze Duits en Amerikaans bier ook beroerd. Een Oostenrijks bier kun je er niet kopen, een Zweeds niet, een Deens niet… Ligt het probleem dan bij het bier of bij de Belgen?

Wat de Belgische biercultuur vooral van andere onderscheidt is niet de kwaliteit van het gemiddelde bier of de verfijnde smaak van de gemiddelde drinker, maar het ongelooflijke snobisme waarmee het bier er omgeven is. Belgisch bier is volgens de Belgen zo ongeveer het enige drinkbare bier, al het andere is per definitie inferieur. Zelfs op regionaal gebied wordt zo gedacht: in Wallonië drinkt men heel andere bieren dan in Vlaanderen.  Er zijn geweldige bieren in Wallonië, daar niet van, maar Vlamingen drinken liever iets uit eigen streek. Waalse trappisten, ja, die kun je ook in Leuven en Hasselt kopen, en natuurlijk Chouffe want dat is tegenwoordig eigendom van een Vlaamse brouwerij, maar naar bieren van Dupont is het zoeken, al zul je ze nog wel sneller vinden dan Nederlandse of Luxemburgse bieren. Typisch is wat dat betreft de houding van Belgische biercafés tegenover de Scheldebrouwerij: toen die nog in Nederland brouwde, zag en hoorde je er niks van, inferieur bier meneer, maar toen de productie enkele jaren geleden naar België verschoof verscheen het plotseling overal op de kaart.

Dit extreme chauvinisme, het doorgeschoten protectionisme en de eindeloze hang naar wat ooit was en dus zo blijven moet maakt de Belgische biercultuur tot wat ze is: gewaardeerd om de traditionele, oude stijlen maar meer en meer ook bekritiseerd om het gebrek aan innovatie, waar elders in Europa (vlak ook Scandinavië en Italië niet uit) steeds meer gebeurt.
Deze week nog kwam het nieuws naar buiten dat een Zweedse brouwer het Belgische Westvleteren van de eerste plaats op ratebeer.com had gestoten. De rest van de toptien bestond uit Amerikaanse bieren. Je vraagt je af wie zich hier nou schamen moet…

Curieuzeneuzemosterdpot

De Belgische kabinetsformatie is eindeloos en wordt steeds droeviger en uitzichtlozer. Gelukkig wordt geen mens er nog van, behalve misschien dan nog het crapuul dat denkt zó wel aan hun provinciale natte droom te komen, “Vlaanderen onafhankelijk” en die zever, te stom om te beseffen dat dat voor de Vlamingen nog veel beroerder uit zou pakken dan de miserie van dit moment. Nú is er tenminste heel af en toe nog iets waarom wel valt te lachen. Gisteren, bijvoorbeeld.

Het verveelde Belgische journaille stond de afgelopen dagen opeengepakt voor de poorten van het paleis om daar een glimp op te vangen van de politieke top, die voor de zoveelste keer op audiëntie bij de koning ging, alsof dat nog iets op zou kunnen lossen. Fotografen stortten zich op auto’s, toestellen klikten of vielen in stukken uiteen, alles om die glimp, die foto, net dat stukje tekst van de brieven op Di Rupo’s schoot. Bart De Wever, nog altijd in het middelpunt van alle aandacht want het journaille wacht maar en wacht maar op zijn leiderschap, liet zich van z’n geestige kant zien en spotte met de hype: op zijn schoot lag een blaadje met enkel de tekst curieuzeneuzemosterdpot – en nóg doken ze, de fotografen, nóg klikten ze, de camera’s, nóg werd van niets weer nieuws gemaakt. Curieuzeneuzemosterdpot.

Voor Nederlanders is De Wevers grol wel minder leuk, omdat de uitdrukking Curieuzeneuzemosterdpot buiten Vlaanderen niet wordt gebruikt. Voor opperprovinciaal Bart De Wever maakt dat natuurlijk niet uit en voor de Vlaamse pers evenmin. De Waalse pers zal het ook al wel begrepen hebben, de Walen spreken immers behoorlijk Nederlands, al beweert De Wever anders – maar goed, nog eens: die zit vast in zijn provincie en zal voorlopig wel niet meer buitenkomen.

Curieuzeneuzemosterdpot. Nederlanders zijn niet achterlijk, die snappen wel dat de mosterdpot nonsens is en die neuze vooral best lekker rijmt, maar wat moeten ze nu denken van curieus? In Nederland betekent curieus “eigenaardig” of zelfs “interessant”, maar niet of hoogst zelden “nieuwsgierig”. Het is die laatste betekenis die hier is bedoeld.

Het betekenisverschil is te leuk om te laten liggen en echt veel aardiger dan de Belgische politiek, waarover ik een latere keer nog wel eens verder schrijf. Nu ben ik nieuwsgierig naar dat eigenaardige curieus. Het komt uit het Frans, dat is duidelijk, en in die taal betekent het vooral “nieuwsgierig”, dus de Vlamingen hebben het zeker bij het rechte eind, al komt de Noord-Nederlandse betekenis ook voor. Toch is het interessanter om van een eerste betekenis “nieuwsgierig” uit te gaan en dan te veronderstellen dat “eigenaardig” zich daaruit ontwikkeld heeft, en dat die ontwikkeling wat ons taalgebied betreft blijkbaar in noordelijke richting is gegaan.

Neem het Fries nu. Over die taal heb ik al eerder geschreven, want ze is zo interessant. In het Fries is “nieuwsgierig” nijsgjirrich, maar nijsgjirrich heeft er een tweede betekenis, namelijk “eigenaardig”, “interessant”. Dat is tige nijsgjirrich! Wat in het Nederlands met curieus gebeurde is iets noordelijker met nieuwsgierig/nijsgjirrich gebeurd.

Natuurlijk staat het allemaal niet los van elkaar en natuurlijk is het óók een beetje toevallig, wetenschappelijk kun je niets met deze aardigheid, maar voor mij is het toch merkwaardig genoeg, vooral omdat er nóg zo’n geval bestaat. In Vlaanderen betekent lopen namelijk “rennen”, “snel lopen”, waar lopen in Nederland “wandelen” betekent. Voor “snel lopen” wordt daar dus rennen gebruikt, wat weer lijkt op het Friese rinne, maar dat Friese rinne betekent… “wandelen”, “lopen” op z’n Hollands dus. Van Zuid naar Noord komt dezelfde betekenisverschuiving dus twee keer voor!

Nu nog even zuidwaarts dan. Omdat in België lopen “rennen” betekent, was er een ander woord nodig voor “lopen” in de zin van “wandelen”. Daarvoor is nu stappen in gebruik. Stappen betekent “wandelen”, “gaan”, “lopen” in Hollandse zin. In het noorden niet, daar betekent stappen “uitgaan, naar de kroeg gaan”. Lopen, rennen, stappen: het loopt zo best dooreen. Is wandelen dan nog wel een veilig woord? Niet echt. In het diepste zuiden van ons taalgebied, in Suriname, hebben ze een ander woord voor stappen: als je daar uitgaat, om ’n biertje en ’n feestje, dan ga je… juist, wandelen.

De taal is toch echt wel een curieuze mosterdpot.