Onweer dan

Dat was ’t onweer weer. Er zullen nog wel buien komen, vannacht, of nog later. Voor nu is het voorbij. Het is juni, na half tien kan het zelfs nog opklaren, even dag worden. Nat blijft het. Er liggen plassen op de pleinen. De putten pruttelen.

Van ieder onweer hoop ik dat het een definitief onweer is, een écht onweer. Niet dat ik op een wereldeinde hoop, zo bedoel ik het natuurlijk niet. Ik houd gewoon van spektakel. Als kind heb ik al bolbliksems gezien, ik ervoer toen donders zo zwaar dat het huis er even van schuddelde. Dát is onweer. Alles nadien is me te min, zo lijkt ’t wel. Vandaag ben ik maar één momentje onder de indruk geweest. Had ik de angst nog maar die ik vroeger had.

In mijn uitzicht staat een windmolen. Die windmolen staat er nog niet lang, nog maar een jaar. Zonder mij iets te vragen hebben ze ‘m er neer gezet. Mijn vader streed de voorbije jaren nog tegen windmolens, hij werd daar kort een nobel ridder door. Ik heb me nooit verzet. Ik ben al murw geslagen, eerder dan hij. Misschien ook wel dóór hem, dat mag je niet uitsluiten, natuurlijk.

Even verdween de windmolen daarstraks. De lucht werd grijs, de lucht werd blauw, en het waaiding was verdwenen. Als een sluier verhulde de regen de witte paal en de maaiende wieken. Zo nam het onweer me toch nog even terug in de tijd.

Toen ik nog echt ’n klein kereltje was, kroop ik als het onweerde bij mijn vader en moeder in bed. Ik wist toen ook niet beter. Samen luisterden we naar de donderslagen, eerst met z’n drieën, daarna allevier, als m’n zusje erbij gekropen was. Het was dan warm, en stil. Alsof we buren hadden sprak mijn moeder gedempt. “Nou is het voorbij,” zei ze na ’n tijdje, “ga maar weer naar jullie bed.” “Maar luister toch,” zei ik dan, of m’n zusje, “je hóórt het nog rommelen, het komt terug.”

Natuurlijk kwam het nooit terug. Onweer wordt nooit meer zó. Het zijn herinneringen waarvan ik toen dacht, dat ze geen herinnering zouden worden, maar gewoonte, dat ik nog wel heel vaak van ’t onweer bang zou wezen en dan bij m’n ouders in bed kon kruipen. Maar zo loopt het natuurlijk niet. Onweer verdwijnt, angst ook. De hele rottige jeugd gaat over. Dat wordt herinnering.

Inmiddels is de windmolen weer zichtbaar geworden. De regen is voorbij. De plassen zijn er nog, hele stukken straat staan blank, maar dat zal dadelijk ook wel weer opdrogen gaan. Het onweer is geweest. Ooit is zelfs dit herinnering.

Het is juni, maar echt opklaren zal het wel niet meer. Daar is het te laat voor, onderhand.

Advertenties

Waanweer

Het meeste nieuws van vandaag is geen verrassend nieuws. Noodweer trekt over Nederland, maar dat was voorspeld. De Grieken staken. Met TomTom gaat het steeds minder. In België ligt het spoorverkeer plat. Het zijn berichtjes waar geen journalist echt lol aan beleefd, want echt nieuws is het allemaal niet. De helft van het leven is herhaling, en soms wel ’n heel journaal.

De krant van wakker Nederland kwam vanmorgen dan toch nog met iets opzienbarends. VVD-Kamerlid René Leegte wil het KNMI afschaffen, aldus het artikel. Nu zijn ze bij de VVD gek van bezuinigingen en wordt de zin en onzin van die bezuinigingen allang niet meer afgewogen, dus in zoverre leek ’t me nog niks bijzonders. Het zou de eerste visieloze bezuiniging niet zijn. Een wetenschappelijk instituut dat het weer onderzoekt, en onmisbare informatie voor onder meer de scheepvaart en de landbouw de wereld inslingert, ach, ík zou het niet wegbezuinigen, maar ik ben dan ook geen VVD-er.

Het bleek niet om een bezuiniging te gaan, deze keer. Dat was het opzienbarende aan het nieuws. René Leegte wilde nu eens niet om geld te besparen aan een nuttige instelling een einde maken, nee, deze VVD-er wil dat het KNMI opgeheven wordt omdat dat instituut onwelkome meninkjes de wereld instuurt.

De recente geschiedenis van de VVD is geen heel mooie. De oude volkspartij liet zich overrompelen door haar eigen machtswellust en werd in één nacht van liberaal tot conservatief. Nu werkt de VVD samen met de PVV, de SGP en de laatste restjes CDA. De partij verdedigt een hardvochtig kabinetsbeleid dat met het liberalisme allang niks meer van doen heeft, en liet uiteindelijk zelfs oude VVD-speeltjes als defensie in de kou staan, om maar te kunnen bezuinigen, om maar populistisch te kunnen doen, om maar die verdomde macht.

Het dieptepunt is nu bereikt. René Leegte is klimaatscepticus. Dat mag. Er valt aan alles te twijfelen, ook aan de klimaatverandering. Toch zijn er wel degelijk redenen om aan te nemen dat het klimaat verandert. Cijfers bijvoorbeeld, feiten. De oude vijanden van de populisten, en nu dus ook de vijanden van René Leegte. Hij wil dat het KNMI, dat dit soort nare cijfers en feiten openbaar maakt, geen cent subsidie meer ontvangt. Weg met die linkse kliek!

René Leegte komt uit Amersfoort. Dat kan hij natuurlijk ook niet helpen. Op internet circuleren komieke complottheorieën over het niet-bestaan van Amersfoort. En dan heet die man ook nog Leegte. Da’s twee keer pech hebben. Toch is René Leegte groot geworden, en eenmaal volwassen zal hij gedacht hebben: de VVD is mijn partij. Een liberale partij, maar wel een liberale partij die dat liberalisme met wat redelijk conservatisme combineert, want goh, je moet nou ook weer niet alles willen veranderen, toch? Nee, inderdaad, René. Een prima keuze, die VVD.
Aan die keuze heeft René Leegte later nog vaak getwijfeld. De VVD won, en verloor, slingerde in de peilingen alle kanten op, richtingloos, leiderscrisis, ineens die Wilders op de rechterflank: de achtbaan van een stervende partij. Toen kwam dan toch weer de winst, en nu het conservatieve kabinet, dat door Wilders wordt gesteund. Ergens in deze lange achtbaanrit moet Rene Leegte z’n verstand verloren hebben en nu denkt hij dat het maar beter is, de populist te spelen.
Populisten vinden cijfers eng. Populisten vinden feiten eng. Populisten vinden dat je aan die verrekte elite iets moet doen. En het volk vind dat vást ook. Het volk heeft het vast ook niet zo op die kritische wetenschappers van het KNMI. En dus dacht René Leegte: weet je wat, ik zeg dat ik ‘r tegen ben, weg met dat KNMI, weg met die nare praatjes over het milieu!

René Leegte is Kamerlid en heeft milieu in z’n portefeuille zitten. Het milieu is dus ’n beetje zijn verantwoordelijkheid. Natuurlijk krijgt hij ook die rapporten van het KNMI onder ogen. En wat hij daarin zoal leest, als hij hard aan het werk is als VVD-Kamerlid, dat bevalt hem helemaal niet. Klimaatopwarming, broeikasdinges, uitlaatgassen, en passant nog ergens de opmerking dat de olie toch wel opraakt en dat we alternatieven moeten zoeken… René Leegte drukt zijn handen op zijn oren. Nog hoort hij ze, de lispelende linkse stemmen: “het moet anders, dit gaat zo niet, we verwoesten onze wereld, René…” Harder drukt hij zijn handen tegen zijn hoofd. Het helpt niet. Hij schreeuwt. Hij roeptoetert. “WEG MET DAT KNMI!”

20% van het KNMI is partijdig, schrijft René Leegte. Dat impliceert dat hij van 80% van de wetenschappers die voor het KNMI werken vindt dat ze onpartijdig zijn. Een wonderlijk getal. Hoe hij eraan gekomen is, vertelt hij niet. Het maakt ook niet uit. Het gaat om zijn besluit: een instituut dat 20% klimaatkritische wetenschappers telt, dat kan niet bestaan. Weg met die nare kritische figuren, weg met die subsidie, weg met dat hele KNMI.

Zo dan verwerd de VVD tot wat ze nu is: een lege huls, een conservatief pepermolentje waar steeds zwartere, vuile vlokken uit neer dwarrelen. René Leegte, VVD-Kamerlid uit Amersfoort. De geschiedenis zal hem vast niet canoniseren, over 100 jaar heeft niemand het nog over René Leegte, VVD-Kamerlid uit Amersfoort. En toch is hij een belangrijk man. Hij gaf de VVD de genadeklap. Het liberalisme is vermorzeld. Zelfs de wetenschap is niet meer veilig.

Laat het onweer maar komen. Na ons de zondvloed.

Gedichter

Jolig doolde ik de vaderlandse letteren door, op zoek naar inspiratie voor mijn kolderieke verzen op Sint-Kapottius. De verveling doet wat met ’n brein dat uitdaging behoeft. Ik las de scabreuze Middeleeuwers nog ‘ns terug, ik bladerde van einde tot begin door Bredero, half mompelend dreunde ik liederen uit Lucifer op en zo vergleed de week. Op vrijdagmorgen viel mijn oog op de naam Mattheus Gansneb Tengnagel.

Een goede gekke dichter heeft ’n gekke naam. Mattheus Gansneb Tengnagel trof ‘t, al noemde hij zich in het gewone leven gewoon Tijs Tengnagel en is het niet helemaal zeker of hij dat adellijk klinkende Gansneb er zelf maar tussen had gezet, om zo verwantschap te veinzen met de échte Gelderse adel die zo heette, of dat Tijs werkelijk voluit Gansneb Tengnagel heette. Het is zoiets als het umlautje van Büch.

Over Tijs Tengnagel is heel veel onbekend. Hij heeft ’n vervelende jeugd gehad, zoveel is zeker. Zijn vader stierf jong en z’n moeder kon niet met hem worden, in tehuizen belandde hij, en zelfs toen hij meerderjarig werd hield z’n voogd hem onder curatele, want dit heerschap kon wel eens voor miserie gaan zorgen. Dat zou hij zeker ook gaan doen, en daar zou geen huisarrest tegen helpen.

Gisteren zocht ik hem op, deze al heel lang dode dichter. In 1652 werd hij al begraven. In Amsterdam, dat wel. Bij De Slegte lag hij niet, maar wat straten verder, aan het Singel, had ik prijs. Het oude ventje in het stoffige boekengrotje keek er echt van op. Naar Gansneb Tengnagel had echt al decennia niemand meer gevraagd, stamelde hij, maar hij zou eens kijken. Stapels vielen, stof verwaaide, maar daar was dan het Verzameld Werk, dat zelf ook al decennia oud was, en gekreukt.

Mattheus Gansneb Tengnagel is de schrijver van Amsterdamsche Mane-Schijn en het vervolg daarop, Amsterdamsche Zonne-Schijn. Het zijn twee eigenaardige werkjes. Ze rijmen, dat wel, en ze zijn zelfs betrekkelijk goed geschreven, in een vlotte, heldere stijl en met de nodige erudiete verwijzingen naar Ovidius en Huygens. Toch was de culturele elite van Amsterdam er allerminst van gecharmeerd. Ze voelde zich gekwetst.

De vlotte pen van Gansneb Tengnagel bleek vooral een vlijmscherpe pen. De Mane- en Zonne-schijn beschrijven de seksuele uitspattingen en andere vunzigheden van de Amsterdammers uit die dagen, en wel zó, dat het voor het publiek niet moeilijk was de Amsterdammers erin te herkennen. Sleuteldichten waren het.

Mattheus Gansneb Tengnagel was natuurlijk niet achterlijk, hij ondertekende z’n schenenschoppende Schijnen met het pseudoniem “Melis”  en dacht zich zo buiten schot te houden. Erger nog: hij stelde z’n tekst zó samen dat het publiek zou vermoeden dat een andere Amsterdamse dichter, Jan Zoet, alles geschreven had. Zelfs de schuilnaam Melis wees in die richting: “mel” is immers honing in het Latijn, en honing is natuurlijk zoet.

Jan Zoet zou nog wraak nemen, door een nog vunziger gedicht te publiceren, de Grove-Roffel, dat expliciet in de richting van Gansneb Tengnagel wees, en uiteindelijk ontaardde het in ’n pijnlijke literaire rel die Tijs op een heuse veroordeling kwam te staan. Een boete, en huisarrest.

Matheus Gansneb Tengnagel schreef door, nog wat jaren, en nog altijd ontzag hij z’n stadsgenoten niet. De klucht Frik in ’t veur-huys is wel het hoogtepunt in z’n oeuvre, of ’n dieptepunt misschien, want het is fel en hatelijk en dikwijls gewoon maar schelden ogenschijnlijk. Maar toch, die pen… Schrijven kon hij, Gansneb Tengnagel, zo zelfs, dat zijn werk ook voor de moderne lezer nog best genietbaar is, toch eigenlijk meer dan dat van Hooft of Vondel.

Niet dat iemand hem nog leest. Mattheus Gansneb Tengnagel is een vergeten dichter nu. In de jaren zestig is z’n verzameld werk verschenen, daarna bleef het stil. De man heeft nog net ’n eigen pagina op Wikipedia. Daarbij blijft ‘t, vrees ik. De Amsterdamse moralisten kregen hem niet monddood. De ontlezing is veel effectiever. Niet dat het voor Jan Zoet anders uitpakt, of voor Vondel, of voor Hooft. Die boekenwinkeltjes zullen ook nog wel vergaan. De zon scheen, de maan scheen, en zo gaat al heen.

 

Sint-Kapottius II

Op Sint-Kapottius

Ouden, yonghen, drinkt dees wonderbaren dranck,
laeft u aen het hemelsch bier uw goedt leven lanck,
gevat in vaten vol, dat bier is onbederfelijck,
de mensch geniet het euwigh en onsterfelijck,
den drincker zal macht en rijck verbreyden,
kost hij waer en valsch noch onderscheyden,
maer zo zet Sint-Kapottius hem eenen val:
daer vliedt omhoogh het aller quaedste gal.

Op treckt op, o, razend braecksel, ziedend spuygh,
volght saem dronckmans vaen,
en ware het ye niet te ruygh?
van laagh om hoogh trekt kots vrij aen!
volght dezen brol, met trommel en trant,
borr’lend in den hooghe door mijn strottyen,
set ye woest mijnen hals in brandt,
en klatterspettert rondt int pottyen!

So dan ontving Sint-Kapottius allen macht,
knerpend langs mijn ooghen dien langen nacht,
gheen liedt en singh ick noch voor den sterken dranck,
gheen pullen en draegh ick oyt in mijnen hanck,
mijn vrienden, luystert, ghij sijt mij lief, ik seghet:
dat ghij den dranck voor euwich tersijden leghet.
ay, nu heb ick doch mijn lessyen schoon geleerdt,
den groten Sint-Kapottius heyt mij ferm verveerdt.

Jacob Cots, 1654

Sint-Kapottius I

Op Sint-Capottius

Her Coninc, ghi sijt comen,
den wijn hebbic ghenomen,
den dranc hebbic verloren,
ghi doet mi soe groten toren.

Her Heilige, ghi doet blijcen,
ic en can u niet ontwijcen,
mijn herte en mijn maghe
moeten u smerte draghen.

Sint-Capottius, ghi groot,
ic en wil noch niet doot,
den wijn en sal mi nie vaen,
eens ic den biecht heb daen.

Sint-Capottius, siet mijnen pijn,
ghi en mooght des blind niet sijn,
gheneest den vromen droncaert,
voordat hine lijck Lot ontaert.

Romeyn de Ghilebeer,
omstreeks 1450

Smedtsje

Het is al jaren geleden, maar de herinnering is nog vers en niet eens onplezierig. Mijn eerste college aan een Belgische universiteit was het. Ik was nog vol van alle culturele uitwisseling, ik voelde me internationaal en nog meer dan dat. De collegezaal was al exotisch. Voor het katheder verscheen een koddig ventje, iets te dik voor z’n pak, en iets te welbespraakt voor een Belg. Hij heette Willy Smedts.

De eerste weken was Willy Smedts mijn favoriete professor. Zo geestig was hij, zo eloquent. Scherp, maar mooi scherp, met zo’n fijne Brabantse tongval en oogjes als muizen.

Natuurlijk was ik geen brave student, ik had nog niks van ‘m gelezen. Eens ik dat gedaan had veranderde mijn beeld. Eloquent was ‘ie misschien, Willy Smedts, maar niet erudiet en al helemaal zijn titel niet waardig.

Later, veel later, toen ik al lang genoeg in België woonde om te moeten begrijpen dat kritiek op autoriteiten niet hielp, was ik zo eigenwijs om Smedts’ broddelwerk vilein te recenseren. Die recensie staat tot op de dag van vandaag als ’n huis, vind ik, zo ijdel wil ik best wezen. Als het om Smedts gaat is ijdeltuiterij toch niet te voorkomen.

Mijn kritiek betrof twee van Smedts’ boekjes, verplichte kost aan de KULeuven, maar vol van fouten en verkeerde veronderstellingen. Smedts haalde mijn kritiek van internet, die macht had hij toen nog, maar inmiddels woon ik weer in Nederland en maak ik gebruik van het recht op vrije meningsuiting, dat hier in de Grondwet staat.

Dag in dag uit, van woord tot woord (DIDU).
Smedts’ ridicule standaardwerk. Doel ervan is de Vlaming al zijn taalgevoel te ontnemen en hem tot een kleurloos, autistisch Nederlands te doen bekomen. Het boek is een woordenlijst met woorden en uitdrukkingen die volgens Smedts onvergeeflijk fout zijn. Smedts presenteert zijn lijstje als dé manier om je taal van haar Vlaamse kleur te ontdoen, en suggereert dus dat de “fouten” die hij in zijn boekje signaleert ook typisch Vlaams zijn.
Is dat echt zo?

Een mooie illustratie van Smedts’ kunnen wordt op pagina 24 van DIDU gegeven, bij het woord doen. Smedts signaleert veel manieren om het woord “doen” te gebruiken die volgens hem geen AN zijn. Van dit lijstje zijn de voorbeelden “Veel Amerikanen doen Europa in twee weken”, “De priester moest elke dag de mis doen” en “Karel deed zijn studies in Leiden en Londen” in Nederland echter óók gebruikelijk. Waarom zouden Vlamingen zulks niet mogen zeggen?
De redenering van Smedts lijkt te zijn dat elke figuurlijke betekenis van een woord in principe verkeerd is. Die instelling getuigt van het ontbreken van enig taalgevoel.
Een zeer beknopte bloemlezing uit Dag In Dag Uit Van Woord Tot Woord:

Op afspraak.
Volgens Smedts Vlaams. In Nederland zou je volgens hem “na afspraak” moeten zeggen. “Na afspraak” is in Nederland echter zeer ongewoon en klinkt gemarkeerd. Gebruikelijk is: op afspraak

Iemand op afstand houden.
Volgens Smedts is dit Vlaams en moet er staan: “iemand op een afstand houden.” Deze uitdrukking is echter zowel in Nederland als in Vlaanderen ongebruikelijk. Correct is dus: iemand op afstand houden.

Belangstelling trekken.
Volgens Smedts zijn zinnen als “het evenement trok veel belangstelling” typisch Vlaams en moeten ze vermeden worden in het AN. In Nederland zijn ze echter heel gebruikelijk en ik heb nog nooit iemand zich er tegen horen verzetten.

Duur kosten.
Deze uitdrukking wordt in Nederland inderdaad afgekeurd. Maar dat betekent niet dat ze niet heel gebruikelijk is in de Nederlandse spreektaal. Hier zijn Smedts’ intenties weer niet duidelijk: klaagt DIDU “Vlaamse” fouten aan, of klaagt het ook algemene fouten, contaminaties of archaïsmen aan? Een vraag die Smedts zelf niet beantwoordt.

– Een zelfde vraag rijst bij gedrieën. Smedts keurt deze vorm af en geeft “met z’n drieëen” als alternatief. Gedrieën klinkt inderdaad wat schrijftalig en een tikje archaïsch, maar is zeker niet ongebruikelijk in Nederland.

Enzovoort, enzovoort.
Smedts klaagt ook de uitdrukking excuus inroepen aan. Die is inderdaad ongebruikelijk in Nederland. In het voorwoord van Dag In Dag Uit Van Woord Tot Woord, dat sowieso van stijlfouten aan elkaar hangt, gebruikt hij de uitdrukking echter twee keer. Nee, dát is consequent!

Het grootste probleem van DIDU zit echter niet in de slechte uitvoering. Het doel van het boekje zelf is volkomen achterhaald. Vlaamse uitdrukkingen worden in Nederland dikwijls als “mooi” en “echt Nederlands” beschouwd en zullen, als ze niet al te ondoorzichtig zijn, met enthousiasme worden begroet. Veel Nederlanders gebruiken de uitdrukkingen uit DIDU juist om hun schoonheid en exotische karakter. Ook woorden als goesting kun je in Nederland soms horen. In bepaalde vakgebieden is het Vlaams zelfs de normbepaler. Luister maar eens naar een Nederlands verslag van een wielerkoers. Smedts zou waarschijnlijk schuimbekkend aan de andere kant van de radio zitten, maar het Nederlands publiek vindt al dat Vlaams juist mooi.

Taalboek Nederlands
Ook in dit werkje de gebruikelijke stijlfouten en inconsequenties. Ik zal me beperken tot het gedeelte over de uitspraak. Hier wordt duidelijk gedemonstreerd hoezeer Smedts zich laat leiden door allerhande eigen frustraties en daarmee zijn doel, namelijk aan een Vlaams publiek uitleggen hoe de Standaardtaal moet klinken, volledig voorbijschiet.
Smedts frustratie is hier, zoals wel vaker, het Nederlandse volk. Daar heeft ‘m een haat-liefde verhouding mee. Dat mag, ik heb dat ook. ’t Lijkt me alleen niet zo netjes die sentimenten te laten meespelen in je wetenschappelijke publicaties.
De klankleer ontaardt dan ook in een aanklacht tegen de Nederlandse tongval. Over Vlaamse uitspraakfouten wordt nauwelijks nog gesproken, dus zijn publiek (Vlaamse studenten)  heeft er verdomd weinig aan.

– De in Nederland voorkomende uitspraak van de woorden pseudo, Zeus met [ ui ] verdient geen aanbeveling, zegt Smedts. Dat zal wel zijn, maar in Nederland geldt deze uitspraak wél als standaard en wordt de eu-klank hier steevast fout gerekend. Vlamingen mogen natuurlijk best van een therapeut met eu spreken, maar de uitspraak met ui is zeker niet verkeerd!
– De bekende diftongering van de ee, oo en eu tot “eej”, “oow” en “euj” wordt door Smedts bestreden. Ik hoop ook niet dat Vlamingen het ooit zullen overnemen, ik vind de monoftongen hier veel mooier, maar je kunt er niet omheen dat een (matige) diftongering van deze klanken in Nederland wel als de standaard geldt. Monoftongen zijn regionaal.
– Smedts ging ook in z’n colleges al eens tekeer tegen de Hollandse uitspraak
“nuuw” in een woord als “nieuw”. Deze komt inderdaad in enkele dialecten voor. In de standaardtaal komt deze uitspraak echter niet voor, het is zelfs een van de klanken waar dialectsprekers zich heel bewust van zijn en die ze dus zeker weglaten als ze AN spreken. Dat de grote Willy Smedts ook in zijn taalboek tegen deze ongebruikelijke uitspraak tekeer gaat, bewijst wel dat hij z’n gevoel voor proporties heeft verloren.
– Uiteraard moet ook de
Hollandse g het ontgelden. Hoewel ik het met Smedts eens ben dat een stemloze realisatie niet verzorgd is, valt zijn stelling dat het onderscheid fonologisch relevant is te betwijfelen. Het aantal minimale paren is immers heel klein. Smedts voert als minimaal paar lag – lach aan. Zijn onkunde was ons kennelijk nog niet genoeg bewezen. In het Nederlands worden stemhebbende klanken aan het woordeinde altijd stemloos. Hond klinkt als hont, eb klinkt als ep en lag klinkt als lach. Als het niet zo ernstig was zou je er om kunnen lachen.
– Smedts vindt dat woorden als
politici best met -sjie mogen worden uitgesproken (onbestaand in Nederland), maar vindt aan de andere kant dat politie niet met -tsie mag worden uitgesproken (standaard in Nederland). Een redelijk argument geeft hij niet. Tja.
– Smedts stelt dat de woorden
chronisch, mechanischen Christus altijd met een [k] moeten worden uitgesproken, dus “kronies”. Deze uitspraak is in Nederland hoogst ongebruikelijk. Wel wordt meestal “kristus” gezegd, maar in orthodox-gereformeerde milieus spreekt men bewust van “Christus” (met ch-klank). Stellen dat Christus altijd met k wordt uitgesproken getuigt van weinig respect voor deze gelovigen, voor wie een uitspraak met k blasfemisch is.

Wonderlijk zijn ook Smedts’ beweringen over de frequentie van bepaalde uitspraken. Zo zou een tongpunt-r eerder in Vlaanderen, een huig-r eerder in Nederland voorkomen. De huig-r is in Nederland beperkt tot een aantal stadsdialecten en het Limburgs, de tongpunt-r is hier dus zeker de frequentste. De situatie is niet anders dan in Vlaanderen, waar de huig-r in stadsdialecten en in Limburg wordt gehoord.
Een zelfde soort stelling deponeert Smedts bij de -ch-. Volgens hem wordt in Nederland argietekt gezegd, in Vlaanderen arzjietekt. De laatste uitspraak is in Nederland echter minstens zo gebruikelijk. Wat zijn de bronnen voor deze merkwaardige beweringen?

Er lijkt geen andere lijn in Smedts’ meesterwerken te zitten dan een heel ijdele bevooroordeeldheid. Niet de wetenschap, niet het onderzoek, niet de taalkunde hebben zijn boeken gemaakt tot wat ze zijn, maar Smedts sentimenten. Niet zelden zijn die sentimenten heel valse sentimenten.

Inmiddels is het 2011. De KULeuven heeft zich van mannetje Smedts afhandig gemaakt. Hij doceert er niet meer. Maar nog liggen zijn boeken er in bibliotheken en bij studenten in de kast. Hoelang duurt het voordat de historische vergissing die Willy Smedts’ academische carrière geweest is, ongedaan wordt gemaakt?

Verveling

Er zijn ’n boel boeken geschreven over verveling. Elke schrijver heeft zich er wel aan bezondigd. Het is niet moeilijk aan ’n boek over verveling iets bezwerends mee te geven. Heeft de verveling een doel? In het echte leven misschien niet, maar in boeken meestal wel. Dat is tenminste wat recensenten erin lezen.

Misschien moet ik ook maar over verveling schrijven. De verveling zou er vast zinvoller van worden. Misschien verkoopt m’n boek over de verveling wel, dan word ik nog rijk, of beroemd, of allebei. Als schrijver tel je in elk geval wel mee als je over de verveling geschreven hebt. Over de verveling schreven alle grote voorbeelden, die ik dan natuurlijk in interviews noemen zou, tenslotte óók.

Het is moeilijker om over iets anders dan verveling te schrijven. Er zijn genoeg andere onderwerpen, dat is het probleem niet. Er is de misdaad, er is de natuur, er zijn mooie meisjes met echte wimpers en ’n glimlach. Daar weten kunstenaars meestal ook wel raad mee. Foto’s, schilderijen, standbeelden, hele films zijn er over de meisjes en de bijen en roofovervallen gemaakt. Toch, zou ik er ’n boek over schrijven, dan zou het weer op de verveling uitkomen. De verveling van het meisje met de lange wimpers, of de verveling van haar minnaar, die van haar hond, die van haar verkrachter… Literatuur ontkomt er niet aan over verveling en sleur te gaan.

Als ik nu ‘ns een echt goede schrijver was, dan zou ik vernieuwend wezen, en ’n boek schrijven waarin geen verveling voorkomt, waarin de personages vastberaden zijn, en dingen dóen, goede dingen, maar ook slechte dingen, dat maakt niet uit.  Ze zouden beslissingen nemen en er niet over twijfelen. Helden zouden zij zijn, zoals in films.

Ik zou niet in ze geloven. De lezer ook niet, vrees ik. De lezer verwacht de verveling. Lezen is masochisme: het helpt niet tegen verveling, het confronteert je er juist mee. Misschien dat er daarom steeds minder mensen lezen. De dominante kunstvormen zijn kunstvormen waarin verveling nietbestaat. Er zijn wel films over verveling, maar daar kijkt niemand naar. Er bestaan ook wel foto’s van peinzende meisjes, maar daar kijkt ook geen mens naar, tenzij ze mooie wimpers heeft of een mooi pakje aan. Of allebei.

Als ik schrijf doe ik dat niet zelden uit verveling. Het is net als lezen vooral een confrontatie met de verveling. Maar de schrijver is een sadist. Schrijven over verveling is anders dan erover lezen, al blijft het uiteindelijk gewoon dezelfde zinloze verveling, de literatuur.