Onweer dan

Dat was ’t onweer weer. Er zullen nog wel buien komen, vannacht, of nog later. Voor nu is het voorbij. Het is juni, na half tien kan het zelfs nog opklaren, even dag worden. Nat blijft het. Er liggen plassen op de pleinen. De putten pruttelen.

Van ieder onweer hoop ik dat het een definitief onweer is, een écht onweer. Niet dat ik op een wereldeinde hoop, zo bedoel ik het natuurlijk niet. Ik houd gewoon van spektakel. Als kind heb ik al bolbliksems gezien, ik ervoer toen donders zo zwaar dat het huis er even van schuddelde. Dát is onweer. Alles nadien is me te min, zo lijkt ’t wel. Vandaag ben ik maar één momentje onder de indruk geweest. Had ik de angst nog maar die ik vroeger had.

In mijn uitzicht staat een windmolen. Die windmolen staat er nog niet lang, nog maar een jaar. Zonder mij iets te vragen hebben ze ‘m er neer gezet. Mijn vader streed de voorbije jaren nog tegen windmolens, hij werd daar kort een nobel ridder door. Ik heb me nooit verzet. Ik ben al murw geslagen, eerder dan hij. Misschien ook wel dóór hem, dat mag je niet uitsluiten, natuurlijk.

Even verdween de windmolen daarstraks. De lucht werd grijs, de lucht werd blauw, en het waaiding was verdwenen. Als een sluier verhulde de regen de witte paal en de maaiende wieken. Zo nam het onweer me toch nog even terug in de tijd.

Toen ik nog echt ’n klein kereltje was, kroop ik als het onweerde bij mijn vader en moeder in bed. Ik wist toen ook niet beter. Samen luisterden we naar de donderslagen, eerst met z’n drieën, daarna allevier, als m’n zusje erbij gekropen was. Het was dan warm, en stil. Alsof we buren hadden sprak mijn moeder gedempt. “Nou is het voorbij,” zei ze na ’n tijdje, “ga maar weer naar jullie bed.” “Maar luister toch,” zei ik dan, of m’n zusje, “je hóórt het nog rommelen, het komt terug.”

Natuurlijk kwam het nooit terug. Onweer wordt nooit meer zó. Het zijn herinneringen waarvan ik toen dacht, dat ze geen herinnering zouden worden, maar gewoonte, dat ik nog wel heel vaak van ’t onweer bang zou wezen en dan bij m’n ouders in bed kon kruipen. Maar zo loopt het natuurlijk niet. Onweer verdwijnt, angst ook. De hele rottige jeugd gaat over. Dat wordt herinnering.

Inmiddels is de windmolen weer zichtbaar geworden. De regen is voorbij. De plassen zijn er nog, hele stukken straat staan blank, maar dat zal dadelijk ook wel weer opdrogen gaan. Het onweer is geweest. Ooit is zelfs dit herinnering.

Het is juni, maar echt opklaren zal het wel niet meer. Daar is het te laat voor, onderhand.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s