Misdadig

Onlangs hoorde ik de nieuwslezeres van het VRT-journaal iets over een misdadiger zeggen. Dat woord sprak ze als mísdadiger uit. Dat viel mij eerst niet op, want zo spreek ik het woord zelf immers ook uit. Maar in tweede instantie vond ik het toch opmerkelijk. Zou een Belg niet misdádiger moeten zeggen?

Toen ik jaren geleden in Belgie ging studeren laafde ik mij aan de verschillen die er tussen noordelijk en zuidelijk Nederlands bestonden. Van plezant en de zachte G had ik natuurlijk al wel gehoord, maar toen ik eenmaal op kot zat en briefjes kreeg over de chauffage en de frigo besefte ik dat ik mij met die verschillen nog wel ’n mensenleven kon amuseren. En dan niet alleen met woorden – toch wat oppervlakkig – maar ook met de verschillen die minder gauw in het oog sprongen. De klemtoon bijvoorbeeld.

Al gauw had ik lijstjes in een schriftje staan van afwijkende Vlaamse klemtonen. Niet ásfalt, maar asfált. Net als in het Duits, maar of dat ermee te maken had kon ik niet bewijzen. Van andere klemtoonverschillen was de oorzaak wel te herleiden. Tot die laatste groep behoort de klemtoon in misdádiger.

Een misdaad, dat is een mísdaad, zowel in het noorden als het zuiden van ons taalgebied. Maar het bijvoeglijk naamwoord dat van misdaad is afgeleid spreken we als misdádig uit. Kennelijk zorgt dat ene achtervoegsel, -ig, ervoor dat de klemtoon naar achteren wandelt. Dat komt bij wel meer woorden voor. Ónrust – onrústig. Ze zijn er ook in het Duits, maar daar is er wel een verandering merkbaar: in het moderne Duits zijn dingen nótwendig, vroeger konden ze best wel ‘ns notwéndig zijn geweest (en ze zijn het nog als een Hollander Duits spreekt).

Van misdádig naar mísdadig, het zou zomaar kunnen. Waarom niet, het is toch ook mísdaad? Toch zegt nu iedereen nog misdádig, in België en Nederland, maar de afgeleide vorm, misdadiger, die wordt al wel verschillend uitgesproken. Een mísdadiger in het noorden, een misdádiger in het zuiden.

Tot dat VRT-nieuws, van de week. Mísdadiger, zei ze. De Hollandse klemtoon begint in het zuiden door te dringen. Nu doen ze bij de VRT natuurlijk altijd erg hun best om netjes Nederlands te spreken, en vaak is netjes Nederlands voor ’n Vlaming toch nog “Hollands”, maar die journaalpresentatrice staat niet op zichzelf. Ook in Vlaanderen is de klemtoon op drift geraakt.

Voor mijn schriftje is het natuurlijk ’n beetje zonde. Braaf hield ik de verschillen bij, maar niet alle verschillen zijn nog actueel, nu niet en over vijftig jaar al helemaal niet. Verder mag ik er natuurlijk niet te veel van vinden, van taalverandering. Iets vinden van taalverandering is niet wetenschappelijk. Maar goed, misschien vind ik het toch wel ’n beetje zonde. Onze taal wordt zo weer ’n beetje makkelijker. Is het niet eigenlijk veel leuker een moeilijke taal (uit) te spreken?

Advertenties

Neerlandiziek

In het onvolprezen cultureel tijdschrift Ons Erfdeel heeft René van Stipriaan, het genie achter de prachtsite dbnl, zich kwaad gemaakt over de hedendaagse neerlandistiek. Het is goed dat iemand zich daar eens in het openbaar kwaad over maakt. Ik maak me er ook dikwijls kwaad over, maar ik ben niet zo openbaar. Wat ook weer jammer is.

Van Stipriaan zet in zijn artikel in Ons Erfdeel uiteen hoe de neerlandistiek zich de voorbije decennia ontwikkeld heeft. Hij gaat vooral op de Nederlandse situatie in, maar wat hij schrijft geldt ook voor de situatie in Vlaanderen, zoals het minder mooie weekblad Knack terecht opmerkt. Behalve Knack heb ik er trouwens nog geen andere grote pers over weten schrijven, dus blijkbaar is zelfs René van Stipriaan niet openbaar genoeg.

Van Stipriaan stelt vast dat de moderne neerlandistiek nauwelijks nog ambitieus is. Het gaat niet meer om de grote wetenschap, er worden geen bakken geschiedenis over de studenten uitgestort, het gaat allemaal allang zo diep niet meer. Tegelijkertijd is de site van dbnl, waar het wél diep mag gaan, een succes: de site wordt druk bezocht door ’n breed, blijkbaar geïnteresseerd publiek. Dat publiek zoekt veel minder z’n heil op de letterenfaculteiten, en Van Stipriaan begrijpt wel waarom. Er is gewoon niks meer aan.

Zelf kom ik ook graag op die mooie, overvolle website, waar je nog degelijke artikelen en talloze oude boeken terug kunt vinden. Wát een bibliotheek. Toen ik nog Nederlands studeerde stond er minder op, maar toen was ik er ook al gek van. Er viel meer te leren dan in de collegebanken. Want wat Van Stipriaan voorzichtig vaststelt, heb ik al vaker, bozer vastgesteld: de studie Nederlands is tot een soort speelkwartier voor mooie meisjes die wel ‘ns ’n boek lezen verworden, met echte wetenschap heeft ’t allemaal nauwelijks nog van doen.

Van Stipriaan wil dat de neerlandistiek weer ambitieuzer wordt. Laat taalkunde en letterkunde weer samensmelten, betoogt hij. Daar ben ik het dan weer niet mee eens. Ik ben zwartgalliger dan hij: hef die hele neerlandistiek maar op, dat vak is toch z’n geloofwaardigheid al kwijt. Zorg dan wel dat ervoor in de plaats een échte studie taalkunde komt, die zich niet door één taalgebied beperkingen op laat leggen, maar die diep en precies op alle talen van de wereld ingaat, van Chinees tot Fries en van Hongaars tot Hixkaryana. Voor de letterkunde hetzelfde: niet alleen Reve, maar ook Huysmans, niet alleen Nescio, maar ook Lu Xun. En Cornelis van der Wal, natuurlijk.

Ondertussen worden de laatste restjes neerlandistiek verder onttakeld. Bezuinigen is het toverwoord, visie en ambitie zijn achterhaald. Dáárom is Van Stipriaans pleidooi zo onopgemerkt gebleven: het past niet meer in deze tijd. Universiteiten zijn scholen geworden, blije oorden voor blije tieners, en met diep graven, of ’t nu binnen één taalgebied is of algemener, zoals ik zou willen, kom je dat verval niet meer te boven.

Laat ze lezen, schrijft Van Stipriaan. Laat ons op dbnl maar lezen dan. Allemaal. Niet dat autodidact zijn wél van deze tijd is – integendeel – maar voor onze gemoedsrust is het zo beroerd nog niet. Vooral niet als we bij het lezen bedenken dat er ook nog anderen zijn, die lezen willen, al is het dan niet in het openbaar.

Het einde

Yves Leterme is cijferblind. Dat bekende hij dit weekend zelf. ’t Is niet heel ernstig allemaal, hij wisselt af en toe ‘ns wat getallen om, maar rekenen kan hij best. Zolang hij zich er maar op concentreert. Als Minister van Begroting vormde z’n lichte cijferblindheid heus geen probleem, voegde Leterme er nog aan toe.

Een Belgisch premier die cijferblind is, daar vallen vast een hoop flauwe grapjes over te maken. Belgenmopjes natuurlijk, maar in België zelf valt er ook ’n hoop te sneren. Leterme zei wel vaker iets opmerkelijks, stof genoeg, zou je zo zeggen.
Toch: het valt wel mee, met die grapjes. Leterme verdient ze niet. Niet meer. Leterme, ooit verguisd, is door de nieuwe politieke generatie ingehaald en mag, nu hij eindelijk vertrekken kan, de jas van de oude wijze aan. Je zou bijna gaan geloven dat hij een gerespecteerd politicus geworden is. Dat word je in België niet gemakkelijk.

Het einde van Leterme was al veel eerder. Hij faalde als Belgisch premier, niet zozeer door onhandige uitspraken, al bleven die het best hangen, maar vooral omdat België de afgelopen jaren praktisch onbestuurbaar is geweest. Kon Leterme dat helpen? Nee, blijkbaar niet. Net dat maakte hem ’n mislukt premier.

Niemand kon het beter. Er kwamen verkiezingen, schreeuwerige verkiezingen, en toen brak de langste formatie ooit aan, die al even schreeuwerig was. Leterme bleef in de schaduw van de schreeuwers staan en bestuurde het land, zo goed en zo kwaad als dat ging.
Leterme schreeuwde niet, maar zuchtte soms, en riep de onderhandelaars een enkele keer tot de orde, alsof hij werkelijk boven de partijen en boven die dwazen stond. Hielp ‘t? Het heeft Leterme in elk geval geholpen.

Nu is de nieuwe regering er: Di Rupo trekt nog een keer z’n strikje recht en stapt dan de trap naar de top op. Hij wordt premier van alle Belgen, een Waals premier, een homoseksuele premier ook nog. Een provocatie, krijt conservatief Vlaanderen. Misschien hebben ze niet eens ongelijk. Het zal Di Rupo zwaar vallen, boven zichzelf en de partijen uit te stijgen. Maar kennelijk is niets onmogelijk. Volgens Reve kon bij God en in Nederland alles, maar in België kan ook ’n hoop.

Leterme stijgt verder, naar de OESO, waar hij weer geconcentreerd cijferen mag. Voor hem is het allemaal nog niet voorbij. Of er een einde komt aan de Belgische onbestuurbaarheid, dat weet niemand. Velen hopen erop, dat helpt. Het eerste kabinet Di Rupo heeft in ieder geval al knopen doorgehakt. Alle deelnemers hebben in hun eigen vlees gesneden om tot de compromissen die nu in ’t akkoord staan te komen. Hoe laf de oppositie dat ook noemen mag, het is toch een goed teken. Misschien is België wel gered.

Leterme gaat. Wie zwaait hem na?
Hij werd pas een ster in het donker, in de schaduw van alle miserie van de afgelopen anderhalf jaar. Hij zou ook in het donker moeten vertrekken, zonder veel tamtam (en zonder volkslied, liefst). Dat past hem. Hij hoeft er ook geen aandacht op te vestigen, op zijn vertrek: ze merken het vanzelf wel. Ze gaan hem missen.

Een reis naar Friesland

Sneek, ik zag er niks van. Door de ramen van de bus viel niet te kijken. Alles was van water wit. Over de voorruit schoven ruitenwissers. Waar was ik? Was dit al het station? Niemand zei mij iets, ik vroeg niemand iets. Kabaal van regen en wind, de motor van de bus, het belletje van iemand die op “stop” drukte, verder niets.

In Sneek moest ik wezen. Ik had er een afspraak met een Friese dichter. “Een zonderling,” hadden ze gezegd, “hij is de meest paranoïde dichter van Friesland.” Zijn onbereikbaarheid paste bij dat gerucht. Hij woonde in een donkere stad. Zware wolken werden er door zuilen water omhooggehouden. Een stad zonder kerktorens, zonder pleinen. Sneek moest per ongeluk zijn ontstaan.

Een mooi meisje verliet de bus. Door de deuren zag ik andreaskruisen. Een spoor, een station? Haastig sprong ik haar achterna. Buiten was er alleen maar regen, haar zag ik niet meer. De bus vertrok en reed tussen spoorbomen door. Een station was er niet, er was hier zelfs geen bushokje, geen dak, geen plek om voor het weer te schuilen. Ik holde verder, blindelings de spoorbaan over – was dat enkelspoor? – tot aan een postmodern bankgebouw, met palen, een afdak en dus een verschuil.

Aan Sneek is alles postmodern. De nieuwe gebouwen, maar de oude ook: neostijlen, classicisme, betonnen zuilen. Geen gotiek, geen expressionisme, geen idee. Deze stad is per ongeluk ontstaan en ze hebben haar vervolgens volgezet met imitatiearchitectuur.

Door de regen heen sleepte ik Sneek door, tot ik in de straat van de Friese dichter Knilles was. Nummer 25, had hij mij geschreven. 24 was gauw gevonden, 30 ook, maar 25 was natuurlijk nergens. Een Fries dichter laat zich niet gauw vinden.
Ik belde hem. Nog nooit had ik hem gebeld. Hij gidste me door zijn buurt: het verborgen steegje in, het trapje op, het hofje door. De deur stond open al.

Bij Knilles thuis was het droog en aangenaam. Ik las hem mijn proza voor, hij gaf mij zijn gedichten.
“Ik heb ook een novelle,” zei hij, “maar die kan ik je niet geven. Ik heb zelf maar één exemplaar liggen en dat heb ik bij De Slegte gekocht.”
Een Fries dichter zijn, en dan te vallen. Of kan een Fries dichter niet eens vallen?

De avond kwam. Knilles en ik trokken Sneek in. Tussen de winkels stond een tent waar gratis glühwein te krijgen was.
“Als het gratis is, dan moet ik het hebben,” zei de paranoïde Friese dichter.
“Waarom is het gratis?” vroeg ik.
Het was om de folklore: hier werd een boek gepubliceerd. Het Friese elfsteden kookboek. De pompeblêden waren weer van stal gehaald. Het boek was in het Nederlands, dat wel. Dat legde één van die jongens ons in het Nederlands uit. Een zanger zong Hollandse schlagers en iets van Guus Meeuwis.

We zwalkten van kroeg naar kroeg, de dichter en ik.
“Knilles,” vroeg ik, “moet je als Fries dichter niet een enfant terrible zijn?” Als alles folklore moet wezen, dan ook de Friese dichters.
“Oh,” stelde Knilles me gerust, “ik ben nog steeds tegen alles hoor. Dat wel. Ik ben tegen alles.”

Op het laatst was ik niet eens meer tegen Sneek.