Dag van de Duitse taal

Vandaag is het de Dag van de Duitse taal. Voor de eerste keer wordt er in Nederland zo’n Dag georganiseerd. Normaal doe ik niet mee aan Dagen, ik vind dat zo’n gedoe, maar voor het Duits maak ik graag een uitzondering. Want Duits, dat is heel belangrijk.

Nederland heeft een lange traditie van Duits leren en veel Nederlanders spreken ook ’n mondje Duits. Het is na het Engels nog altijd de eerste vreemde taal, vóór Frans, want Frans en Nederlanders, dat heeft nooit zo geboterd. Vlamingen zijn daar beter in, maar die kunnen dan weer vaak geen Duits. Al geldt dat laatste helaas meer en meer ook voor de Nederlanders.

Engels is hipper dan ooit. Het is overal. Nu je niet meer om de haverklap zure stukjes leest over de Amerikanisering is de Amerikanisering pas echt doorgedrongen. Op tv zijn er Nederlandstalige en Engelstalige programma’s, zelden iets anders. Elke matige serie uit Groot-Brittannië of de Verenigde Staten verschijnt hier, met al even matige ondertitels, op tv. En niks uit Duitsland. Zelfs Krimi’s zijn er nauwelijks nog. Nu hebben we Midsomer Murders immers. En de tv is hierin niet anders dan andere media. Als een Engelse bibliotheek zegt het oudste boek van Europa te hebben gekocht, dan staat dat in alle Nederlandse kranten. Onze blik is eenzijdig op het Engelstalige westen gericht.

Duitsland ligt in het oosten, waar het dag wordt. In Duitsland verdienen we onze centen: de Nederlandse economie is behoorlijk van de Duitse afhankelijk. We rijden in Duitse auto’s. We gaan naar Duitse supermarkten. Maar van de Duitse cultuur consumeren we bijna niks. De Duitse taal, daar hebben we ons vanaf gekeerd. En in Vlaanderen is het niet anders hoor: daar keert men zich ook meer en meer van hún achterland, het Franse taalgebied, af. Ik denk zelfs dat er een verband bestaat tussen het Vlaams-nationalisme, de Nederlandse binnendijksheid en die “Amerikanisering”, om daar dan toch nog maar eens zuur over te doen.

Maar goed. De Dag van de Duitse taal is het, laat ik vrolijk zijn. Zuur zijn er al genoeg bloggers. Duits! We kunnen ons heroriënteren. Duitse kinderseries, ze zijn er al op de Nederlandse tv. Nu ook het echte werk. Duits drama, Duitse documentaires, laten we ze uit gaan zenden. En laten we Duits leren, allemaal! Laten we weer naar Duitse muziek gaan luisteren. Laten we Duitsland ontdekken als zalig vakantieland. Of, om nog positiever te zijn: laten we die trend volhouden. Want er is al een trend. Nederlanders leren weer meer Duits, Nederlanders gaan weer meer naar Duitsland. Zo verder!

Natuurlijk moeten we het westen nu niet de rug toekeren. Ik houd stiekem best van de Engelse cultuur. Maar we moeten niet langer zo eenzijdig wezen. Het Duits is het middel om ons aan die eenzijdigheid te ontrukken. Zo maakt die taal ons vrijer. En rijker, dat ook. Een brede Europese oriëntatie: ik wil ook weer Franse series op tv, en als we dan toch bezig zijn ook Poolse en Zwitserse. Maar vooral dus meer Duits, want met Duits kunnen we onze blik weer wenden op het land waar het dag wordt. De Dag van de Duitse taal.

Advertenties

Het oudste boek

Het oudste boek van Europa is verkocht. Dat is in de Nederlandse kranten te lezen en ongetwijfeld ook in die uit andere landen. Het oudste boek van Europa, dat gaat ons allemaal aan. Zoiets is toch uniek, nietwaar?

Het gaat om ’n Engels boek, het Evangelie van Cuthbert. Het is geschreven in het Latijn. Het handschrift komt uit de zevende eeuw, dus oud is het zeker. Het werd geschreven op het mooie eiland Lindisfarne, in het hoge noorden van Engeland. De kopers – de eerbiedwaardige British Library – hadden er negen miljoen pond voor over. Zoiets bijzonders mag wat kosten.

Maar hoe bijzonder is het nu eigenlijk? Is dit werkelijk het oudste boek van Europa? De British Library zegt van wel, en als je nu “oudste boek van Europa” googelt krijg je massa’s Nederlandse artikelen die de British Library napraten. Als er maar één bron is kun je je afvragen hoe betrouwbaar die is. Zouden ze daar bij de British Library niet gewoon ’n beetje chauvinistisch zijn?

Het eiland Lindisfarne vanaf de Engelse kust

Als je nu met Google wat over andere kandidaten voor de titel wilt vinden, zink je in ’n zee van verwijzingen naar het Evangelie van Cuthbert. Dat heeft de British Library al voor mekaar. Maar ja, wat is dat ook, “het oudste boek van Europa”? Wat is een boek?

Boeken bestaan in Europa nog niet zo lang als het schrift. Zelfs de Romeinen gebruikten aanvankelijk nog lange rollen om hun teksten op te bewaren. Toch waren zij waarschijnlijk de eersten die met het idee kwamen om een stapel teksten aan elkaar te verbinden met een band, zodat ze doorbladerbaar waren. In eerste instantie deden ze dat met wastafeltjes. Dat leverde zware schriften op, die wel herbruikbaar waren, omdat wat je in de was graveerde nu eenmaal prima te wissen en te wassen was. Maar voor het serieuze werk werden perkamenten bundels vervaardigd: de eerste boeken, de codices.

Zo’n codex was natuurlijk een handschrift, geen gedrukt boek. Maar dat is dat Evangelie van Cuthbert ook niet, dus dat zal het punt niet wezen. En Cuthberts evangelie is zeker niet het oudste handschrift. Een beroemd handschrift dat ik zelf graag eens in handen zou hebben is de Gotische Bijbelvertaling, de Codex Argenteus. Dat is een echt boek, met de evangelisten erin. De auteur is Wulfila, de man die ijverig de Bijbel vertaalde in zijn moedertaal en daarmee de eerste lange tekst in het Germaans schreef – of toch tenminste de eerste die bewaard gebleven is.

De Codex Argenteus werd rond het jaar 500 vervaardigd, toch anderhalve eeuw eerder dan dat Engelse evangelie. Het onttroont Cuthbert gemakkelijk. Het wordt niet in Engeland, maar in Zweden bewaard, dus voor de Angelsaksische pers valt er niks mee te behalen. Maar zelfs deze codex is niet de oudste in z’n soort, bijlange niet. Misschien wordt de alleroudste dan toch nog ergens in Engeland bewaard.

Natuurlijk gaat ’t me niet eens om het superlatief. Het oudste boek, wat is dat nou voor titel. Waar het mij om gaat is dat de Engelse bron zo gemakkelijk voor waar wordt aangenomen door de internationale pers. Zo kan iedere chauvinist z’n claims wel verspreiden. Google geeft ze al gauw gelijk. Tot Google dit blog heeft opgemerkt, natuurlijk.

Naar een andere stad

Het is de week van de stad, op tv en in Rotterdam. Dat is goed nieuws, want ik interesseer mij voor de stad en ook voor Rotterdam. Deze week interesseer ik me dus ook voor de tv. Toch blijf ik vooral op het internet hangen, dat wel.

De stad is belangrijk, dat is de boodschap van het evenement. Ik wil het best geloven. Steden zijn altijd de centra van de beschaving geweest. In steden kwamen ideeën samen en kregen hervormers een podium. In steden mengden volkeren, culturen en genen zich. In de stad was altijd werk, in de stad was geld, vooruitgang, zin. Altijd is het in de stad begonnen, dus moet de stad ook in de toekomst wel belangrijk zijn. De toenemende verstedelijking bewijst dat alleen maar: over heel de wereld dijen steden uit en loopt het platteland leeg.

Tegelijk is er wereldwijd een internetrevolutie aan de gang. Waar we vroeger ideeën uitwisselden in clubs, kerken en partijen, daar doen we dat nu op internet. We ontmoeten elkaar steeds vaker online. Er zijn mensen die online hun fortuin maken. Thuiswerken is in opkomst. Gaandeweg neemt het internet steeds meer functies van de stad over. Het internet wordt de nieuwe stad.

In Nederland zijn overal internetaansluitingen, daarvoor hoef je niet in de grote stad te wonen. Ik hoef ook niet naar Rotterdam om de week van de stad te beleven. Architectuur Biënnale, het klinkt fantastisch – maar al die nieuwe ontwerpen, ideeën, renders, onderzoeken, ik zie ze online ook, op een forum als Skyscrapercity bijvoorbeeld. Hoe belangrijk is de stad dan nog?

De week van de stad, de eeuw van de stad, de toekomst van de stad – al die positieve verhalen worden vanuit het verleden gedefinieerd: altijd was de stad het centrum daar- en daarvoor, dus zal de stad dat blijven. Terwijl heel veel aan de stad allang achterhaald is. Het internet neemt alles over, behalve het echte leven en de smaak.

Ik denk niet dat de stad blijft zoals ze altijd is geweest. Juist in deze eeuw zal er een nieuw idee van “stad” worden uitgedacht. De stad zal niet langer het kruispunt van ideeën zijn, de stad zal zelfs niet langer die berg van werk zijn. De stad zal meer en meer een pretpark worden, een plek om te ervaren, om te proeven. Die band die je op youtube zag, die kun je nu live horen in De Melkweg; dat bier, waarop je op Facebook las, kun je nu echt proeven bij café ’t Arendsnest. Fun city, die term is al geboekstaafd, ik heb het niet bedacht.

Ik vraag me af in hoeverre men op tv en in Rotterdam nadenkt over die nieuwe stad, die pretstad, die er in de 21e eeuw zal ontstaan. Het zal daar toch vooral over woningbouw en werkgelegenheid gaan, over praktijk, over geld. Terwijl het zal moeten gaan over biercafés, restaurants, theaters en grote evenementen. Gelukkig kunnen we ideeën daarover gewoon op het internet kwijt. We kunnen ze daar ook terugvinden.

De nieuwe stad ontstaat hier.

Afzetten

’n Wat treurige gedachte kwam er gisteravond in mij op. Alle beschaving is afzetten. Dat bedacht ik mij in een café, dus helemaal uitgewerkt was ze gisteren nog niet. Toch is er vandaag geen vrolijker idee voor in de plaats gekomen. Beschaving is afzetten, puberaal afzetten eigenlijk, en dus komen we nooit ergens.

De gedachte begon met de apen. Iemand zei: “ik ben toch zeker geen aap,” en bedacht even later zelf al dat die aap wel in de mens zit. “Eigenlijk zijn we allemaal apen!” Tot zover geen nieuwe gedachte, dit wordt wel vaker gezegd. Beschaving is een dun randje, daaronder zit het beest. Beschaving is proberen geen aap te zijn.

“Kijk, dat is een aap,” wordt er gewezen als iemand onbeschaafd doet. “Ik ben geen aap, ik ben anders.” Daar begint het afzetten natuurlijk al. Kijk ze eens bezig, nou, ik ben zo niet, ik ben lekker anders, en daarom ben ik beschaafd. Je kunt je op vele manieren afzetten, er zijn dus ook vele beschavingen, maar die beschavingen zetten zich vervolgens weer tegen elkaar af. “Kijk die moslims eens, die besnijden hun jochies, nou, dat doen wij niet hoor, wij zijn beschaafd.” En andersom werkt ’t natuurlijk net zo. Kijk die Hollanders eens. Kijk dan. Wat zij doen, doen wij lekker niet.

De gedachte is droevig omdat er een consequentie aan zit, tenminste, in mijn beleving. Als beschaving altijd afzetten is, dan moeten we dus ook steeds iemand hebben, om naar te kunnen wijzen. Er is altijd een vijand nodig. Dat hebben we doorheen de geschiedenis wel gezien. En ’t houdt dus niet op ook, want dat afzetten, dat is de basis. Anders willen zijn dan wie je veracht – en altijd iemand wíllen verachten, om anders te kunnen zijn. Die wereldvrede komt er dan nooit van.

Nu heb ik nooit aan wereldvrede geloofd. Ik heb al heel vroeg besloten om cynicus te worden. Ik zal me wel tegen Kinderen voor Kinderen hebben willen afzetten. Maar ja, toch hoop je soms op verbetering. We hebben best vooruitgang gemaakt. Vroeger zette men zich tegen een naburig dorp af, later tegen regio’s en nu al weer ’n eeuw of wat tegen andere landen. Ja, en Limburgers tegen mensen van een dorp verder, maar dat zijn dan ook apen.

Er is een schaalvergroting geweest: van dorpsmensen werden we regionalisten en van regionalisten werden we nationalisten. Als je Guy Verhofstadt moet geloven is Europa de volgende stap. En zo door, tot we met heel de wereld vrede hebben. Maar dat gaat dus niet, want als we ons niet kunnen afzetten, hoe definiëren we onszelf dan nog in hemelsnaam?

Op korte termijn lijkt een nieuwe schaalvergroting me al moeilijk, omdat er toch nog veel mensen zijn die de vorige stappen niet hebben afgemaakt. Maar als we dan verder groeien, dan niet tot één Europa, vrees ik. Misschien dat we ons eerst nog met Scandinavië en Noord-Duitsland gaan vereenzelvigen, daar hoor je al jonge intellectuelen over. Lekker Germaans zijn, als dat geen vies woord meer is. En ons dan maar afzetten tegen de Romanen hè. Want kijk eens, wat zij allemaal doen!

En zo blijven we steken in de puberteit.