Ongepast bier

Het is 2014, een jaar waarin veel zal worden stilgestaan bij de 100e verjaardag van de Eerste Wereldoorlog. In de theaters, op tv, in musea en op scholen, overal kom je de verhalen over “de grote oorlog” weer tegen. Dat is natuurlijk een goede zaak. Juist zo’n droevige, domme geschiedenis verdient het om keer en keer opnieuw verteld te worden, zeker ook omdat de gevolgen van die oorlog nog steeds actueel zijn – van West-Vlaanderen tot in Oekraïne.

Ook in de cafés wordt er tegenwoordig stilgestaan bij de Eerste Wereldoorlog. Toen ik gisteren het Belgisch biercafé van Alkmaar binnenstapte en mijn gebruikelijke vraag stelde – “Heb je nog wat nieuws, Remco?” – hield de kastelein een fles van een halve liter voor m’n neus. Halve liters zijn ongewoon in een Belgisch biercafé, maar er was wel meer ongewoon. Het bier heette Passchendaele en het was gebrouwen ter ere van de Eerste Wereldoorlog.

“Een halve liter, kom maar door,” zei ik, en het bier werd ingeschonken. De kleur van pils, de presentatie van pils, gelukkig ook het alcoholpercentage van pils, maar wel van hoge gisting en vol Vlaamse symboliek. Wat moest ik daar nu van denken?

Het etiket vertelde meer. ““When opening a bottle of Passchendaele, please hold a minute of silence to commemorate those who fell on the battlefield.” Nou nou. “The great beer”, stond er nog, blijkbaar als knipoog naar wat de Engelsen “the Great War” noemen. Great heeft meerdere betekenissen die ik zelf liever niet zo zou verwarren, maar goed, de keuze van de brouwer was een andere.

Een minuut stilte? Respect? Herdenken? Waar gaat dit allemaal over? Ik proefde een halve liter slap bier en verder vooral heel veel ronkende marketing. Wel marketing over de rug van dode soldaten. Dat heet dan respect.
Op het etiket stond zelfs een roosje afgebeeld, een verwijzing naar het gedicht “In Flanders Fields” (In Flanders fields the poppies blow). Ook voor de wereldliteratuur niets dan respect hoor.

Goed, we zaten in een kroeg, we waren de enige niet, al gauw gaat zo’n bier dan een eigen leven leiden. We verzonnen aan de lopende band andere ongepaste herdenkingsbieren. Wordt de Brand Sylvester ingeruild voor “NieuwjaarsBrand”, uit zogenaamd respect voor de Volendammers? Durft de Leidsche brouwerij een BennøL aan? Zouden we in 2045 heus Sobibier gaan drinken, “koosjer en nach Reinheitsgebot”…?

Kroegpraat, toogzever, allemaal supergrappig natuurlijk – maar dit bier is geen grap. Brouwerij Van Honsebrouck, ook bekend van de Kasteel-bieren, heeft werkelijk gedacht uit die nare oorlog een slaatje te kunnen slaan. Het is je reinste lijkenpikkerij. Al dat geouwehoer over respect en “a minute of silence” is opgeklopte marketing. “The Great Beer”, jawel.

Natuurlijk, ik weet het wel, zo’n brouwer moet ook z’n omzet halen, bier is nu eenmaal geen nobel kunstwerkje dat zonder winstbejag door toegewijde smulpapen wordt bereid. Je moet commercieel durven zijn. Dat vind ik allemaal best. Maar moet het dan echt zó? Wat mij betreft zijn er ook in de reclame nog wel ethische grenzen waar je rekening mee mag houden. Je zou hopen dat de potentiële klanten dat ook vinden.

Eén ding moet je Van Honsebrouck nageven: ze zijn wel stijlvast. Ook in mijn mond bleek de Passchendaele een smakeloos bier.

Advertenties

Bier in Portugal

Eind januari zat ik nog lekker in Portugal, in Lissabon. Wat daar winter heet voelde als lente. Het was warm, zonnig tussen de buien door, mooi en zeker ook gezellig. Mijn vriendin en ik hadden er voor wat dagen zelfs ’n stamcafé, Marcelino Pão e Vinho, en daar aten we inderdaad brood en we dronken er wijn. We kregen er de heerlijkste worsten en kazen bij te eten: gerookt, gerijpt, gekruid of een combinatie van die drie, en bijna leek het alsof al die smaken ook in de olijven en de wijn terugkwamen. Je zou denken, wie verlangt er dan nog naar bier, in een wijnland is het leven met wijn toch ook goed?

Toch kwamen we op de eerste avond, in hetzelfde barretje, al een bierliefhebber tegen. Het was een Australiër met een Nederlandse vader en een baantje bij een biercafé in Engeland, op wereldreis door Portugal, nu al wat dagen gestrand in ons deel van Lissabon. Hij was met de huiswijn best tevreden, maar zag geïnteresseerd toe hoe wij bijzondere flessen Alentejo en Douro open lieten maken en toen ging het al gauw echt over bier. In Lissabon was er niet veel te vinden, gaf hij toe, maar bij Marcelino hadden ze wel een stout op fles en die moesten we dan toch ‘ns proeven.

Super Bock Stout, het klinkt al wat verdacht. Super Bock is een grote, commerciële brouwerij die vooral matig pils verkoopt en dan nog ’n stout die aardig wegslobbert, maar op wat chocoladetonen na niet blijft hangen. Zou dat niet beter kunnen in een land met zulke grote wijnen en zulke heerlijke kazen? Reetbier bracht soelaas: ergens in een buitenwijk zou zich een biercafé ophouden, Gallus, en met de metro moesten we daar wel kunnen komen. Mijn vriendin en ik stonden de volgende dag rond lunchtijd dan ook aan de uitgang van een metrostation in een buitenwijk vol blokkendozen. Boven ons hoorde we de aanvliegroute die we de dag ervoor zelf nog genomen hadden.

bier in portugal

Gallus zat in een modern woonblok, tussen bouwputten in. De crisis had alles wat vertraagd, maar het bier was blijven borrelen. Weer een stoutachtige, Maldita Robust Porter, waarin gelukkig al wat meer vuur te herkennen was (koffie, cacao, vrij wat karamel), maar waarvan de textuur toch echt te waterig bleef. Gelukkig kwamen er verrassend degelijke IPA’s van de tap: Sovina IPA, groen en kruidig, plezierig bitter, in balans, Engels, en dan nog een “naamloze IPA”, gebrouwen door brouwerswinkel Oficina da Cerveja, en eigenlijk nog niet officieel te koop. We mochten hem toch proeven: zacht-moutig, romig, fruitige hop, wederom wat Engels in stijl (en dat waardeer ik zelf wel). Niet Engels, maar wel erg geslaagd was Maldita Bohemian Pilsener, die qua hoppigheid moeiteloos stand hield naast de IPA’s.

Goed bier in Portugal, het bestaat dus, maar je moet er echt naar zoeken en als je dan eindelijk onder die aanvliegroute zit merk je meteen waarom: er is niet veel belangstelling voor. We waren de enigen bij Gallus, wat de hartelijke mensen van Gallus zelf zeker goed maakten, maar toch. Voor de echte sfeer waren we gauw weer bij Marcelino terug. In Portugal drink je wijn, gewoon, omdat dat is wat de Portugezen doen – en als het ze uitkomt de Australiërs ook.

Belgen en Nederlanders brouwen samen bier

Over de vooroordelen van Belgen over Nederlands bier heb ik het hier al eerder gehad. In ieder café, achter elke toog, kun je weer de verhalen horen over Heineken. “Eén slok en ik had al hoofdpijn!” “Dat smaakt naar afwaswater!” “Stella is echt veel beter.” Als je dan vertelt dat er nog meer bier wordt gebrouwen in Nederland, dan is de reactie vaak lauw. “Dat zal wel niet veel zijn, zeker?” Daarna wordt er gelachen en is de discussie voorbij.

Het beperkt zich niet tot kroegpraat. Ik had het hier al eens over Jef van den Steen, die beweerde dat Nederlanders erg van zoet houden en dat de Zundert voor ons verrassend bitter is, en over brouwerij Jessenhofke, met de brouwersvrouw die mij vertelde dat Duvel en Westmalle voor de Nederlandse markt worden aangezoet. Baarlijke nonsens, maar kennelijk is daar behoefte aan.

Gelukkig zijn er inmiddels ook Belgen die beter weten. We zien ze soms opduiken op Nederlandse festivals. Ze bestoken Nederlandse webwinkels met vragen over de levering van Rooie Dop. Ze kapen de laatste flesjes van een bijzondere batch van De Molen voor onze neuzen weg. Durvers zijn het, verguisd in eigen land, bereid te reizen en te dokken voor hun eigen smaak. Nederlanders zien ze graag komen. Aandacht van Belgen, dat is altijd een goed signaal, nietwaar?

In 2014 gaan we verder op de ingeslagen weg. Nederlandse bieren krijgen beetje bij beetje voet aan de grond in België en steeds meer Belgen willen de Nederlanders wel een handje helpen op hun zegetocht dwars door vooroordelen heen. Zo ook gisteren: een nieuw bier werd gepresenteerd, BE-NL, gebrouwen door drie brouwerijen: Pampus en De Eem uit Nederland, Eutropius uit België. Het werd tegelijk in Brugge en in Amsterdam gepresenteerd, bij de Bierkoning. Ik was naar Amsterdam gekomen.

Was het druk? Nee, dat niet. Het was ook een beetje laat aangekondigd. Er werd wat Hollands gemopperd en er werd wat gelachen, want dat knullige was ook weer charmant, misschien wel Belgisch.
De Nederlandse brouwers herinnerden zich met smaak hoe hun Belgische collega was geschrokken van de hopgift. “We zullen die Belgen wel even leren hoe het ook kan!” En passant vertelden de brouwers ook dat de presentatie ’n beetje zinloos was, want het was al uitverkocht. “Dit is de eerste en de laatste keer dat je het proeft.”

Hoe smaakte het dan? Het was inderdaad een heel bitter bier, Jef Van den Steen zou het niet geloofd hebben. Fruitig, harsig, pas later ’n beetje moutig, met vrij wat schuim en een stevige textuur.
Uit Brugge kwamen de eerste reacties binnen: er waren mensen geschrokken. “Verschieten”, noemen de Belgen dat, en in België kun je je ook “positief verschieten”. Laten we hopen dat dat gevoel overheerste: positieve verrassing, verbazing over wat Nederlanders kunnen toevoegen aan de Belgische biercultuur.

Natuurlijk, het gaat goed met het Nederlandse bier. Waar Belgen nog van schrikken, dat vinden wij al bijna gewoon. Maar wie zijn “wij” dan? Ikzelf, u, mijn lezer, de andere brouwers, de vaste gasten van de BeerTemple… Het is een gezellig bierdorp, maar ze vertegenwoordigen nog niet het gemiddelde. Druk werd het ook niet, bij de presentatie in de Bierkoning. Daarvoor hebben we nog veel meer BE-NL nodig. Was het maar niet op!