Ongepast bier

Het is 2014, een jaar waarin veel zal worden stilgestaan bij de 100e verjaardag van de Eerste Wereldoorlog. In de theaters, op tv, in musea en op scholen, overal kom je de verhalen over “de grote oorlog” weer tegen. Dat is natuurlijk een goede zaak. Juist zo’n droevige, domme geschiedenis verdient het om keer en keer opnieuw verteld te worden, zeker ook omdat de gevolgen van die oorlog nog steeds actueel zijn – van West-Vlaanderen tot in Oekraïne.

Ook in de cafés wordt er tegenwoordig stilgestaan bij de Eerste Wereldoorlog. Toen ik gisteren het Belgisch biercafé van Alkmaar binnenstapte en mijn gebruikelijke vraag stelde – “Heb je nog wat nieuws, Remco?” – hield de kastelein een fles van een halve liter voor m’n neus. Halve liters zijn ongewoon in een Belgisch biercafé, maar er was wel meer ongewoon. Het bier heette Passchendaele en het was gebrouwen ter ere van de Eerste Wereldoorlog.

“Een halve liter, kom maar door,” zei ik, en het bier werd ingeschonken. De kleur van pils, de presentatie van pils, gelukkig ook het alcoholpercentage van pils, maar wel van hoge gisting en vol Vlaamse symboliek. Wat moest ik daar nu van denken?

Het etiket vertelde meer. ““When opening a bottle of Passchendaele, please hold a minute of silence to commemorate those who fell on the battlefield.” Nou nou. “The great beer”, stond er nog, blijkbaar als knipoog naar wat de Engelsen “the Great War” noemen. Great heeft meerdere betekenissen die ik zelf liever niet zo zou verwarren, maar goed, de keuze van de brouwer was een andere.

Een minuut stilte? Respect? Herdenken? Waar gaat dit allemaal over? Ik proefde een halve liter slap bier en verder vooral heel veel ronkende marketing. Wel marketing over de rug van dode soldaten. Dat heet dan respect.
Op het etiket stond zelfs een roosje afgebeeld, een verwijzing naar het gedicht “In Flanders Fields” (In Flanders fields the poppies blow). Ook voor de wereldliteratuur niets dan respect hoor.

Goed, we zaten in een kroeg, we waren de enige niet, al gauw gaat zo’n bier dan een eigen leven leiden. We verzonnen aan de lopende band andere ongepaste herdenkingsbieren. Wordt de Brand Sylvester ingeruild voor “NieuwjaarsBrand”, uit zogenaamd respect voor de Volendammers? Durft de Leidsche brouwerij een BennøL aan? Zouden we in 2045 heus Sobibier gaan drinken, “koosjer en nach Reinheitsgebot”…?

Kroegpraat, toogzever, allemaal supergrappig natuurlijk – maar dit bier is geen grap. Brouwerij Van Honsebrouck, ook bekend van de Kasteel-bieren, heeft werkelijk gedacht uit die nare oorlog een slaatje te kunnen slaan. Het is je reinste lijkenpikkerij. Al dat geouwehoer over respect en “a minute of silence” is opgeklopte marketing. “The Great Beer”, jawel.

Natuurlijk, ik weet het wel, zo’n brouwer moet ook z’n omzet halen, bier is nu eenmaal geen nobel kunstwerkje dat zonder winstbejag door toegewijde smulpapen wordt bereid. Je moet commercieel durven zijn. Dat vind ik allemaal best. Maar moet het dan echt zó? Wat mij betreft zijn er ook in de reclame nog wel ethische grenzen waar je rekening mee mag houden. Je zou hopen dat de potentiële klanten dat ook vinden.

Eén ding moet je Van Honsebrouck nageven: ze zijn wel stijlvast. Ook in mijn mond bleek de Passchendaele een smakeloos bier.

Advertenties

Echt bier uit Olland

Gisteravond was er weer even bier op televisie. Het was op Canvas, “België Twee” voor veel Nederlanders, dus er werd vooral over Belgisch bier gepraat. Aanleiding voor het item in Reyers Laat was het bericht dat er steeds minder monniken zouden zijn, en dat zou dan toch gevolgen kunnen hebben voor het brouwen van trappist, nietwaar? Het was al meteen duidelijk dat het vooral een opvullertje was, een geestige afsluiter van het programma, maar daar mag bier natuurlijk best voor dienen.

Uitgenodigd was een bierliefhebber met een baard: Jef Van den Steen. Van den Steen brouwt zelf bier, onder meer Ondineke (een fruitige tripel) en Saison d’Erpe-Mere, maar schrijft daarnaast ook boeken over bier. De man benadrukte dat hij zytholoog was, dat was beter dan “bieroloog”, want zythos was Grieks. Hij was een echte kenner. Met die binnenkomer zat er spanning in de uitzending: ging deze kenner ons iets leren, zou hij veilig aan de oppervlakte blijven, of zou hij fouten maken? Het werd een combinatie van die drie.

Zes flesjes bier werden binnengedragen, met het bijpassende glas. Zes Belgische trappisten: Achel, Chimay, Orval, Rochefort, Westmalle en Westvleteren. Klassieke namen. De buitenlandse trappisten kwamen pas later aan bod. Eerst bestelde iedereen een biertje. Jef nam Orval en de presentator Westmalle, wat een goede keuze was, aldus de zytholoog. De vrouw aan tafel werd door de presentator niets aangeboden, gelukkig greep een gast in. Met z’n tweeën deelden ze zijn Westvleteren.

Wat zijn trappisten nu eigenlijk, vroeg de presentator. Jef deed een keurige uitleg, met een uitstapje naar Nederland (Koningshoeven, bekend van La Trappe, zou te commercieel zijn). Ook legde hij uit dat een tekort aan monniken eigenlijk niet speelt, het meeste bier wordt door leken gebrouwen, zolang er maar ’n monnik op toeziet is ’t al goed. Oef.

“Nog een vraag,” zei de presentator. “Er is een nieuwe trappist bij gekomen, uit Nederland. Wat vind je daar nu van, dat de Nederlanders mee op de kar springen?” Wel, daar begon Jef Van den Steen zowaar positief: een zeer lekker bier. Maar: on-Nederlands.

On-Nederlands?
Wel, zei de zytholoog, het is een mooi uitgegist bier, helemaal niet zo zoet. Terwijl de Nederlandse smaak juist heel zoet is, kijk maar naar La Trappe. De Zundert is niet zo zoet. Dat maakt deze trappist dus on-Nederlands, voilà.
“Ah,” zei de studiogast die eerder het meisje een deel van z’n Westvleteren had geschonken, “dit is dus het eerste échte bier uit Holland.”
Gelach.

We waren weer rond. Als Belgen over bier praten, dan moet er ook weer even worden gekankerd op de erfvijand uit het noorden, ook als er voor dat gekanker domme vooroordelen nodig zijn. Je zou toch denken dat zo’n “zytholoog” wel beter weet. Er is meer Nederlands bier dan La Trappe en dat bier is gemiddeld juist verrassend bitter. Bitterheid kun je meten (EBU), maar je kunt het ook gewoon proeven.

Toch is het een oud verhaal in België. Door brouwerij Jessenhofke werd me al eens op de mouw gespeld dat grote Belgische bieren als Duvel en Westmalle worden aangezoet voor de Nederlandse markt, “anders drinkt een Hollander het niet.”

Proeven kan alleen onbevooroordeeld. Een zytholoog zou wat mij betreft in de eerste plaats een goede proever moeten zijn, ook al is dat geen Grieks woord. Met dit soort laffe clichés is niemand geholpen, tenzij het je natuurlijk niet om bier gaat, maar om kneuterig chauvinisme voor als de aftiteling al loopt.

Bier in de wilde keuken

“De Wilde Keuken” is een sympathiek programma op de Nederlandse televisie. De presentator, Wouter Klootwijk, is eigenzinnig en geïnteresseerd, de plaatjes zijn mooi, de muziek geeft het programma een bijzondere sfeer. Ik kijk er graag naar. “De Wilde Keuken” gaat over eten, meestal. Gisteren niet. Gisteren ging “De Wilde Keuken” over bier.

Bierblogger zijn is niet altijd een vrolijke bezigheid. Vaak mopper ik, over kranten bijvoorbeeld, of over mediafiguren die domme dingen zeggen over bier. Zelfs brouwers kunnen soms rare dingen zeggen over het bier van anderen. Zou Wouter Klootwijk, die zo liefdevol over groente, vis en vlees kan praten, ook domme dingen zeggen over bier?

De uitzending begon met nostalgische plaatjes. Industrie, rode bakstenen, regen: zo ziet België er volgens de clichés uit. We waren dan ook in België, in Aalst. Want, vertelde Wouter Klootwijk, enthousiast als altijd, wie bier zegt, die zegt België. Ja, nou, Heineken, Bavaria, dat had je in Nederland, maar écht bier, dat is Belgisch.

Daarmee was de toon gezet. Nederlands bier, dat is pils, slecht pils, niet meer dan dat. Vele tientallen Nederlandse brouwers werd op vrijdagavond, primetime, stilzwijgend de strot doorgesneden. Zij bestaan niet in De Wilde Keuken. Alleen de grote pilsbrouwers bestaan: Heineken, Bavaria, later in de uitzending ook nog in een bijzin Grolsch. Meer is er niet in Holland, meneer.

Voor de Nederlandse biercultuur zou het een pijnlijk half uurtje televisie worden. Toch werd, en dat pleit weer voor Klootwijk, Belgisch bier ook niet kritiekloos benaderd. Een journalist die de “Belgische taal” (sic) beter sprak dan Klootwijk, toonde aan dat in veel Belgisch bier glucose zit. Kunstmatig wordt het bier aangezoet, zodat er tijdens het gisten meer alcohol ontstaat. Want bier moet zwaar zijn.

De journalist deed z’n werk keurig. Hij doorprikte de mythe van de middeleeuwse, ambachtelijke bieren: Belgisch bier zoals we dat nu kennen is een verzinsel uit de 20e eeuw. Bier met veel alcohol, om zo de straffere jenever, die na 1919 verboden werd in België, een beetje te vervangen. Daarom wordt er glucose in Duvel en Palm verwerkt, maar ook in de trappisten.

De echte bierliefhebber weet dit natuurlijk wel. Maar de echte bierliefhebber weet ook dat niet iedere brouwer zo met bier foefelt. Integendeel, bieren met veel smaak maar weinig alcohol zijn de laatste tijd in opkomst. Die Nederlandse brouwers die gisteravond even niet mochten bestaan, die knoeien lang niet allemaal met suiker. Veel Belgische collega’s ook niet, trouwens. Maar ja. Tv moet snel zijn zeker?

Normaal is “De Wilde Keuken” niet snel. Het is nostalgische tv. En eigenlijk was het dat gisteren ook: de wereld was nog gewoon zoals ze in 1983 was. Hollands pils, zoet zwaar bier uit België, hop uit West-Vlaanderen. Sinds 1983 is er veel gebeurd, Amerikaanse hop kwam op, Nederlands speciaalbier kwam op, bitter en zuur werden hippe smaken. Maar die ontwikkeling heeft Wouter Klootwijk niet gevolgd.

“De trend voor de zomer,” zei Klootwijk toen hij hopthee met suiker dronk. Hij keek erbij alsof hij het zelf bedacht had, maar hopthee bestaat al even. In de wereld van nu, tenminste, in 2013. De Wilde Keuken ging gisteravond schaamteloos terug in de tijd, naar een wereld van sprookjes en clichés. Wat een gemiste kans.

Tussen taal en land

Vandaag ga ik weer ‘ns naar België. Toch een beetje mijn tweede vaderland, want ik heb er gewoond en gestudeerd. Een tweede vaderland tegen wil en dank, misschien, want de cultuurverschillen blijven. Ik zal de Belgen wel nooit helemaal begrijpen en zij mij ook niet. Dat hoeft vriendschap niet in de weg te staan, dat niet. We spreken immers dezelfde taal?

Het buitenland vertellen we graag dat het Nederlands meer is dan de taal van Nederland alleen. Suriname tikt niet zo aan, maar Vlaanderen, met zes miljoen sprekers, nou! Het maakt onze taal toch weer wat gewichtiger, al zal een Engelsman nog lang niet onder de indruk zijn. Zeker niet als hij bij een eerdere reis wat fiere Vlamingen tegen is gekomen die hem op de mouw gespeld hebben dat zij Flemish spreken en geen Dutch. Het regionalisme.

Er ís een verschil tussen Vlaams en Hollands, zeker. We hebben dezelfde standaardtaal, maar gebruiken haar anders. Of moet ik zeggen: we gebruiken hém anders? Onze grammatica verschilt, onze woordenschat nog meer. Dat bracht het Vlaamse radioprogramma Hautekiet ertoe een tekstje de ether in te slingeren vol zuiderbuurs vocabulaire, onbegrijpelijk voor Nederlanders:

Bomma heeft in de solden zwarte pens, salami en botten gekocht. Het was een ander paar mouwen om nog fruitsap, kipkap en fondant te vinden.
Bij valavond kwam bomma’s dochter op bezoek. Ze durfde niet uit de biecht te klappen want ze vond het ambetant om te vertellen dat ze gebuisd was en op kot veel gepoept had. Dus stoefte de dochter maar wat over de smoutebollen die ze had gebakken.
Daarna was ze ribbedebie want ze moest dringend langs de mutualiteit en het interimkantoor. Bij deze laatste viel ze over een aftrekker die tegen de chambrant stond.
Daarna had ze nog weinig goesting om ook nog langs de flikken te gaan. Echt niet plezant.

Voor Nederlanders is dat zeker geen doorgrondelijk tekstje. Nu zijn sommige woorden wel wat gezocht (“botten” zijn laarzen, die koop je natuurlijk niet samen met bloedworst en salami), maar het is dan ook maar ’n gebbetje.

Zou dat andersom ook kunnen? Vast wel. De Standaard kwam met een alternatieve test waarin Vlamingen werden getrakteerd op typisch Nederlandse woorden als, eh, “zwijnenpan”. En “dooievisjesvreter”. “Kwijlebabbel”. Woorden die, de Nederlandse lezer van dit blog ziet dat meteen, ook boven de Moerdijk door niemand worden gebruikt.

Dat moet beter kunnen. Mijn alternatief is een leestekst, net als die van Hautekiet. En natuurlijk is ook deze geforceerd en kloppen niet alle woorden met de stijl en de situatie – maar ’t is dan ook maar voor te lachen, meneer. Ik wens de Vlamingen alvast veel succes.

Het was waterkoud. Een stevige bries drukte tegen de deur. De kozijnen rilden. De kastelein tikte nog ’n vaasje af.
“Nog eentje toe,” knipoogde hij.
Kees lachte, hij liet zich wel jennen. Hij zat best. De muziek stond niet hard. De poes snorde. Plots veerde ’t dier op.
“Volk,” baste een stem. In de deurpost stond een bonkige man.
“Krijg nou tieten,” riep Kees, “Jaap, dat is al ’n tijdje terug!”
“Ja welja, gozer,” zei Jaap gul, “ik ben even de hort op geweest.”
“Wat heb je uitgevroten?”
Jaap ging aan de bar zitten. “Een weekje niks. Ik ben het wad opgegaan.”
“Joh!?” Kees hoorde er van op. “Een week? En niks te nassen?”
“Ik had ’n trommeltje bij me,” grinnikte Jaap. “Brood, met palingworst, saks, en voor de zoete trek nog pasta ook.”
“Wordt dat niet taai?” Kees kon er met z’n kop niet bij.
“Ja, natuurlijk, daarom ben ik afgetaaid,” lachte Jaap.
“Nou, mij niet gezien,” zei Kees, “ik zit hier wel senang.”
“Ja, maar jij bent dan ook een watje,” sarde Jaap.
“Och,” zei Kees, “een avondje bankhangen, even niks, mij best… Maar dit is andere koek. Geen kwestie van lef hoor.”
“Joh, geintje,” zei Jaap goeiig. “Jij hebt ’n baan, ze zien je aankomen!”
“Nee, juist niet,” zei de kastelein gevat. “Jaap, ’n jonkie zeker?”
“Een kopstoot,” zei Jaap beslist, “en voor Kees nog eentje toe.”

Zo. En nou naar de trein.

Koffiebier

In de Belgische media viel de afgelopen weken weer eens wat te lezen over bier. Belgische kranten hebben meestal niet zo heel veel belangstelling voor het gerstenat, nauwelijks meer dan de Nederlandse kranten, maar als er iets nieuws te melden valt willen ze er wel plaats voor vrijmaken. En deze week was er nieuws, jawel. Een heel nieuwe bierstijl had België bereikt. Echt?

“Nieuw: drink eens koffiebier” kopte De Standaard. Bij het artikel stond een foto van twee heren en een schoon verhaal over broederliefde. De ene broer was koffiebrander, de andere was brouwer, en samen waren ze nu brouwer van het koffiebier. Broeder Jacob heet de brouwerij. Die broederliefde zit wel snor. Maar dat koffiebier? Is dat zo nieuw dan?

In Het Nieuwsblad wordt de brouwende broer geciteerd. “In de USA zijn er al wel biersoorten met koffie, maar in ons land had nog niemand zich daaraan gewaagd,” aldus Johan Claes. De Standaard maakt ook al gewag van Amerikaanse bieren met mout en koffie: “Beide smaken passen zo goed bij elkaar, dat in Amerika al een tiental koffiebieren in de rekken staan.”

Voor ’n bierkenner valt het niet mee dit allemaal te moeten lezen. Een tiental koffiebieren, stel je voor. In de Verenigde Staten is koffiebier groot, daar gaat ’t echt allang niet meer om een tiental. In Scandinavië is koffiebier ook populair. En wat te denken van het dichtste buurland van de brouwers uit Wezemaal, Nederland? Brouwerijen als De Molen, Emelisse, Klein Duimpje en nog anderen brouwen indrukwekkende koffiebieren, soms zo heftig dat je er wakker van wordt.

Over de Nederlandse biercultuur wordt in België hoe dan ook niet geschreven, alsof ze daar liever niet weten dat Nederland minstens zo’n boeiend bierland is als België. Kinnesinne of onkunde? Dat laatste in ieder geval, zoals blijkt uit de artikeltjes over het “nieuwe” koffiebier van Broeder Jacob. Want de bewering van Johan Claes dat niemand in België zich aan de stijl gewaagd had is óók al onwaar. De Struise Brouwers, de ware avant-garde van bierland België, brachten al een Mocha Bomb, die (voor wat ’t waard is) ook goed scoort op RateBeer. Dat was aan de broers en de pers kennelijk voorbijgegaan.

’t Is geen incident. Over bier wordt heel vaak onzin geschreven door gerenommeerde kranten en zelfs wel eens door vakbladen. Kennelijk is er niemand die het naleest. Wat je over bier schrijft hoeft niet te kloppen. Tekenend is dat haast iedere krant wel een eigen wijnrubriek heeft, maar dat een bierrubriek nog moet worden uitgevonden. Alsof wijn zo belangrijk is in ons taalgebied. Natuurlijk, wijn is fijn, wijn is heerlijk, maar er wordt nu eenmaal meer bier gedronken in Nederland en België. Wij hebben een biercultuur.

Soms twijfel ik aan dat laatste. Ja, we hebben brouwers, we hebben goedbezochte festivals, we hebben liefhebbers en verenigingen – maar wat is een biercultuur als daar klinkklare onzin over in de krant verschijnt? Wanneer maken redacties eens écht ruimte voor bier? Voor wat ’t waard is: ik wil best een stukje voor ze schrijven.

De laatste trein

Door ons taalgebied loopt een lange, kronkelende grens: die tussen Nederland en België. Die grens is zeker een cultuurgrens, maar geen onoverkomelijke. Vaak wordt de grens overgestoken, niet alleen door toeristen, maar ook door studenten, familieleden en Nederbelgen. Altijd is er uitwisseling. Die taal houdt ons toch maar met elkaar bezig, of dat nu van harte is of niet.

De trein heeft her en der gaatjes geslagen in de oude grens. Er zijn twee stoptreintjes, er is een hogesnelheidslijn (de Thalys) en er is de trouwe intercity tussen Amsterdam en Brussel. Die laatste trein wordt het meest gebruikt. Toen ik nog in België studeerde werd die trein bijna een tweede huiskamer, zo dikwijls zat ik er in. Alles werd gewoonte: het brakke Frans van de conducteurs, de rammelende kar van de railcatering, het sms-bombardement in de coupé na de grensovergang… zelfs de mensen werden bekenden. Ik heb nog wel eens met twee vaste conducteurs jenever gedronken in Amsterdam.

De trein is niet altijd dezelfde gebleven. Ik heb de stoelen zien veranderen, de tunnel onder Antwerpen heb ik open weten gaan, minuten van de dienstregeling schoven op. Nieuwe locs, nieuwe kleuren, nieuw personeel… Sinds kort ook nieuwe pakjes voor de conducteurs: in paars en roze doen ze nu hun werk. Al die veranderingen waren tekenen van verval. Over anderhalve maand sterft de Beneluxtrein. De intercity tussen Amsterdam en Brussel wordt geschrapt.

De grens tussen Nederland en België zal in de toekomst harder en hoger zijn. Natuurlijk, de stoptreintjes blijven, die wel. Er komt zelfs een nieuwe hogesnelheidstrein bij, die Fyra heten zal. Maar de intercity is ten dode opgeschreven. Er is geprotesteerd hoor, dat wel. Er waren petities en groepen op Facebook. Maar democratie werkt niet op een grens. Op 8 december rijdt de Benelux z’n allerlaatste rit. Zal ik nog meegaan?

Het alternatief, de Fyra, is natuurlijk sneller dan de Benelux. Ik heb het uitgerekend, voor mij is er maar liefst 40 minuten tijdswinst als ik de Fyra neem. Maar die trein is wel veel duurder. Alleen als je heel vroeg boekt zijn er nog goedkope kaartjes, en hun aantal is beperkt. Op de Fyra moet je verplicht reserveren. Voor wie een hotelletje heeft geboekt, ruim op voorhand, is dat allemaal niet zo’n probleem, maar voor de Nederbelgen die géén toerist zijn, die zomaar die grens eens over moeten, voor werk, studie of een stervend familielid – voor hen is het zuur. Maar wie denkt er nu aan zulke mensen?

Europa kreeg verleden week de vredesprijs. Ons continent is eengemaakt, we kunnen nu opschieten met elkaar, wat mooi, wat fijn. Die unie is ooit begonnen met de Benelux. En zie nu onze eenheid. De grenzen worden weer opgetrokken. We stemmen binnendijks. Vlaamse nationalisten, Hollandse lekkerrechtsers. Dit gaat om veel meer dan een trein. Wij zitten straks op slot.

Ik moet maar auto leren rijden.

Stemmingmakerij

Borssele moet sluiten. Een motie daartoe is aangenomen door de gemeenteraad van Gent. Jawel, Gent, de Belgische stad. De gemeenteraad van Gent regeert als het moet over stads- en landgrenzen heen. Omdat de Belgische kerncentrales onveilig zijn gebleken moeten de Nederlandse dat ook wel zijn, is de redenering, ook al werd vorige week nog door onderzoekers geconcludeerd dat Borssele veilig is.

Het is een opmerkelijk bericht dat in de Nederlandse media een beetje zweeft tussen hard nieuws en faits divers. De Gentse gemeenteraad meent het serieus, dat is zeker. Schepen Tom Balthazar is zelfs vilein: “Ik neem aan dat een beschaafd land zoals Nederland het nodige zal doen wat gedaan moet worden,” aldus de politicus. De implicatie is duidelijk: als Nederland geen gehoor geeft aan de Gentse motie ontmaskert het zichzelf als een onbeschaafd land.

Het is verkiezingstijd in België. Over enkele weken kiezen onze zuiderburen een nieuwe gemeenteraad. Politici trekken dus alles uit de kast om de kiezer te paaien, en wat schoppen tegen de Hollanders is altijd een succesnummer. Gent hamert nu op Borssele, Antwerpen heeft z’n eigen thema: de uitdieping van de Schelde. Technisch gezien ís dat geen thema, de Schelde is immers al lang en breed uitgediept, maar dat hoeft de Antwerpse kiezer niet te weten. Al eerder schreef ik over de leugenachtige retoriek die in dit dossier de kop op steekt. Het is nu niet anders.

Op de Antwerpse Stadslijst, die wordt getrokken door de huidige burgemeester Patrick Janssens, staat op plaats 55 Marc Van Peel, die met trots de titel lijstduwer draagt. Duwkracht van Antwerpen, noemt hij het. Op zijn site is een ludiek filmpje te bekijken waarin Van Peel een Hollander in de Schelde duwt. Natuurlijk, dat is maar om te lachen, ook Van Peel wil de Hollanders niet dood. Het venijn zit in het inhoudelijke deel: ook hier weer worden de Hollanders afgeschilderd als booswichten die Antwerpen z’n haven en z’n welvaart af willen pakken. Onzin natuurlijk, maar kiezers smullen nu eenmaal van een complot.

Als er verkiezingen op til zijn spelen politici op sentiment, dat hebben we in Nederland ook gezien. Samsom met z’n kindjes, Rutte met brallerige praatjes over het rode gevaar en meeleven met slachtoffers, niet met daders – het is in ieder land hetzelfde. In België zijn de sentimenten alleen anders: daar scoor je met praatjes over arrogante Hollanders en luie Walen.

De VPRO besteedt iedere zondagavond aandacht aan België. Dat is goed, want over België  weten Nederlanders verdomd weinig, zelfs al denken ze dat Antwerpen van hun is. Canvas zou zoiets ook eens moeten uitzenden, over Nederland. Niet dat zo’n programma politici ervan zal weerhouden de anti-Hollandse kaart te trekken, ik maak mij wat dat betreft geen illusies meer. Het grote publiek kijkt niet naar Canvas en ook niet naar de VPRO. Maar ook kleine beetjes helpen.