Ongepast bier

Het is 2014, een jaar waarin veel zal worden stilgestaan bij de 100e verjaardag van de Eerste Wereldoorlog. In de theaters, op tv, in musea en op scholen, overal kom je de verhalen over “de grote oorlog” weer tegen. Dat is natuurlijk een goede zaak. Juist zo’n droevige, domme geschiedenis verdient het om keer en keer opnieuw verteld te worden, zeker ook omdat de gevolgen van die oorlog nog steeds actueel zijn – van West-Vlaanderen tot in Oekraïne.

Ook in de cafés wordt er tegenwoordig stilgestaan bij de Eerste Wereldoorlog. Toen ik gisteren het Belgisch biercafé van Alkmaar binnenstapte en mijn gebruikelijke vraag stelde – “Heb je nog wat nieuws, Remco?” – hield de kastelein een fles van een halve liter voor m’n neus. Halve liters zijn ongewoon in een Belgisch biercafé, maar er was wel meer ongewoon. Het bier heette Passchendaele en het was gebrouwen ter ere van de Eerste Wereldoorlog.

“Een halve liter, kom maar door,” zei ik, en het bier werd ingeschonken. De kleur van pils, de presentatie van pils, gelukkig ook het alcoholpercentage van pils, maar wel van hoge gisting en vol Vlaamse symboliek. Wat moest ik daar nu van denken?

Het etiket vertelde meer. ““When opening a bottle of Passchendaele, please hold a minute of silence to commemorate those who fell on the battlefield.” Nou nou. “The great beer”, stond er nog, blijkbaar als knipoog naar wat de Engelsen “the Great War” noemen. Great heeft meerdere betekenissen die ik zelf liever niet zo zou verwarren, maar goed, de keuze van de brouwer was een andere.

Een minuut stilte? Respect? Herdenken? Waar gaat dit allemaal over? Ik proefde een halve liter slap bier en verder vooral heel veel ronkende marketing. Wel marketing over de rug van dode soldaten. Dat heet dan respect.
Op het etiket stond zelfs een roosje afgebeeld, een verwijzing naar het gedicht “In Flanders Fields” (In Flanders fields the poppies blow). Ook voor de wereldliteratuur niets dan respect hoor.

Goed, we zaten in een kroeg, we waren de enige niet, al gauw gaat zo’n bier dan een eigen leven leiden. We verzonnen aan de lopende band andere ongepaste herdenkingsbieren. Wordt de Brand Sylvester ingeruild voor “NieuwjaarsBrand”, uit zogenaamd respect voor de Volendammers? Durft de Leidsche brouwerij een BennøL aan? Zouden we in 2045 heus Sobibier gaan drinken, “koosjer en nach Reinheitsgebot”…?

Kroegpraat, toogzever, allemaal supergrappig natuurlijk – maar dit bier is geen grap. Brouwerij Van Honsebrouck, ook bekend van de Kasteel-bieren, heeft werkelijk gedacht uit die nare oorlog een slaatje te kunnen slaan. Het is je reinste lijkenpikkerij. Al dat geouwehoer over respect en “a minute of silence” is opgeklopte marketing. “The Great Beer”, jawel.

Natuurlijk, ik weet het wel, zo’n brouwer moet ook z’n omzet halen, bier is nu eenmaal geen nobel kunstwerkje dat zonder winstbejag door toegewijde smulpapen wordt bereid. Je moet commercieel durven zijn. Dat vind ik allemaal best. Maar moet het dan echt zó? Wat mij betreft zijn er ook in de reclame nog wel ethische grenzen waar je rekening mee mag houden. Je zou hopen dat de potentiële klanten dat ook vinden.

Eén ding moet je Van Honsebrouck nageven: ze zijn wel stijlvast. Ook in mijn mond bleek de Passchendaele een smakeloos bier.

Advertenties

Bier in Portugal

Eind januari zat ik nog lekker in Portugal, in Lissabon. Wat daar winter heet voelde als lente. Het was warm, zonnig tussen de buien door, mooi en zeker ook gezellig. Mijn vriendin en ik hadden er voor wat dagen zelfs ’n stamcafé, Marcelino Pão e Vinho, en daar aten we inderdaad brood en we dronken er wijn. We kregen er de heerlijkste worsten en kazen bij te eten: gerookt, gerijpt, gekruid of een combinatie van die drie, en bijna leek het alsof al die smaken ook in de olijven en de wijn terugkwamen. Je zou denken, wie verlangt er dan nog naar bier, in een wijnland is het leven met wijn toch ook goed?

Toch kwamen we op de eerste avond, in hetzelfde barretje, al een bierliefhebber tegen. Het was een Australiër met een Nederlandse vader en een baantje bij een biercafé in Engeland, op wereldreis door Portugal, nu al wat dagen gestrand in ons deel van Lissabon. Hij was met de huiswijn best tevreden, maar zag geïnteresseerd toe hoe wij bijzondere flessen Alentejo en Douro open lieten maken en toen ging het al gauw echt over bier. In Lissabon was er niet veel te vinden, gaf hij toe, maar bij Marcelino hadden ze wel een stout op fles en die moesten we dan toch ‘ns proeven.

Super Bock Stout, het klinkt al wat verdacht. Super Bock is een grote, commerciële brouwerij die vooral matig pils verkoopt en dan nog ’n stout die aardig wegslobbert, maar op wat chocoladetonen na niet blijft hangen. Zou dat niet beter kunnen in een land met zulke grote wijnen en zulke heerlijke kazen? Reetbier bracht soelaas: ergens in een buitenwijk zou zich een biercafé ophouden, Gallus, en met de metro moesten we daar wel kunnen komen. Mijn vriendin en ik stonden de volgende dag rond lunchtijd dan ook aan de uitgang van een metrostation in een buitenwijk vol blokkendozen. Boven ons hoorde we de aanvliegroute die we de dag ervoor zelf nog genomen hadden.

bier in portugal

Gallus zat in een modern woonblok, tussen bouwputten in. De crisis had alles wat vertraagd, maar het bier was blijven borrelen. Weer een stoutachtige, Maldita Robust Porter, waarin gelukkig al wat meer vuur te herkennen was (koffie, cacao, vrij wat karamel), maar waarvan de textuur toch echt te waterig bleef. Gelukkig kwamen er verrassend degelijke IPA’s van de tap: Sovina IPA, groen en kruidig, plezierig bitter, in balans, Engels, en dan nog een “naamloze IPA”, gebrouwen door brouwerswinkel Oficina da Cerveja, en eigenlijk nog niet officieel te koop. We mochten hem toch proeven: zacht-moutig, romig, fruitige hop, wederom wat Engels in stijl (en dat waardeer ik zelf wel). Niet Engels, maar wel erg geslaagd was Maldita Bohemian Pilsener, die qua hoppigheid moeiteloos stand hield naast de IPA’s.

Goed bier in Portugal, het bestaat dus, maar je moet er echt naar zoeken en als je dan eindelijk onder die aanvliegroute zit merk je meteen waarom: er is niet veel belangstelling voor. We waren de enigen bij Gallus, wat de hartelijke mensen van Gallus zelf zeker goed maakten, maar toch. Voor de echte sfeer waren we gauw weer bij Marcelino terug. In Portugal drink je wijn, gewoon, omdat dat is wat de Portugezen doen – en als het ze uitkomt de Australiërs ook.

Echt bier uit Olland

Gisteravond was er weer even bier op televisie. Het was op Canvas, “België Twee” voor veel Nederlanders, dus er werd vooral over Belgisch bier gepraat. Aanleiding voor het item in Reyers Laat was het bericht dat er steeds minder monniken zouden zijn, en dat zou dan toch gevolgen kunnen hebben voor het brouwen van trappist, nietwaar? Het was al meteen duidelijk dat het vooral een opvullertje was, een geestige afsluiter van het programma, maar daar mag bier natuurlijk best voor dienen.

Uitgenodigd was een bierliefhebber met een baard: Jef Van den Steen. Van den Steen brouwt zelf bier, onder meer Ondineke (een fruitige tripel) en Saison d’Erpe-Mere, maar schrijft daarnaast ook boeken over bier. De man benadrukte dat hij zytholoog was, dat was beter dan “bieroloog”, want zythos was Grieks. Hij was een echte kenner. Met die binnenkomer zat er spanning in de uitzending: ging deze kenner ons iets leren, zou hij veilig aan de oppervlakte blijven, of zou hij fouten maken? Het werd een combinatie van die drie.

Zes flesjes bier werden binnengedragen, met het bijpassende glas. Zes Belgische trappisten: Achel, Chimay, Orval, Rochefort, Westmalle en Westvleteren. Klassieke namen. De buitenlandse trappisten kwamen pas later aan bod. Eerst bestelde iedereen een biertje. Jef nam Orval en de presentator Westmalle, wat een goede keuze was, aldus de zytholoog. De vrouw aan tafel werd door de presentator niets aangeboden, gelukkig greep een gast in. Met z’n tweeën deelden ze zijn Westvleteren.

Wat zijn trappisten nu eigenlijk, vroeg de presentator. Jef deed een keurige uitleg, met een uitstapje naar Nederland (Koningshoeven, bekend van La Trappe, zou te commercieel zijn). Ook legde hij uit dat een tekort aan monniken eigenlijk niet speelt, het meeste bier wordt door leken gebrouwen, zolang er maar ’n monnik op toeziet is ’t al goed. Oef.

“Nog een vraag,” zei de presentator. “Er is een nieuwe trappist bij gekomen, uit Nederland. Wat vind je daar nu van, dat de Nederlanders mee op de kar springen?” Wel, daar begon Jef Van den Steen zowaar positief: een zeer lekker bier. Maar: on-Nederlands.

On-Nederlands?
Wel, zei de zytholoog, het is een mooi uitgegist bier, helemaal niet zo zoet. Terwijl de Nederlandse smaak juist heel zoet is, kijk maar naar La Trappe. De Zundert is niet zo zoet. Dat maakt deze trappist dus on-Nederlands, voilà.
“Ah,” zei de studiogast die eerder het meisje een deel van z’n Westvleteren had geschonken, “dit is dus het eerste échte bier uit Holland.”
Gelach.

We waren weer rond. Als Belgen over bier praten, dan moet er ook weer even worden gekankerd op de erfvijand uit het noorden, ook als er voor dat gekanker domme vooroordelen nodig zijn. Je zou toch denken dat zo’n “zytholoog” wel beter weet. Er is meer Nederlands bier dan La Trappe en dat bier is gemiddeld juist verrassend bitter. Bitterheid kun je meten (EBU), maar je kunt het ook gewoon proeven.

Toch is het een oud verhaal in België. Door brouwerij Jessenhofke werd me al eens op de mouw gespeld dat grote Belgische bieren als Duvel en Westmalle worden aangezoet voor de Nederlandse markt, “anders drinkt een Hollander het niet.”

Proeven kan alleen onbevooroordeeld. Een zytholoog zou wat mij betreft in de eerste plaats een goede proever moeten zijn, ook al is dat geen Grieks woord. Met dit soort laffe clichés is niemand geholpen, tenzij het je natuurlijk niet om bier gaat, maar om kneuterig chauvinisme voor als de aftiteling al loopt.

Bier en regelgeving

Er zijn zoveel zaken waar ’n mens van genieten kan. Ik geniet lang niet van allemaal, dat zou belachelijk zijn, maar ook ik heb meer hobby’s dan bier alleen. Ik houd van taal, bijvoorbeeld, ik vind reizen leuk, ik kan genieten van de natuur en van de wolken en verder houd ik van lezen. Voor wie ’t volgen wil, recent heb ik een verhalenbundel van Hermans uitgelezen, “De laatste roker”, en daarvoor toneelstukken van Bredero.

Het titelverhaal van “De laatste roker” gaat over een bizarre toekomst waarin roken verboden is en het Nederlands als officiële taal is afgeschaft en door het Engels is vervangen. De hoofdpersoon probeert tegen beter weten in toch nog ‘ns op straat te roken, wordt opgepakt en komt later zelfs pijnlijk aan z’n einde, want die zwartgallige wereld van Hermans is niet alleen regelziek, maar ook vol willekeur.

Het verhaal heb ik rustig uitgelezen. Dat mocht ik namelijk gewoon. Hermans kan soms beklemmend zijn, maar geen moment twijfelde ik eraan dat ik lezen mocht. Bij m’n andere hobby’s is dat niet anders. Ik leer talen en niemand verbiedt mij dat. Ik kijk naar een vlucht spreeuwen en niemand beboet mij. Zelfs als ik reis heb ik, in ieder geval binnen de Schengenzone, weinig regelgeving te duchten.

Hoe anders is dat met bier, de hobby waar ik hier meestal over schrijf. Mag ik er eigenlijk wel zo over schrijven? Is dat al geen reclame, maak ik mensen niet te dorstig naar alcohol? Ik ben nog nooit aangeklaagd, maar soms verwacht ik dat wel. Want er zijn veel regels en ze veranderen steeds.

Stel, ik zou nog zestien zijn. Toen ik zestien was proefde ik al ‘ns ’n bockbiertje. Wie nu zestien is mag dat ook – maar volgend jaar mag ‘ie dat niet meer.

Toen ik zeventien was, dronk ik soms al ‘ns bier in Amsterdam. Dan ging ik met wat vrienden naar In de Wildeman of ’t Arendsnest. De BeerTemple bestond toen nog niet en brouwerijcafés waren te ver weg, maar dat deerde niet. We proefden en testten onszelf. Nu zouden we illegaal zijn.

Toen ik achttien was ben ik wel ‘ns ’n tikje dronken geworden in zo’n Amsterdams café. Ik staarde met één oog naar de tapkaart, omdat ik met twee niet meer scherp kon stellen. De barman lachte en zei dat ’t m’n laatste was geweest. Ik gaf hem gelijk. Zo ging dat toen. Hoe gaat het straks? Wordt dronkenschap in de kroeg verboden?

En altijd zijn er die accijns. Ik betaal ze braaf. Dat wil zeggen: de kroegbaas betaalt ze, als ‘ie z’n bier inkoopt, en rekent ze door aan mij. Als zo’n man een fust van twintig liter bestelt, en er zonder statiegeld € 45,- voor betaalt, dan is toch al ’n kwart van de bierprijs accijns.

Het grootste probleem is niet zozeer dat al die regelgeving mijn hobby beperkt, ach nee, ik laat mij niets verbieden – het probleem is dat ze mijn hobby ontként.

Die accijns bijvoorbeeld, die wordt niet op het percentage alcohol berekend, maar op het stamwortgehalte. Pils heeft een laag stamwortgehalte, speciaalbier heeft een hoog stamwortgehalte. Voor genietersbier bepaal je dus veel meer accijns. Een Emelisse van 2,5% alcohol, vers getapt, daar word je voor beboet. Een blik bocht van 10% uit de supermarkt, ach, ’n paar cent accijns en klaar ben je.

Zo is ’t ook met die alcoholleeftijd, natuurlijk. “Ja, de comazuipers worden aangepakt,” zegt Den Haag. Maar comazuipers nippen geen bockbiertjes. Dat heeft geen effect. Comazuipers zuipen wodka en wodka was altijd al verboden voor wie jonger dan 18 was. Nu is het signaal: alle alcohol is gelijk, wodka of pils, maar pas op met genietersbieren, want daar betaal je voor.

Hermans schrijft ergens: alleen in straten vol boekwinkels heb ik het gevoel in een wereld te leven die rekening met mij houdt. Het lijkt er inderdaad op dat er elders bar weinig rekening gehouden wordt met mensen die in alle rust ‘ns van iets moois willen genieten. De bierliefhebber moet vooral rekening houden met de regelgeving, en met de volstrekte willekeur daarvan.

Polen, Slowakije, Tsjechië

Al anderhalve week ben ik terug van vakantie. Dat ik nog maar moeilijk wen, blijkt uit mijn voorgaande bericht. Dat ik met plezier aan mijn vakantie terugdenk moet dan maar uit dit verhaal gaan blijken. Soms lijkt het wel alsof terugdenken al te veel tijd kost. Ik heb m’n foto’s nog niet eens bewerkt. Mijn lijst met bierrecensies is nog niet op Ratebeer gezet. Misschien moet ik dat ook maar niet meer doen.

De vakantie begon in Warschau. In Warschau was ik al eerder geweest, eind 2011. Toen was het kersttijd. De stad was koud, maar er kwam ’n mooi zonnetje door de wolken heen en ik zag, dat ik er wel van kon houden. Bij Warschau moet je dat altijd uitleggen. Weinig Europese hoofdsteden hebben zo’n gaaf historisch centrum, maar ja, dat van Warschau is dan ook herbouwd. Die geschiedenis hè. Het moet er altijd over gaan.

Dat Polen ook een toekomst heeft blijkt uit het bier. Het Polen van de vooroordelen, dat is heel veel wódka en dan misschien ‘ns afpilsen met blikbier dat bij ons in supermarkten aan zwervers wordt verkocht. Het Polen van de toekomst rekent daar mee af. Toen we het station uitwandelden was daar al meteen een biertuin met bier in allerlei stijlen (Ciechan).

WBP13 011

Ons hostel zat in een blokkendoos, dat wel. Dit was het voormalige getto. Iets verderop was de muur in de stoep verbeeld. We wandelden en ontdekten macabere ruïnes. Maar ergens in een kelder zat een biercafé, met heel veel taps en Aziatisch eten. De taps boeiden me het meest. Prachtige IPA’s. Knappe porters. Leuke experimenten. Zo smaakt de toekomst van Polen.

We bezochten in Warschau meer biercafés. Dat bier de toekomst is, zag je ook aan de interieurs. Modern, gelikt vaak. Het publiek was jong en soms ook rijk. Eén biercafé zat naast de winkel waar Ferrari’s werden verkocht. Gelukkiger waren er ook gezelliger lokalen.

In Tsjechië zou dat allemaal anders wezen, ik verwachtte dat en het bleek ook zo te zijn. In Tsjechië is bier traditie. Cafés zijn doorleefd, het publiek is gemengd, de sfeer is meestal heel gemoedelijk en los. Met de Tsjechen heb je zo een praatje. Met de Polen ook, maar niet zo gauw in een biercafé.

Slowakije lag er een beetje tussenin. Dat klinkt flauw, maar ik moet het zo zeggen. Men drinkt er veel wijn, maar bier is er al lang bekend. Daarom zie je er vast ook zo veel traditionele stijlen. Experiment lijkt voorbehouden aan brouwerij Kaltenecker, en die naam zagen we vaker in Praag dan in Bratislava. De brouwerijcafés waren hip. In de volkskroegjes dronk men Tsjechisch pils of Slowaakse wijn. Ik kon het moeilijk peilen, maar amuseerde me wel, vooral ook omdat Bratislava zo’n plezierig overzichtelijke stad was.

Vooroordelen weerleggen is het leukst. Een bloeiende biercultuur ontdekken in Polen, wie verwacht dat? Wanneer worden de parels van Pinta of Artezan eens naar Nederland geëxporteerd? Daarover schrijf ik het liefst natuurlijk, over de verrassingen. Maar dat Praag was zoals iedereen verwachtte… Ach, dat beviel me ook heel erg. Stel je voor dat het een tegenvaller zou zijn geweest! Dan had ik voor niets Tsjechisch geleerd, dat is ergere verspilling dan bierdrinken in een oude Praagse tram.

De prijs van bier

Gisteren bezocht ik twee biergebeurens. Er gebeurt ook zo veel. De kranten schrijven er zelfs over, na al die jaren van groei en bloei in de Nederlandse biercultuur. Toch blijft het verrassen. Bij het laatste biergebeuren, gisteravond, passeerden er meisjes met witte gympjes en een Gooise r die zich geërgerd afvroegen “wat dit nou weer allemaal was”. Maar niet iedereen leest kranten.

Ook voor mij blijft het een vreemde wereld. Dat is gek, want ik loop toch al een tijdje rond in het bierdorp van Nederland. Ik kom de hele tijd bekenden tegen. De biercafés, de slijterijen, de festivals: ik ken ze, ik frequenteer ze. Als er dingen veranderen zou ik het moeten zien. En toch was ik gisteravond zo overdonderd dat ik nauwelijks aarzelde en twintig euro gaf. Twintig euro?

Die middag was ik nog in Wormer. Voor nog geen twaalf euro dronk ik daar zes biertjes. Ik begon met ’n hoppig bier van Rooie Dop, laag in alcohol, want dat is stilaan mode, bier met weinig alcohol. Verder dronk ik allerlei stouts, de een hoppiger dan de andere, soms met lactose of rogge of koffie weer. Het was goed.

In Amsterdam at ik bij Hofje van Wijs, waar ik m’n bier cadeau kreeg. De eigenaar wandelde met ons mee naar De Bierkoning, want daar zou het tweede biergebeuren plaatsvinden. Na het gemoedelijke festival in Wormer was ik toch wel benieuwd naar dit grootstedelijke gebeuren, “Zwanze”. Een presentatie van een nieuw Belgisch bier.

Het was druk, er stond een rij. Om acht uur ging de deur pas open. Blijkbaar was er een parcours van regels voor ons uitgezet. Een ganzenbord van rijen. Achterin de smalle winkel stonden taps, daar moesten we heen, en als we daar dan bier gekregen hadden leidde de route terug naar buiten, waar op de stoep gedronken werd.

Wist ik veel. Ik kende deze hele etiquette niet. Was bier wijn geworden? Er waren andere meisjes met een r die bitsten dat ik me maar had moeten inlezen. Gelukkig waren er meer onwetenden. “Kan ik hier pinnen?” Ik had contanten. Twintig euro betaalde ik, zomaar. “Pardoes” zou ik bijna zeggen, maar dat is geen hip woord. Zwanze is een hip woord. Jongens met baardjes schreeuwden het.

Voor die twintig euro kreeg ik een strippenkaart met vier vakjes. Vier biertjes, in kleine proefglaasjes. Dit was ganzenborden met een hoge inleg. Maar ik stond al in de rij. We klaagden over bieraccijns en over lelijke etiketten. Dit waren geen accijns, zei het bestuurslid, accijns kost je maar twee cent. Wat was het dan wel?

Pas om negen uur was er Zwanze. We werden opgewarmd met twee Amerikaanse biertjes. Hoppig, best fijn. De Zwanze was zoetzuur en ook best fijn. Een uurtje later was er nog een grand cru. Bier, geen wijn. Ik wilde mijn trein halen. We stootten en duwden ons de rij weer door, terug. Kwam er al een tram?

Bierdrinken is geen idealisme. Daar gaat het me ook niet om. Maar toch vond ik ’t wel aardig, in het begin, om te schamperen op die wijnkenners die honderden euro’s voor een fles neertelden en daar dan elitair mee deden. “Bier is tenminste bier,” zeiden we dan, en dronken. In Wormer was dat nog steeds zo. Geen gedoe, gemoedelijk drinken, het bierdorp. De achterdeur is altijd los.

Amsterdam was bierstad, gisteren, met moeilijke regels en sommen gelds. De prijs van de vooruitgang? In Het Parool stond dat Rutte het bier te duur maakte met z’n accijns. Wilders was tegen. Maar Wilders kent het bierdorp niet. Wie neemt het voor ons op, gemoedelijke, simpele dorpelingen, met een glaasje aan de Zaan of desnoods de Grote Sloot? Is dit Ganzenbord of Monopoly?

Twee dagen wilde gist

Carnivale, zo heette het kortweg, het bierfestival dat dit weekend in Amsterdam werd georganiseerd. Over de volle naam was er wat discussie, verschillende media gebruikten verschillende namen, maar op de poster stond Carnivale brettanomyces en andere wilde bieren. Of waren het toch wilde dieren? “Prachtig, dat mensen zich daar zo druk over maken,” reageerde organisator Jan Lemmens desgevraagd. Waarmee het mysterie bleef.

Carnivale brettanomyces

Mysteries bleven mysteries, het hele weekend lang. Wat brett precies is? Nou, wilde gist dus, maar daar zijn verschillende soorten van en die hebben verschillende effecten op het bier. Een vaag antwoord, want zodra ik meer zeg schop ik tegen schenen. Brett is vooral persoonlijk. Maakt brett bier zuur? Soms, maar zeg dat liever niet. Kan brett altijd? Was brett ooit algemeen? Zoveel mensen, zoveel antwoorden. En dus was er vooral heel veel smaak.

Carnivale was nieuw, maar vorig jaar was er wel een voorganger. Toen heb ik me al aan het mysterie overgegeven. Brett moet je niet snappen, brett moet je proeven. Dat deed ik dan ook, vrijdag en zaterdag. Ik was zeker niet de enige. Het was een druk festival, internationaal ook, uit heel de wereld kwamen brettgekken naar Amsterdam.

De mysteries en de antwoorden deden het hele festival lang een merkwaardige dans met elkaar. De gebruikelijke kroegpraat over het weer, voetbal, de belabberde regering en onbereikbare vrouwen maakte ineens plaats voor diepzinnige beschouwingen over wat brett eigenlijk was. En dat was de bedoeling. Er waren zelfs masterclasses, die ik één voor één miste.

De eerste masterclass die ik miste was van Ron Pattinson, die vertelde over de Britse brettbieren van weleer. Dat was vrijdag. Zaterdagmiddag, net na twaalf uur, zat Ron in café In de Wildeman en ik ook. Onder het genot van een kopstoot herhaalde hij zijn college. Brits bier werd lang gerijpt, zó, dat het wilde gisten op kon vangen. “Hoe lang?” vroeg ik. “Zeker een zomer lang, maar soms nog langer.” Ik citeer hem niet helemaal juist, want Ron meanderde galant van Engels naar Nederlands en weer terug, maar de strekking was helder: de gisten konden lang hun gang gaan in het bier.

Toen ik de dag ervoor Rons masterclass miste, leunde ik tegen de bar van de BeerTemple en ontmoette ik Urbain Coutteau, een echte Struise Brouwer. Hij vertelde over het lastige karakter van de wilde gisten. “De tijd maakt ook verschil,” legde Urbain uit, “in het voorjaar, maart-april, is het goed, in het najaar ook. Maar in de zomer zijn er heel veel brettanomyces in de lucht, dat is een risico. In de winter heb je dan weer niet genoeg.”

Het mysterie was weer hersteld. Moet een brettbier een zomer lang gist liggen happen, of moet het dat alleen in het voor- of najaar doen? Rons bronnen beweerden het eerste, maar Urbains brouwervaring deed hem het tweede concluderen. Zo was elk verhaal weer een verrassing. Ook de presentatie van Frank Boon, de bekende geuzemaker, verraste: geuze zou door Nederlanders zijn bedacht, zij het per ongeluk. Bier of mythe?

Ach, die mysteries… De verrassingen maakten het leuk. Vorig jaar was voor mij het hoogtepunt een bier met wild Veluws gist, dat daardoor naar dennen smaakte. Nu viel ik voor een Duits bier met veel karamel en ook nog brett, van FritzAle. Het was eigenlijk een guilty pleasure, zo zoetig en gebrand – ik had het niet verwacht en ik had al helemaal niet verwacht dat ik het lekker zou vinden.

Twee dagen wilde gist waren twee dagen vol vragen en verwachtingen. Twee heerlijke dagen. Ik vraag vooral naar meer, naar nóg zo’n festival, nog twee van die dagen vol brett en ontmoetingen. En ik verwacht dat dat wel zal lukken ook. Er komt vast een nieuw brettfestival. Tot volgend jaar!