Bier in Portugal

Eind januari zat ik nog lekker in Portugal, in Lissabon. Wat daar winter heet voelde als lente. Het was warm, zonnig tussen de buien door, mooi en zeker ook gezellig. Mijn vriendin en ik hadden er voor wat dagen zelfs ’n stamcafé, Marcelino Pão e Vinho, en daar aten we inderdaad brood en we dronken er wijn. We kregen er de heerlijkste worsten en kazen bij te eten: gerookt, gerijpt, gekruid of een combinatie van die drie, en bijna leek het alsof al die smaken ook in de olijven en de wijn terugkwamen. Je zou denken, wie verlangt er dan nog naar bier, in een wijnland is het leven met wijn toch ook goed?

Toch kwamen we op de eerste avond, in hetzelfde barretje, al een bierliefhebber tegen. Het was een Australiër met een Nederlandse vader en een baantje bij een biercafé in Engeland, op wereldreis door Portugal, nu al wat dagen gestrand in ons deel van Lissabon. Hij was met de huiswijn best tevreden, maar zag geïnteresseerd toe hoe wij bijzondere flessen Alentejo en Douro open lieten maken en toen ging het al gauw echt over bier. In Lissabon was er niet veel te vinden, gaf hij toe, maar bij Marcelino hadden ze wel een stout op fles en die moesten we dan toch ‘ns proeven.

Super Bock Stout, het klinkt al wat verdacht. Super Bock is een grote, commerciële brouwerij die vooral matig pils verkoopt en dan nog ’n stout die aardig wegslobbert, maar op wat chocoladetonen na niet blijft hangen. Zou dat niet beter kunnen in een land met zulke grote wijnen en zulke heerlijke kazen? Reetbier bracht soelaas: ergens in een buitenwijk zou zich een biercafé ophouden, Gallus, en met de metro moesten we daar wel kunnen komen. Mijn vriendin en ik stonden de volgende dag rond lunchtijd dan ook aan de uitgang van een metrostation in een buitenwijk vol blokkendozen. Boven ons hoorde we de aanvliegroute die we de dag ervoor zelf nog genomen hadden.

bier in portugal

Gallus zat in een modern woonblok, tussen bouwputten in. De crisis had alles wat vertraagd, maar het bier was blijven borrelen. Weer een stoutachtige, Maldita Robust Porter, waarin gelukkig al wat meer vuur te herkennen was (koffie, cacao, vrij wat karamel), maar waarvan de textuur toch echt te waterig bleef. Gelukkig kwamen er verrassend degelijke IPA’s van de tap: Sovina IPA, groen en kruidig, plezierig bitter, in balans, Engels, en dan nog een “naamloze IPA”, gebrouwen door brouwerswinkel Oficina da Cerveja, en eigenlijk nog niet officieel te koop. We mochten hem toch proeven: zacht-moutig, romig, fruitige hop, wederom wat Engels in stijl (en dat waardeer ik zelf wel). Niet Engels, maar wel erg geslaagd was Maldita Bohemian Pilsener, die qua hoppigheid moeiteloos stand hield naast de IPA’s.

Goed bier in Portugal, het bestaat dus, maar je moet er echt naar zoeken en als je dan eindelijk onder die aanvliegroute zit merk je meteen waarom: er is niet veel belangstelling voor. We waren de enigen bij Gallus, wat de hartelijke mensen van Gallus zelf zeker goed maakten, maar toch. Voor de echte sfeer waren we gauw weer bij Marcelino terug. In Portugal drink je wijn, gewoon, omdat dat is wat de Portugezen doen – en als het ze uitkomt de Australiërs ook.

Echt bier uit Olland

Gisteravond was er weer even bier op televisie. Het was op Canvas, “België Twee” voor veel Nederlanders, dus er werd vooral over Belgisch bier gepraat. Aanleiding voor het item in Reyers Laat was het bericht dat er steeds minder monniken zouden zijn, en dat zou dan toch gevolgen kunnen hebben voor het brouwen van trappist, nietwaar? Het was al meteen duidelijk dat het vooral een opvullertje was, een geestige afsluiter van het programma, maar daar mag bier natuurlijk best voor dienen.

Uitgenodigd was een bierliefhebber met een baard: Jef Van den Steen. Van den Steen brouwt zelf bier, onder meer Ondineke (een fruitige tripel) en Saison d’Erpe-Mere, maar schrijft daarnaast ook boeken over bier. De man benadrukte dat hij zytholoog was, dat was beter dan “bieroloog”, want zythos was Grieks. Hij was een echte kenner. Met die binnenkomer zat er spanning in de uitzending: ging deze kenner ons iets leren, zou hij veilig aan de oppervlakte blijven, of zou hij fouten maken? Het werd een combinatie van die drie.

Zes flesjes bier werden binnengedragen, met het bijpassende glas. Zes Belgische trappisten: Achel, Chimay, Orval, Rochefort, Westmalle en Westvleteren. Klassieke namen. De buitenlandse trappisten kwamen pas later aan bod. Eerst bestelde iedereen een biertje. Jef nam Orval en de presentator Westmalle, wat een goede keuze was, aldus de zytholoog. De vrouw aan tafel werd door de presentator niets aangeboden, gelukkig greep een gast in. Met z’n tweeën deelden ze zijn Westvleteren.

Wat zijn trappisten nu eigenlijk, vroeg de presentator. Jef deed een keurige uitleg, met een uitstapje naar Nederland (Koningshoeven, bekend van La Trappe, zou te commercieel zijn). Ook legde hij uit dat een tekort aan monniken eigenlijk niet speelt, het meeste bier wordt door leken gebrouwen, zolang er maar ’n monnik op toeziet is ’t al goed. Oef.

“Nog een vraag,” zei de presentator. “Er is een nieuwe trappist bij gekomen, uit Nederland. Wat vind je daar nu van, dat de Nederlanders mee op de kar springen?” Wel, daar begon Jef Van den Steen zowaar positief: een zeer lekker bier. Maar: on-Nederlands.

On-Nederlands?
Wel, zei de zytholoog, het is een mooi uitgegist bier, helemaal niet zo zoet. Terwijl de Nederlandse smaak juist heel zoet is, kijk maar naar La Trappe. De Zundert is niet zo zoet. Dat maakt deze trappist dus on-Nederlands, voilà.
“Ah,” zei de studiogast die eerder het meisje een deel van z’n Westvleteren had geschonken, “dit is dus het eerste échte bier uit Holland.”
Gelach.

We waren weer rond. Als Belgen over bier praten, dan moet er ook weer even worden gekankerd op de erfvijand uit het noorden, ook als er voor dat gekanker domme vooroordelen nodig zijn. Je zou toch denken dat zo’n “zytholoog” wel beter weet. Er is meer Nederlands bier dan La Trappe en dat bier is gemiddeld juist verrassend bitter. Bitterheid kun je meten (EBU), maar je kunt het ook gewoon proeven.

Toch is het een oud verhaal in België. Door brouwerij Jessenhofke werd me al eens op de mouw gespeld dat grote Belgische bieren als Duvel en Westmalle worden aangezoet voor de Nederlandse markt, “anders drinkt een Hollander het niet.”

Proeven kan alleen onbevooroordeeld. Een zytholoog zou wat mij betreft in de eerste plaats een goede proever moeten zijn, ook al is dat geen Grieks woord. Met dit soort laffe clichés is niemand geholpen, tenzij het je natuurlijk niet om bier gaat, maar om kneuterig chauvinisme voor als de aftiteling al loopt.

Polen, Slowakije, Tsjechië

Al anderhalve week ben ik terug van vakantie. Dat ik nog maar moeilijk wen, blijkt uit mijn voorgaande bericht. Dat ik met plezier aan mijn vakantie terugdenk moet dan maar uit dit verhaal gaan blijken. Soms lijkt het wel alsof terugdenken al te veel tijd kost. Ik heb m’n foto’s nog niet eens bewerkt. Mijn lijst met bierrecensies is nog niet op Ratebeer gezet. Misschien moet ik dat ook maar niet meer doen.

De vakantie begon in Warschau. In Warschau was ik al eerder geweest, eind 2011. Toen was het kersttijd. De stad was koud, maar er kwam ’n mooi zonnetje door de wolken heen en ik zag, dat ik er wel van kon houden. Bij Warschau moet je dat altijd uitleggen. Weinig Europese hoofdsteden hebben zo’n gaaf historisch centrum, maar ja, dat van Warschau is dan ook herbouwd. Die geschiedenis hè. Het moet er altijd over gaan.

Dat Polen ook een toekomst heeft blijkt uit het bier. Het Polen van de vooroordelen, dat is heel veel wódka en dan misschien ‘ns afpilsen met blikbier dat bij ons in supermarkten aan zwervers wordt verkocht. Het Polen van de toekomst rekent daar mee af. Toen we het station uitwandelden was daar al meteen een biertuin met bier in allerlei stijlen (Ciechan).

WBP13 011

Ons hostel zat in een blokkendoos, dat wel. Dit was het voormalige getto. Iets verderop was de muur in de stoep verbeeld. We wandelden en ontdekten macabere ruïnes. Maar ergens in een kelder zat een biercafé, met heel veel taps en Aziatisch eten. De taps boeiden me het meest. Prachtige IPA’s. Knappe porters. Leuke experimenten. Zo smaakt de toekomst van Polen.

We bezochten in Warschau meer biercafés. Dat bier de toekomst is, zag je ook aan de interieurs. Modern, gelikt vaak. Het publiek was jong en soms ook rijk. Eén biercafé zat naast de winkel waar Ferrari’s werden verkocht. Gelukkiger waren er ook gezelliger lokalen.

In Tsjechië zou dat allemaal anders wezen, ik verwachtte dat en het bleek ook zo te zijn. In Tsjechië is bier traditie. Cafés zijn doorleefd, het publiek is gemengd, de sfeer is meestal heel gemoedelijk en los. Met de Tsjechen heb je zo een praatje. Met de Polen ook, maar niet zo gauw in een biercafé.

Slowakije lag er een beetje tussenin. Dat klinkt flauw, maar ik moet het zo zeggen. Men drinkt er veel wijn, maar bier is er al lang bekend. Daarom zie je er vast ook zo veel traditionele stijlen. Experiment lijkt voorbehouden aan brouwerij Kaltenecker, en die naam zagen we vaker in Praag dan in Bratislava. De brouwerijcafés waren hip. In de volkskroegjes dronk men Tsjechisch pils of Slowaakse wijn. Ik kon het moeilijk peilen, maar amuseerde me wel, vooral ook omdat Bratislava zo’n plezierig overzichtelijke stad was.

Vooroordelen weerleggen is het leukst. Een bloeiende biercultuur ontdekken in Polen, wie verwacht dat? Wanneer worden de parels van Pinta of Artezan eens naar Nederland geëxporteerd? Daarover schrijf ik het liefst natuurlijk, over de verrassingen. Maar dat Praag was zoals iedereen verwachtte… Ach, dat beviel me ook heel erg. Stel je voor dat het een tegenvaller zou zijn geweest! Dan had ik voor niets Tsjechisch geleerd, dat is ergere verspilling dan bierdrinken in een oude Praagse tram.

De prijs van bier

Gisteren bezocht ik twee biergebeurens. Er gebeurt ook zo veel. De kranten schrijven er zelfs over, na al die jaren van groei en bloei in de Nederlandse biercultuur. Toch blijft het verrassen. Bij het laatste biergebeuren, gisteravond, passeerden er meisjes met witte gympjes en een Gooise r die zich geërgerd afvroegen “wat dit nou weer allemaal was”. Maar niet iedereen leest kranten.

Ook voor mij blijft het een vreemde wereld. Dat is gek, want ik loop toch al een tijdje rond in het bierdorp van Nederland. Ik kom de hele tijd bekenden tegen. De biercafés, de slijterijen, de festivals: ik ken ze, ik frequenteer ze. Als er dingen veranderen zou ik het moeten zien. En toch was ik gisteravond zo overdonderd dat ik nauwelijks aarzelde en twintig euro gaf. Twintig euro?

Die middag was ik nog in Wormer. Voor nog geen twaalf euro dronk ik daar zes biertjes. Ik begon met ’n hoppig bier van Rooie Dop, laag in alcohol, want dat is stilaan mode, bier met weinig alcohol. Verder dronk ik allerlei stouts, de een hoppiger dan de andere, soms met lactose of rogge of koffie weer. Het was goed.

In Amsterdam at ik bij Hofje van Wijs, waar ik m’n bier cadeau kreeg. De eigenaar wandelde met ons mee naar De Bierkoning, want daar zou het tweede biergebeuren plaatsvinden. Na het gemoedelijke festival in Wormer was ik toch wel benieuwd naar dit grootstedelijke gebeuren, “Zwanze”. Een presentatie van een nieuw Belgisch bier.

Het was druk, er stond een rij. Om acht uur ging de deur pas open. Blijkbaar was er een parcours van regels voor ons uitgezet. Een ganzenbord van rijen. Achterin de smalle winkel stonden taps, daar moesten we heen, en als we daar dan bier gekregen hadden leidde de route terug naar buiten, waar op de stoep gedronken werd.

Wist ik veel. Ik kende deze hele etiquette niet. Was bier wijn geworden? Er waren andere meisjes met een r die bitsten dat ik me maar had moeten inlezen. Gelukkig waren er meer onwetenden. “Kan ik hier pinnen?” Ik had contanten. Twintig euro betaalde ik, zomaar. “Pardoes” zou ik bijna zeggen, maar dat is geen hip woord. Zwanze is een hip woord. Jongens met baardjes schreeuwden het.

Voor die twintig euro kreeg ik een strippenkaart met vier vakjes. Vier biertjes, in kleine proefglaasjes. Dit was ganzenborden met een hoge inleg. Maar ik stond al in de rij. We klaagden over bieraccijns en over lelijke etiketten. Dit waren geen accijns, zei het bestuurslid, accijns kost je maar twee cent. Wat was het dan wel?

Pas om negen uur was er Zwanze. We werden opgewarmd met twee Amerikaanse biertjes. Hoppig, best fijn. De Zwanze was zoetzuur en ook best fijn. Een uurtje later was er nog een grand cru. Bier, geen wijn. Ik wilde mijn trein halen. We stootten en duwden ons de rij weer door, terug. Kwam er al een tram?

Bierdrinken is geen idealisme. Daar gaat het me ook niet om. Maar toch vond ik ’t wel aardig, in het begin, om te schamperen op die wijnkenners die honderden euro’s voor een fles neertelden en daar dan elitair mee deden. “Bier is tenminste bier,” zeiden we dan, en dronken. In Wormer was dat nog steeds zo. Geen gedoe, gemoedelijk drinken, het bierdorp. De achterdeur is altijd los.

Amsterdam was bierstad, gisteren, met moeilijke regels en sommen gelds. De prijs van de vooruitgang? In Het Parool stond dat Rutte het bier te duur maakte met z’n accijns. Wilders was tegen. Maar Wilders kent het bierdorp niet. Wie neemt het voor ons op, gemoedelijke, simpele dorpelingen, met een glaasje aan de Zaan of desnoods de Grote Sloot? Is dit Ganzenbord of Monopoly?

Twee dagen wilde gist

Carnivale, zo heette het kortweg, het bierfestival dat dit weekend in Amsterdam werd georganiseerd. Over de volle naam was er wat discussie, verschillende media gebruikten verschillende namen, maar op de poster stond Carnivale brettanomyces en andere wilde bieren. Of waren het toch wilde dieren? “Prachtig, dat mensen zich daar zo druk over maken,” reageerde organisator Jan Lemmens desgevraagd. Waarmee het mysterie bleef.

Carnivale brettanomyces

Mysteries bleven mysteries, het hele weekend lang. Wat brett precies is? Nou, wilde gist dus, maar daar zijn verschillende soorten van en die hebben verschillende effecten op het bier. Een vaag antwoord, want zodra ik meer zeg schop ik tegen schenen. Brett is vooral persoonlijk. Maakt brett bier zuur? Soms, maar zeg dat liever niet. Kan brett altijd? Was brett ooit algemeen? Zoveel mensen, zoveel antwoorden. En dus was er vooral heel veel smaak.

Carnivale was nieuw, maar vorig jaar was er wel een voorganger. Toen heb ik me al aan het mysterie overgegeven. Brett moet je niet snappen, brett moet je proeven. Dat deed ik dan ook, vrijdag en zaterdag. Ik was zeker niet de enige. Het was een druk festival, internationaal ook, uit heel de wereld kwamen brettgekken naar Amsterdam.

De mysteries en de antwoorden deden het hele festival lang een merkwaardige dans met elkaar. De gebruikelijke kroegpraat over het weer, voetbal, de belabberde regering en onbereikbare vrouwen maakte ineens plaats voor diepzinnige beschouwingen over wat brett eigenlijk was. En dat was de bedoeling. Er waren zelfs masterclasses, die ik één voor één miste.

De eerste masterclass die ik miste was van Ron Pattinson, die vertelde over de Britse brettbieren van weleer. Dat was vrijdag. Zaterdagmiddag, net na twaalf uur, zat Ron in café In de Wildeman en ik ook. Onder het genot van een kopstoot herhaalde hij zijn college. Brits bier werd lang gerijpt, zó, dat het wilde gisten op kon vangen. “Hoe lang?” vroeg ik. “Zeker een zomer lang, maar soms nog langer.” Ik citeer hem niet helemaal juist, want Ron meanderde galant van Engels naar Nederlands en weer terug, maar de strekking was helder: de gisten konden lang hun gang gaan in het bier.

Toen ik de dag ervoor Rons masterclass miste, leunde ik tegen de bar van de BeerTemple en ontmoette ik Urbain Coutteau, een echte Struise Brouwer. Hij vertelde over het lastige karakter van de wilde gisten. “De tijd maakt ook verschil,” legde Urbain uit, “in het voorjaar, maart-april, is het goed, in het najaar ook. Maar in de zomer zijn er heel veel brettanomyces in de lucht, dat is een risico. In de winter heb je dan weer niet genoeg.”

Het mysterie was weer hersteld. Moet een brettbier een zomer lang gist liggen happen, of moet het dat alleen in het voor- of najaar doen? Rons bronnen beweerden het eerste, maar Urbains brouwervaring deed hem het tweede concluderen. Zo was elk verhaal weer een verrassing. Ook de presentatie van Frank Boon, de bekende geuzemaker, verraste: geuze zou door Nederlanders zijn bedacht, zij het per ongeluk. Bier of mythe?

Ach, die mysteries… De verrassingen maakten het leuk. Vorig jaar was voor mij het hoogtepunt een bier met wild Veluws gist, dat daardoor naar dennen smaakte. Nu viel ik voor een Duits bier met veel karamel en ook nog brett, van FritzAle. Het was eigenlijk een guilty pleasure, zo zoetig en gebrand – ik had het niet verwacht en ik had al helemaal niet verwacht dat ik het lekker zou vinden.

Twee dagen wilde gist waren twee dagen vol vragen en verwachtingen. Twee heerlijke dagen. Ik vraag vooral naar meer, naar nóg zo’n festival, nog twee van die dagen vol brett en ontmoetingen. En ik verwacht dat dat wel zal lukken ook. Er komt vast een nieuw brettfestival. Tot volgend jaar!

Week van het Nederlandse bier

De bierweek is weer over. Op mijn blog besteedde ik er al even aandacht aan, toen ik in Den Haag het symposium “Bewust Bier” opzocht. Verder had u ’t in de media kunnen horen: dit was de “Week van het Nederlandse bier”. Het kwam zelfs even voorbij in EénVandaag. Maar als u het gemist heeft is dat u ook vergeven, de NOS vond het blijkbaar geen nieuws, die pakten uit met het biertje dat de Hansonbroers gebrouwen zouden hebben en dat was dat.

Goed, elke omroep legt z’n prioriteiten op z’n eigen manier, dat moet ook maar mogen. Ik was al bij al niet ontevreden, de bierweek haalde de kranten en werd druk besproken op het internet, door proevers en door zuurpruimen – maar dat verlevendigt de discussie alleen maar. Ik hoefde niet ver te reizen om de Week van het Nederlandse Bier zelf te ervaren. Donderdag zat ik zelfs op de fiets. Maar het begon dus met de trein, in Den Haag.

Behalve het symposium was er in de hofstad ook een bierfestival. De meningen over dit festival waren verdeeld. De aanwezigheid van grote commerciële brouwers als Heineken en InBev wekte bij sommige liefhebbers wat wrevel. Tegelijkertijd ontbraken er ook wat grote namen. Het weer hielp ook niet mee. Maar er was tenminste een festival, daar gaat het toch maar om.

Een dag later was ik in Leiden, waar ik verschillende cafés bezocht, maar van de Week van het Nederlandse Bier nauwelijks iets merkte. De Engelse pub NorthEnd had Leidsch Bier, maar dat hebben ze altijd. De tapkaart van Lemmy’s was vooral Belgisch, maar ze hadden nog wel wat leuke flesjes. De Uyl van Hoogland had zelfs dat niet. Leiden liep nog ’n beetje achter de feiten aan.

Dat gold toch wel weer voor veel Nederlandse horeca. Je zou denken, zo’n evenement grijp je aan om je café weer eens onder de aandacht te brengen, maar nee. In de provincie bleven de saaie Belgische bierkaarten gewoon op tafel liggen. 165 brouwerijen, maar niet hier. Daar zijn nog wel wat bierweken voor nodig, vrees ik.

Maar toch kon ik fietsen, door Noord-Holland. Van Alkmaar naar Uitgeest ging ik. Daar werd donderdag een nieuwe brouwerij geopend, die De Noord-Hollandse Bierbrouwerij ging heten. ’n Tikje overmoedig misschien, die naam, maar hart voor de provincie had men zeker. De ketels zouden ook aan kleine brouwers worden verhuurd, zodat die wat grotere hoeveelheden kunnen brouwen. Dat was nobel. Het bier was degelijk, de opkomst hoog, de brouwer zelf bleek aangenaam welbespraakt. Dat komt wel goed daar in Uitgeest.

Zaterdag bezocht ik het Woodlandsfestival in Bergen, ook al op fietsafstand. Naast festivalpils werd hier ook Jopen getapt, in viervoud zelfs, er viel wat te kiezen. Zo kan het ook, lieve horeca-ondernemers. Het bier vond gretig aftrek, ook de festivalganger wil wel eens wat anders dan Skol. Hopelijk vind dit idee spoedig navolging op de andere festivals.

Zondag, dat was gisteren. Zo’n week gaat best snel om. ’s Middags bezocht ik een kleine brouwerij, een nieuwe: de Bierderie in Koog aan de Zaan. Heerlijke stout, mooie proevertjes, enthousiaste mensen: zo moet dat, dat maakt die kleine brouwerijtjes juist zo leuk. Een paar stouts verder treinde ik door naar Amsterdam, waar het kuitbier werd gekeurd. Kuitbier, dat haast verdwenen Hollandse bier, dat nu weer tot leven werd gebracht. De kwaliteit was hoog, zeker. Ik schrijf er later nog wel over verder.

Voor nu keur ik alleen de bierweek zelf. Ik vond het best een succes, maar we zijn er nog steeds niet. Of ja, “nog steeds niet”, misschien ben ik ongeduldig. Het zal nog wel even duren voordat de Nederlandse bieren echt overal op waarde geschat gaan worden. Vooroordelen zijn taai, zeker als die vooroordelen door sluwe marketingcampagnes – “Palm is bourgondisch” – worden bevestigd. Eerlijk duurt het langst. Ik zet die derde Week van het Nederlandse Bier alvast op de kalender.

Bewust bier in Den Haag

Het regende zo hard dat de tent er van galmde. Ook stond er ergens een stofzuiger aan. Bijna alle stoeltjes waren bezet, dat wel. Ik had rode schoenen aan, net als de mensen naast wie ik zat, maar er was niks afgesproken. Toeval. De enige afspraak was dit symposium: Bewust bier. Zo vierde ik de Week van het Nederlandse bier, gistermiddag, in Den Haag.

Op mijn schoot had ik een collegeblok gelegd, zo leerzaam zou het symposium vast wel zijn. De zaal werd opgewarmd door twee figuren in een douanepak die een Haags accent nadeden. Ze zullen het zelf wel cabaret genoemd hebben, denk ik. Mijn collegeblok werd even een tekenblok, maar gelukkig ging het cabaret over en kon het echte symposium beginnen.

Jeroen Carol-Visser, voorzitter van bierconsumentenvereniging PINT, opende de vergadering door ons voor te stellen aan de discussieleidster van dienst, zakenvrouw en bierliefhebster Gwen Jansen. Mooie hoge laarzen schreden het podium op, ik keek toch ‘ns op van m’n collegeblok. De dame in kwestie bleek plezierig ad rem en ze sprak nog eens heel fijn Nederlands ook, met correcte klinkers en zonder Gooise r. Ik was tevreden.

Met genieten begon het symposium. “Heeft iemand geturfd hoe vaak hij genieten heeft gezegd?” vroeg Jansen aan het publiek nadat Hans Glandorf zijn toespraak had afgerond. Dat was bewust bier volgens ABT-voorzitter en Texel-bewoner Glandorf: bewust genieten. Drinken omdat het lekker is. Daar was de zaal het natuurlijk graag mee eens.

Maar bier verslaaft, vertelde Hans Post, de verslavingsexpert die daarna het woord nam. Natuurlijk is het lekker spul, maar het drinken van bier is niet zonder risico. 10% van de drinkers in Nederland is een probleemdrinker. Dat zijn vooral studenten trouwens, die in de meeste gevallen hun leven na hun 24e wel beteren. Maar een deel blijft hangen in alcoholmisbruik en raakt verslaafd.

Post verduidelijkte zijn betoog met een afbeelding van de hersenen. “Hier zit het beloningscentrum,” zei hij. Daar wordt het brein beloond als we succes hebben, of als we van bil gaan, dat ook. Maar dat kost moeite. Alcohol beloont ook, zonder dat we er moeite voor doen. “Kicks voor niks,” noemde Post het. De kiem van een verslaving. “Maak er geen gewoonte van,” zei hij ernstig, “drink niet elke dag.”

Toch is dagelijks een biertje drinken eigenlijk best gezond, vertelde Henk Hendriks, wetenschapper bij het TNO. Matig alcoholgebruik verlaagt het risico op hart- en vaatziekten, maar ook dat op Alzheimer. Alcohol hoort bij een gezonde levensstijl. Elke dag een biertje of twee bij een gezond bord eten, niet roken, veel bewegen: dat is hoe het zou moeten.

Hoe rijmt Hans op Henk? Hans Post waarschuwde immers voor het verslavingsrisico, Henk Hendriks benadrukte juist de helende werking van matig gebruik op ons lichaam. Mijn notities grijnsden naar elkaar. Een dilemma? Als ik het wel begrijp, dan is elke dag een biertje goed voor je lichaam, maar niet voor je beloningscentrum. Daarom moet je er niet te veel een gewoonte van maken.

Bewust bier, dat is ook duurzaam bier, vertelde Jasper Scholten, de laatste spreker. Hij onderbouwde zijn verhaal met veel getallen, waardoor de aandacht van de zaal verslapte, ook die van mij. Toch noteerde ik wel dat vooral de koeling het milieu belast: zeker 20% van de ecologische voetafdruk van de bierdrinker komt door de koelkasten in cafés.

Wat had ik na afloop geleerd? Bier drinken mag, zolang je maar geniet en het met mate doet en altijd op je hoede blijft voor verslaving. Daar kon ik mee leven. En dan die koeling… Cafés zouden dichte koelkasten moeten hebben, geen glazen deurtjes, en bier hoeft heus niet ijskoud te zijn, een graad of 12 is prima.

Na het symposium ging ik wat drinken bij café De la Gare, een betrekkelijk nieuw biercafé in Den Haag. Genieten moest daar wel lukken, ze hadden er een pracht van een bierkaart en je kon ook nog iets te eten bestellen. Maar een echte verrassing waren wel de koelkasten: dichte deuren, en een normale temperatuur. Sommige mensen hebben helemaal geen symposium nodig.