Weken

Weken zijn voorbijgegaan. Mijn vorige blog ging over de week van het Nederlandse bier, die is allang voorbij. In sommige biercafés zie je nog wel de folders liggen, die zijn niet allemaal opgeraakt. Of er verder echt iets veranderd is – ik weet het niet. Laat het ons hopen. Met meer Nederlands bier komen we de zomer wel door.

Ik ben weg geweest, op reis. Dat verklaart niet alle blogstilte, maar toch ’n boel. Ik heb samen met mijn vriendin over de Balkan getrokken. Of nee, dat mag ik eigenlijk zo niet zeggen, want onze tocht begon in Boekarest en dat is voor de preciezen nog net geen Balkan. De Roemenen kijken ook wel uit, “Balkan”, dat is toch ’n beetje een scheldwoord. In Roemenië hebben ze al imagoproblemen genoeg.

De reis biedt genoeg stof om nog wel even over door te bloggen. Dat is natuurlijk net het probleem. Waar moet ik beginnen? In Boekarest? Misschien.

Over Boekarest valt veel te vertellen, dat is zeker. Een indrukwekkende stad is het, met grote pleinen en brede boulevards, protserige gebouwen en standbeelden her en der. Een stad die trots uit probeert te stralen en daarin faalt – die tragiek beviel me er wel. Boekarest is armoedig, rommelig, overvol. De stad ziet er niet uit alsof er van haar gehouden wordt, maar heeft nog genoeg schoonheid om te bekoren. Misschien is medelijden wel wat ze opwekt. Zo’n meisje op gympen met een trekzak tussen haar schouders, en tóch mooi in haar gezicht, zodat je denkt: hoe is die hier zo terecht gekomen, van haar moet toch wel iemand kunnen houden?

Ik was ook in Sofia, ik was in Skopje, ik was in Belgrado. Drie hoofdsteden met elk zo hun geschiedenis, die soms nog maar een paar jaar oud is en door ijverige fantasten eindeloos wordt aangevuld: Macedonië, wat een land. Daar moet ik ook nog over bloggen. Weken werk gaat ’t me opleveren, vast.

Ik krijg er geen cent voor, natuurlijk. Ik blog vrijwillig. Dan kan ik me radiostilte permitteren. Wie zou het hebben opgemerkt?

Het ligt wel in m’n aard iets droevigs aan mijn reis toe te kennen. Alle landen die ik bezocht, vier waren het er, hadden zo hun tragiek. Bulgarije misschien nog wel het minst, maar daar maakten we een aardbeving mee, wat natuurlijk ook niet leuk was. Een druilerig stukje wereld, met prachtige bergdalen, mooie steden, heerlijk eten, lieve mensen en dan zo’n onnozele politiek.

Somberen over de Balkan, dat wordt al in heel veel boeken gedaan. Kennelijk bereikt dat lezers. Dit blogje gaat me vast nog wel weer views opleveren. Daar kijk ik naar hoor, dat kan. Ik zie hoeveel mensen mijn blog lezen. Soms zijn het er tientallen, zelden honderden. Mijn gemiddelde is niet heel hoog. Moet ik dan maar verdergaan met somberen?

Ik wil eigenlijk toch optimistisch zijn. Die weken stilte waren, ik moet dat toegeven, heel gerieflijk. Zuidoost-Europa is een fantastisch gebied om op vakantie te gaan. Al die steden zijn stuk voor stuk erg de moeite waard, Sofia misschien nog wel het meest. Laat ik dáár maar over schrijven dan. De komende weken blog ik weer. Ik ben terug.

Advertenties

De herdenking gestolen

Vandaag zag ik vele vlaggen halfstok: vanavond is de Dodenherdenking. Dan staan we stil bij onze doden, dat zeggen ze steeds op tv. Bij de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, aan wie de herdenking is opgedragen, maar ook bij de slachtoffers van militaire conflicten nadien. ’t Is heel plechtig allemaal, de hele dag zijn er al zwijgende politici op het nieuws en tussen de programma’s worden gruwelijke documentaires aangekondigd, opdat we niet vergeten.

Het nieuws zélf gaat er ook over, al een tijdje zelfs. Het begon met de puberjongen Auke, die een gedicht geschreven had waarin hij de “foute keuze” van zijn oudoom, die in de verwarrende oorlogsjaren voor de SS gekozen had, in herinnering bracht. Opdat we ook hem niet zouden vergeten. Zijn gedicht won een prijs, hij zou het voordragen op 4 mei, vanavond dus, bij die plechtige herdenking op de Dam.

Vanavond draagt Auke niks voor. Het CIDI protesteerde, het Auschwitz Comité wilde een boycot, en uiteindelijk zwichtte de organisatie van de herdenking. Het gedicht is gecensureerd. Aukes oudoom wordt niet herdacht, Aukes gedicht mag niet worden voorgelezen, zijn woorden zijn verstomd.

Zo ging de herdenking al een beetje dood. Een oorlogsherdenking met censuur, dat is een ironie die te pijnlijk is, in elk geval voor mij. 4 mei, dat gaat ook over wat we 5 mei vieren. Die doden stierven toch voor onze vrijheid, zo zeggen ze dat toch steeds? Zijn dat dan alleen maar pompeuze woorden, is daar helemaal geen betekenis aan? Mijn vrijheid, dat is ook die van Auke, dat is de vrijheid om te denken, te vinden en te zeggen wat ik wil. Dat is de vrijheid om buiten die oorlog te staan en er toch iets van op te steken… Of niet?

In Vorden, een plaatsje waar je anders niks van hoort, werd ondertussen een gelijkaardige discussie gevoerd. Daar wilde men dode Duitse soldaten, willoze Wehrmachters, in de plaatselijke herdenking betrekken. Opdat we ook hen niet vergeten, zij die geen keuze hadden, en ruw die vreselijke oorlog werden ingesleept, het leven lieten en daarna verguisd werden en heel hun volk met hen.

Het verschil met de SS-oom van Auke is helder: die soldaten hebben geen Foute Keuze gemaakt, die hebben nooit een keuze gemaakt. Toch was de reactie van de Joodse organisaties, die zelf waarschijnlijk ook nog nooit van Vorden gehoord hadden, dezelfde. Ze schreeuwden en kreten en tierden en kregen aandacht van de pers: die herdenking moest gecensureerd worden, wat dachten ze daar wel! En dus gingen ze naar de rechter. Het kort geding diende vandaag en de uitslag was ondubbelzinnig: die Duitse soldaten mochten niet worden herdacht.

Inmiddels is in Vorden een noodverordening van kracht. Wie waagt die Wehrmachtjongens tóch te herdenken zal worden opgepakt. Daar wordt streng op toegezien. In Vorden mag je even niet zelf meer weten wat je denkt, laat staan dat je er mag bepalen wat je zegt. In Vorden is het weer even helemaal oorlog. Opdat wij niet vergeten?

De Joodse organisatie Tradition is Our Future is nog niet voldaan. Vanavond zal er een vliegtuig over Vorden vliegen, met daarachter een spandoek. VORDEN IS FOUT, zal iedereen aan de grond kunnen lezen. Want de oorlog moet worden gevoerd, nog steeds. Opdat wij niet vergeten.

Onze vrijheid is vandaag schade toegebracht. Maar onze vrijheid kan dat hebben. Onze herdenking, die ook altijd mijn herdenking was, die van mijn familie en zelfs van mijn generatie – die herdenking zal niet meer herstellen. Vanavond zal ik voor het eerst niet herdenken. Ik zal doorpraten. Voor mijn vrijheid. Opdat wij leren.

Onweer dan

Dat was ’t onweer weer. Er zullen nog wel buien komen, vannacht, of nog later. Voor nu is het voorbij. Het is juni, na half tien kan het zelfs nog opklaren, even dag worden. Nat blijft het. Er liggen plassen op de pleinen. De putten pruttelen.

Van ieder onweer hoop ik dat het een definitief onweer is, een écht onweer. Niet dat ik op een wereldeinde hoop, zo bedoel ik het natuurlijk niet. Ik houd gewoon van spektakel. Als kind heb ik al bolbliksems gezien, ik ervoer toen donders zo zwaar dat het huis er even van schuddelde. Dát is onweer. Alles nadien is me te min, zo lijkt ’t wel. Vandaag ben ik maar één momentje onder de indruk geweest. Had ik de angst nog maar die ik vroeger had.

In mijn uitzicht staat een windmolen. Die windmolen staat er nog niet lang, nog maar een jaar. Zonder mij iets te vragen hebben ze ‘m er neer gezet. Mijn vader streed de voorbije jaren nog tegen windmolens, hij werd daar kort een nobel ridder door. Ik heb me nooit verzet. Ik ben al murw geslagen, eerder dan hij. Misschien ook wel dóór hem, dat mag je niet uitsluiten, natuurlijk.

Even verdween de windmolen daarstraks. De lucht werd grijs, de lucht werd blauw, en het waaiding was verdwenen. Als een sluier verhulde de regen de witte paal en de maaiende wieken. Zo nam het onweer me toch nog even terug in de tijd.

Toen ik nog echt ’n klein kereltje was, kroop ik als het onweerde bij mijn vader en moeder in bed. Ik wist toen ook niet beter. Samen luisterden we naar de donderslagen, eerst met z’n drieën, daarna allevier, als m’n zusje erbij gekropen was. Het was dan warm, en stil. Alsof we buren hadden sprak mijn moeder gedempt. “Nou is het voorbij,” zei ze na ’n tijdje, “ga maar weer naar jullie bed.” “Maar luister toch,” zei ik dan, of m’n zusje, “je hóórt het nog rommelen, het komt terug.”

Natuurlijk kwam het nooit terug. Onweer wordt nooit meer zó. Het zijn herinneringen waarvan ik toen dacht, dat ze geen herinnering zouden worden, maar gewoonte, dat ik nog wel heel vaak van ’t onweer bang zou wezen en dan bij m’n ouders in bed kon kruipen. Maar zo loopt het natuurlijk niet. Onweer verdwijnt, angst ook. De hele rottige jeugd gaat over. Dat wordt herinnering.

Inmiddels is de windmolen weer zichtbaar geworden. De regen is voorbij. De plassen zijn er nog, hele stukken straat staan blank, maar dat zal dadelijk ook wel weer opdrogen gaan. Het onweer is geweest. Ooit is zelfs dit herinnering.

Het is juni, maar echt opklaren zal het wel niet meer. Daar is het te laat voor, onderhand.

Smedtsje

Het is al jaren geleden, maar de herinnering is nog vers en niet eens onplezierig. Mijn eerste college aan een Belgische universiteit was het. Ik was nog vol van alle culturele uitwisseling, ik voelde me internationaal en nog meer dan dat. De collegezaal was al exotisch. Voor het katheder verscheen een koddig ventje, iets te dik voor z’n pak, en iets te welbespraakt voor een Belg. Hij heette Willy Smedts.

De eerste weken was Willy Smedts mijn favoriete professor. Zo geestig was hij, zo eloquent. Scherp, maar mooi scherp, met zo’n fijne Brabantse tongval en oogjes als muizen.

Natuurlijk was ik geen brave student, ik had nog niks van ‘m gelezen. Eens ik dat gedaan had veranderde mijn beeld. Eloquent was ‘ie misschien, Willy Smedts, maar niet erudiet en al helemaal zijn titel niet waardig.

Later, veel later, toen ik al lang genoeg in België woonde om te moeten begrijpen dat kritiek op autoriteiten niet hielp, was ik zo eigenwijs om Smedts’ broddelwerk vilein te recenseren. Die recensie staat tot op de dag van vandaag als ’n huis, vind ik, zo ijdel wil ik best wezen. Als het om Smedts gaat is ijdeltuiterij toch niet te voorkomen.

Mijn kritiek betrof twee van Smedts’ boekjes, verplichte kost aan de KULeuven, maar vol van fouten en verkeerde veronderstellingen. Smedts haalde mijn kritiek van internet, die macht had hij toen nog, maar inmiddels woon ik weer in Nederland en maak ik gebruik van het recht op vrije meningsuiting, dat hier in de Grondwet staat.

Dag in dag uit, van woord tot woord (DIDU).
Smedts’ ridicule standaardwerk. Doel ervan is de Vlaming al zijn taalgevoel te ontnemen en hem tot een kleurloos, autistisch Nederlands te doen bekomen. Het boek is een woordenlijst met woorden en uitdrukkingen die volgens Smedts onvergeeflijk fout zijn. Smedts presenteert zijn lijstje als dé manier om je taal van haar Vlaamse kleur te ontdoen, en suggereert dus dat de “fouten” die hij in zijn boekje signaleert ook typisch Vlaams zijn.
Is dat echt zo?

Een mooie illustratie van Smedts’ kunnen wordt op pagina 24 van DIDU gegeven, bij het woord doen. Smedts signaleert veel manieren om het woord “doen” te gebruiken die volgens hem geen AN zijn. Van dit lijstje zijn de voorbeelden “Veel Amerikanen doen Europa in twee weken”, “De priester moest elke dag de mis doen” en “Karel deed zijn studies in Leiden en Londen” in Nederland echter óók gebruikelijk. Waarom zouden Vlamingen zulks niet mogen zeggen?
De redenering van Smedts lijkt te zijn dat elke figuurlijke betekenis van een woord in principe verkeerd is. Die instelling getuigt van het ontbreken van enig taalgevoel.
Een zeer beknopte bloemlezing uit Dag In Dag Uit Van Woord Tot Woord:

Op afspraak.
Volgens Smedts Vlaams. In Nederland zou je volgens hem “na afspraak” moeten zeggen. “Na afspraak” is in Nederland echter zeer ongewoon en klinkt gemarkeerd. Gebruikelijk is: op afspraak

Iemand op afstand houden.
Volgens Smedts is dit Vlaams en moet er staan: “iemand op een afstand houden.” Deze uitdrukking is echter zowel in Nederland als in Vlaanderen ongebruikelijk. Correct is dus: iemand op afstand houden.

Belangstelling trekken.
Volgens Smedts zijn zinnen als “het evenement trok veel belangstelling” typisch Vlaams en moeten ze vermeden worden in het AN. In Nederland zijn ze echter heel gebruikelijk en ik heb nog nooit iemand zich er tegen horen verzetten.

Duur kosten.
Deze uitdrukking wordt in Nederland inderdaad afgekeurd. Maar dat betekent niet dat ze niet heel gebruikelijk is in de Nederlandse spreektaal. Hier zijn Smedts’ intenties weer niet duidelijk: klaagt DIDU “Vlaamse” fouten aan, of klaagt het ook algemene fouten, contaminaties of archaïsmen aan? Een vraag die Smedts zelf niet beantwoordt.

– Een zelfde vraag rijst bij gedrieën. Smedts keurt deze vorm af en geeft “met z’n drieëen” als alternatief. Gedrieën klinkt inderdaad wat schrijftalig en een tikje archaïsch, maar is zeker niet ongebruikelijk in Nederland.

Enzovoort, enzovoort.
Smedts klaagt ook de uitdrukking excuus inroepen aan. Die is inderdaad ongebruikelijk in Nederland. In het voorwoord van Dag In Dag Uit Van Woord Tot Woord, dat sowieso van stijlfouten aan elkaar hangt, gebruikt hij de uitdrukking echter twee keer. Nee, dát is consequent!

Het grootste probleem van DIDU zit echter niet in de slechte uitvoering. Het doel van het boekje zelf is volkomen achterhaald. Vlaamse uitdrukkingen worden in Nederland dikwijls als “mooi” en “echt Nederlands” beschouwd en zullen, als ze niet al te ondoorzichtig zijn, met enthousiasme worden begroet. Veel Nederlanders gebruiken de uitdrukkingen uit DIDU juist om hun schoonheid en exotische karakter. Ook woorden als goesting kun je in Nederland soms horen. In bepaalde vakgebieden is het Vlaams zelfs de normbepaler. Luister maar eens naar een Nederlands verslag van een wielerkoers. Smedts zou waarschijnlijk schuimbekkend aan de andere kant van de radio zitten, maar het Nederlands publiek vindt al dat Vlaams juist mooi.

Taalboek Nederlands
Ook in dit werkje de gebruikelijke stijlfouten en inconsequenties. Ik zal me beperken tot het gedeelte over de uitspraak. Hier wordt duidelijk gedemonstreerd hoezeer Smedts zich laat leiden door allerhande eigen frustraties en daarmee zijn doel, namelijk aan een Vlaams publiek uitleggen hoe de Standaardtaal moet klinken, volledig voorbijschiet.
Smedts frustratie is hier, zoals wel vaker, het Nederlandse volk. Daar heeft ‘m een haat-liefde verhouding mee. Dat mag, ik heb dat ook. ’t Lijkt me alleen niet zo netjes die sentimenten te laten meespelen in je wetenschappelijke publicaties.
De klankleer ontaardt dan ook in een aanklacht tegen de Nederlandse tongval. Over Vlaamse uitspraakfouten wordt nauwelijks nog gesproken, dus zijn publiek (Vlaamse studenten)  heeft er verdomd weinig aan.

– De in Nederland voorkomende uitspraak van de woorden pseudo, Zeus met [ ui ] verdient geen aanbeveling, zegt Smedts. Dat zal wel zijn, maar in Nederland geldt deze uitspraak wél als standaard en wordt de eu-klank hier steevast fout gerekend. Vlamingen mogen natuurlijk best van een therapeut met eu spreken, maar de uitspraak met ui is zeker niet verkeerd!
– De bekende diftongering van de ee, oo en eu tot “eej”, “oow” en “euj” wordt door Smedts bestreden. Ik hoop ook niet dat Vlamingen het ooit zullen overnemen, ik vind de monoftongen hier veel mooier, maar je kunt er niet omheen dat een (matige) diftongering van deze klanken in Nederland wel als de standaard geldt. Monoftongen zijn regionaal.
– Smedts ging ook in z’n colleges al eens tekeer tegen de Hollandse uitspraak
“nuuw” in een woord als “nieuw”. Deze komt inderdaad in enkele dialecten voor. In de standaardtaal komt deze uitspraak echter niet voor, het is zelfs een van de klanken waar dialectsprekers zich heel bewust van zijn en die ze dus zeker weglaten als ze AN spreken. Dat de grote Willy Smedts ook in zijn taalboek tegen deze ongebruikelijke uitspraak tekeer gaat, bewijst wel dat hij z’n gevoel voor proporties heeft verloren.
– Uiteraard moet ook de
Hollandse g het ontgelden. Hoewel ik het met Smedts eens ben dat een stemloze realisatie niet verzorgd is, valt zijn stelling dat het onderscheid fonologisch relevant is te betwijfelen. Het aantal minimale paren is immers heel klein. Smedts voert als minimaal paar lag – lach aan. Zijn onkunde was ons kennelijk nog niet genoeg bewezen. In het Nederlands worden stemhebbende klanken aan het woordeinde altijd stemloos. Hond klinkt als hont, eb klinkt als ep en lag klinkt als lach. Als het niet zo ernstig was zou je er om kunnen lachen.
– Smedts vindt dat woorden als
politici best met -sjie mogen worden uitgesproken (onbestaand in Nederland), maar vindt aan de andere kant dat politie niet met -tsie mag worden uitgesproken (standaard in Nederland). Een redelijk argument geeft hij niet. Tja.
– Smedts stelt dat de woorden
chronisch, mechanischen Christus altijd met een [k] moeten worden uitgesproken, dus “kronies”. Deze uitspraak is in Nederland hoogst ongebruikelijk. Wel wordt meestal “kristus” gezegd, maar in orthodox-gereformeerde milieus spreekt men bewust van “Christus” (met ch-klank). Stellen dat Christus altijd met k wordt uitgesproken getuigt van weinig respect voor deze gelovigen, voor wie een uitspraak met k blasfemisch is.

Wonderlijk zijn ook Smedts’ beweringen over de frequentie van bepaalde uitspraken. Zo zou een tongpunt-r eerder in Vlaanderen, een huig-r eerder in Nederland voorkomen. De huig-r is in Nederland beperkt tot een aantal stadsdialecten en het Limburgs, de tongpunt-r is hier dus zeker de frequentste. De situatie is niet anders dan in Vlaanderen, waar de huig-r in stadsdialecten en in Limburg wordt gehoord.
Een zelfde soort stelling deponeert Smedts bij de -ch-. Volgens hem wordt in Nederland argietekt gezegd, in Vlaanderen arzjietekt. De laatste uitspraak is in Nederland echter minstens zo gebruikelijk. Wat zijn de bronnen voor deze merkwaardige beweringen?

Er lijkt geen andere lijn in Smedts’ meesterwerken te zitten dan een heel ijdele bevooroordeeldheid. Niet de wetenschap, niet het onderzoek, niet de taalkunde hebben zijn boeken gemaakt tot wat ze zijn, maar Smedts sentimenten. Niet zelden zijn die sentimenten heel valse sentimenten.

Inmiddels is het 2011. De KULeuven heeft zich van mannetje Smedts afhandig gemaakt. Hij doceert er niet meer. Maar nog liggen zijn boeken er in bibliotheken en bij studenten in de kast. Hoelang duurt het voordat de historische vergissing die Willy Smedts’ academische carrière geweest is, ongedaan wordt gemaakt?

Abuys

Wanneer was Alkmaars Gouden Eeuw? Die vraag wordt zelden eigenzinnig genoeg beantwoord, men gaat er altijd maar van uit dat de Gouden Eeuw van Alkmaar wel ongeveer gelijk liep met die van Amsterdam en Hoorn, terwijl historici best weten dat het met Alkmaar in die tijd juist al gauw gedaan was met de bloei. Natuurlijk, de schildersfamilie Van Everdingen, dat waren meesters, Alkmaarse meesters, maar geen van hen was “de Meester van Alkmaar”, zoveel is zeker. Wie dan wel de Meester van Alkmaar was, daar wordt nog over gediscussieerd, maar we weten wel dat hij schilderde rond het jaar 1500 en wat mij betreft ligt in die tijd ook Alkmaars Gouden Eeuw.

De Meester van Alkmaar leefde in de jaren dat in Alkmaar de grootste architectuur van de stad werd neergepoot: de Sint-Laurenskerk en het stadhuis. De eerste gotisch, en hóe, de tweede al renaissance maar niet minder perfect. In een halve eeuw werd hier voor duizend jaar aan architectuur opgetrokken. Voor een architectuurliefhebber zijn de eerste decennia van de 16e eeuw zeker wel de Gouden Eeuw van Alkmaar.

De Meester van Alkmaar was geen architect, hij schilderde. Zijn bekendste werk, De Zeven Werken van Barmhartigheid (1504), was zelfs goed genoeg voor het Rijksmuseum. In Alkmaar zelf hangt nog een ander werk van hem, maar dat is niet zo aansprekend als dat kerkelijke zevenluik, dat zo middeleeuws oogt en tegelijkertijd al zo modern, de nieuwe tijd lonkte immers al – Jan van Scorel zou de renaissance enkele jaren later definitief in Alkmaar introduceren.  Het is een schilderij als een gebouw, bedoeld voor iedereen, heel moralistisch maar tegelijkertijd misschien wel grappig, ondeugend, omdat er overal van alles gebeurt. Zo zijn veel schilderijen uit deze periode: ze lezen als stripverhalen, er is zoveel op te doen – zo anders dan de strenge portretten van Cesar van Everdingen, wat eeuwen later!

De Meester van Alkmaar, wie is hij? Wie schilderde die heerlijke Zeven Werken van Barmhartigheid? Er is wel een naam op hem geplakt, natuurlijk niet met zekerheid, maar wel door lieden met verstand van namen en van schilderkunst: Cornelis Buys. Een echte Alkmaarse schilder moet hij zijn geweest, maar tegelijkertijd een broer van de Zaankanter Jacob van Oostsanen, nog iemand die zo scharnierde van Middeleeuwen naar Renaissance.

De Gouden Eeuw van Alkmaar was een scharnierende Gouden Eeuw, zowel in de schilderkunst als in de architectuur. Ze laat zich lezen als een lineair verhaal. De Meester van Alkmaar had een zoon, Cornelis Buys de Tweede, die nog veel meer door de zuidelijke renaissance beïnvloed was dan zijn pa. Van hem heeft nauwelijks een mens gehoord, zijn werken zijn op internet bijna allemaal onvindbaar, er is enkel tekst en een aardige maar droge Wikipagina. Toch, Cornelis Buys de Tweede, díe kon er wat van.

In het Stedelijk Museum van Alkmaar hangen meerdere schilderijen van Buys II. Het merkwaardigste is een klein doekje met daarop aan de rand wat Bijbelse landschappen die zó van Jan van Scorel hadden kunnen zijn, en dan zomaar in het midden een grote renaissancegevel, een lijst, een orgelkas – iets dat duidelijk niet met de rest correspondeert, een tweede schilderij in dit schilderij. In deze gevel is dan weer een cirkel, en in die cirkel zit Jezus, vaag verlicht, en hij vertelt er aan zijn discipelen dat hij verloochend zal gaan worden. Petrus buigt meteen het hoofd, de anderen peinzen en kijken weg. Het is een pijnlijk tafereel. Dit schilderij leeft, maar het is geen stripje meer, het is één statische voorstelling waarbij niet de panelen maar het oog, het licht, de secure lijntjes een lineair verhaal vertellen. Alles is kleurig, fel, vól, en overal is zo ontzettend veel detail, de handjes kloppen, de vingers, Jezus heeft een mond met mondhoeken en rimpels om zijn ogen, en Petrus baalt zo levensecht van zichzelf…. en misschien ook wel van de beschuldigende blik die wij op hem werpen als wij stil naar dit meesterwerk te staren staan.

Cornelis Buys de Tweede. Niet alleen door goed te kijken naar Jan van Scorel, maar juist door individueel te durven zijn, werd hij een echte renaissancemens. Wie nu door het Stedelijk Museum van Alkmaar loopt hoeft helemaal zo’n expert niet te wezen om zijn hand, zijn kleur, zijn oog voor detail te herkennen. Zo zeg je: dat is een Buys, en het naambordje geeft je gelijk. Deze Tweede Buys is de ware Meester van Alkmaar, maar toch zo ontzettend onbekend – net als heel die Alkmaarse Gouden Eeuw is hij vergeten, overschaduwd door schimmen uit een recenter, grootstedelijker verleden. Zo gaat dat met provinciale Gouden Eeuwen.

Bier

In Purmerend ben ik geboren en in België heb ik gewoond. Voor een bierliefhebber is dat twee keer goed nieuws, want in Purmerend zit ’n goede brouwerij (S.N.A.B.) en in België houden ze veel van bier. Niet dat je het Purmerendse bier in België zult vinden, dat niet.

Onlangs was ik eens in Purmerend en daar bezocht ik het lokale biercafé. Voor een stad met zo’n beroerd imago heeft Purmerend verrassend goede cafés, waarvan Bontekoe het bekendste is en niet ten onrechte. Ik heb de tapkaart er op ’n viltje genoteerd, zodat ik thuis nog eens kon terugverlangen naar wat er daar allemaal te drinken viel. Wat opvalt is de grote variatie. Ik heb de herkomst van de bieren er maar bijgezet:

Brand Pilsener (Nederland)
Brand Sylvester (Nederland)
Goliath Winterbier (België)
Dobbelpalm (België)
S.N.A.B. 1410 (Nederland)
S.N.A.B. IJsbok (Nederland)
Gouden Carolus Ambrio (België)
Guinness (Ierland)
Edelweiss (Oostenrijk)
Texels Eyerlander (Nederland)
Texels Skimme (Nederland)
Troubadour Magma (België)
La Chouffe (België)
La Trappe Quadrupel (Nederland)
Ciney Blond (België)

België is goed vertegenwoordigd, Belgisch bier heeft immers een goede naam, maar gelukkig waren er ook Nederlandse bieren op tap. Veel cafés kiezen nog risicoloos voor saaie Belgische klassiekers als Leffe en De Koninck, maar niet de Bontekoe, daar durft men onbekende Waalse topbrouwers naast de lokale favorieten te zetten. Noch voor de S.N.A.B. noch voor de Texelse Brouwerij hoef ik mij als Purmerender van Texelse komaf te schamen.

Als ik in België bier drink lijkt het er soms toch op dat ik mij schamen moet, want Nederlands bier kun je daar nergens krijgen. In België komt er sowieso weinig van de tap, biercafés hebben daar doorgaans wat klassiekers staan en dan een flessenlijst erna. Een Nederlands tapbier is ondenkbaar in België, op fles vind je er hoogstens eens La Trappe. Is er misschien iets mis met ons Nederlandse bier?

Bierkenners uit heel de wereld buiten België vinden van niet. Nederlandse brouwers gooien hoge ogen bij internationale wedstrijden. De S.N.A.B. won onlangs weer in Duitsland en brouwerij De Molen uit Bodegraven verovert Amerika. Maar dat maakt voor België niet uit, in België vinden ze Duits en Amerikaans bier ook beroerd. Een Oostenrijks bier kun je er niet kopen, een Zweeds niet, een Deens niet… Ligt het probleem dan bij het bier of bij de Belgen?

Wat de Belgische biercultuur vooral van andere onderscheidt is niet de kwaliteit van het gemiddelde bier of de verfijnde smaak van de gemiddelde drinker, maar het ongelooflijke snobisme waarmee het bier er omgeven is. Belgisch bier is volgens de Belgen zo ongeveer het enige drinkbare bier, al het andere is per definitie inferieur. Zelfs op regionaal gebied wordt zo gedacht: in Wallonië drinkt men heel andere bieren dan in Vlaanderen.  Er zijn geweldige bieren in Wallonië, daar niet van, maar Vlamingen drinken liever iets uit eigen streek. Waalse trappisten, ja, die kun je ook in Leuven en Hasselt kopen, en natuurlijk Chouffe want dat is tegenwoordig eigendom van een Vlaamse brouwerij, maar naar bieren van Dupont is het zoeken, al zul je ze nog wel sneller vinden dan Nederlandse of Luxemburgse bieren. Typisch is wat dat betreft de houding van Belgische biercafés tegenover de Scheldebrouwerij: toen die nog in Nederland brouwde, zag en hoorde je er niks van, inferieur bier meneer, maar toen de productie enkele jaren geleden naar België verschoof verscheen het plotseling overal op de kaart.

Dit extreme chauvinisme, het doorgeschoten protectionisme en de eindeloze hang naar wat ooit was en dus zo blijven moet maakt de Belgische biercultuur tot wat ze is: gewaardeerd om de traditionele, oude stijlen maar meer en meer ook bekritiseerd om het gebrek aan innovatie, waar elders in Europa (vlak ook Scandinavië en Italië niet uit) steeds meer gebeurt.
Deze week nog kwam het nieuws naar buiten dat een Zweedse brouwer het Belgische Westvleteren van de eerste plaats op ratebeer.com had gestoten. De rest van de toptien bestond uit Amerikaanse bieren. Je vraagt je af wie zich hier nou schamen moet…

Bouw

Bij mijn huis wordt gebouwd. ’t Is hier op twee minuutjes lopen vandaan. Last heb ik er niet van, het heien is allang voorbij. Maar ik passeer er vaak en dan kijk ik, luister ik. Soms is ’t erg stoffig, dan waait zand door de lucht en m’n ogen in. Vaak is er beroerde muziek. Maar de laatste tijd is het er zomaar anders. Een glimmende auto staat er geparkeerd, er zijn nette mensen uitgestapt. Er wordt gepraat.

“Wonen op 45 minuten van Amsterdam,” zwaait een groot wit zeil voor de verse appartementen. Het station ligt tegenover het bouwterrein. Een man met ’n pak en ’n lichtblauwe das wandelt langs de hekken. De intercity stopt, en rijdt weer weg. Hier moeten forenzen wonen, mensen met geld en ’n baan in de grote stad. Wonen op 45 minuten van Amsterdam: zo is Alkmaar goed genoeg.

Bij het hek staat een ander bord, op een paal. Het is niet geschreven in de hippe drukletter van het zeil, hier is een gewoon mens aan bezig geweest, met ’n marker en z’n handen. “Geen auto’s op de bouw.” Achter het bord ligt omwoeld land en ’n berg zand, met her en der spullen die vast bij de bouw horen en niet bij het zeildoek of de schone auto met de blauwe das.

Ik heb alles zien gebeuren. De oude school was ’n lelijk blok uit de jaren 80, met lawaaiige kinderen er omheen en soms ’n meisje met geblondeerd haar, hoge hakken en te grote oorbellen. De school werd gesloopt, de herriemakers en het meisje gingen voortaan ergens anders heen. Na de school kwam de vlakte en het grote bord met het bouwplan erop. Tijdens een herfststorm woei dat bord de sloot in, die daarna toevroor, en pas maanden later, toen het alweer lente werd en de bouw vorderde, werd het bord weer opgevist en verdween het voorgoed. Nu is alles bijna klaar. De ruiten, de bruinrode bakstenen (bruinrood is weer modieus), de zwarte ijzeren balkons, af zijn ze, klaar om aangeraakt te worden. Er zullen bewoners komen, op 45 minuten van Amsterdam.

Er blijft niks van over, uiteindelijk. Het zeil zal worden opgerold, en dan vernietigd. Misschien kan het worden hergebruikt, ergens anders op 45 minuten van Amsterdam. Misschien denkt geen mens daaraan, behalve ik. Het bordje “Geen auto’s op de bouw” gaat ook verdwijnen. De bouw is over, de winter ook, de stormen, het ijs, de vervelende muziek en de striemende korrels zand.

De opgepoetste auto vertrekt. Nog 45 minuten, en de potentiële koper is weer terug in Amsterdam.