Bier en regelgeving

Er zijn zoveel zaken waar ’n mens van genieten kan. Ik geniet lang niet van allemaal, dat zou belachelijk zijn, maar ook ik heb meer hobby’s dan bier alleen. Ik houd van taal, bijvoorbeeld, ik vind reizen leuk, ik kan genieten van de natuur en van de wolken en verder houd ik van lezen. Voor wie ’t volgen wil, recent heb ik een verhalenbundel van Hermans uitgelezen, “De laatste roker”, en daarvoor toneelstukken van Bredero.

Het titelverhaal van “De laatste roker” gaat over een bizarre toekomst waarin roken verboden is en het Nederlands als officiële taal is afgeschaft en door het Engels is vervangen. De hoofdpersoon probeert tegen beter weten in toch nog ‘ns op straat te roken, wordt opgepakt en komt later zelfs pijnlijk aan z’n einde, want die zwartgallige wereld van Hermans is niet alleen regelziek, maar ook vol willekeur.

Het verhaal heb ik rustig uitgelezen. Dat mocht ik namelijk gewoon. Hermans kan soms beklemmend zijn, maar geen moment twijfelde ik eraan dat ik lezen mocht. Bij m’n andere hobby’s is dat niet anders. Ik leer talen en niemand verbiedt mij dat. Ik kijk naar een vlucht spreeuwen en niemand beboet mij. Zelfs als ik reis heb ik, in ieder geval binnen de Schengenzone, weinig regelgeving te duchten.

Hoe anders is dat met bier, de hobby waar ik hier meestal over schrijf. Mag ik er eigenlijk wel zo over schrijven? Is dat al geen reclame, maak ik mensen niet te dorstig naar alcohol? Ik ben nog nooit aangeklaagd, maar soms verwacht ik dat wel. Want er zijn veel regels en ze veranderen steeds.

Stel, ik zou nog zestien zijn. Toen ik zestien was proefde ik al ‘ns ’n bockbiertje. Wie nu zestien is mag dat ook – maar volgend jaar mag ‘ie dat niet meer.

Toen ik zeventien was, dronk ik soms al ‘ns bier in Amsterdam. Dan ging ik met wat vrienden naar In de Wildeman of ’t Arendsnest. De BeerTemple bestond toen nog niet en brouwerijcafés waren te ver weg, maar dat deerde niet. We proefden en testten onszelf. Nu zouden we illegaal zijn.

Toen ik achttien was ben ik wel ‘ns ’n tikje dronken geworden in zo’n Amsterdams café. Ik staarde met één oog naar de tapkaart, omdat ik met twee niet meer scherp kon stellen. De barman lachte en zei dat ’t m’n laatste was geweest. Ik gaf hem gelijk. Zo ging dat toen. Hoe gaat het straks? Wordt dronkenschap in de kroeg verboden?

En altijd zijn er die accijns. Ik betaal ze braaf. Dat wil zeggen: de kroegbaas betaalt ze, als ‘ie z’n bier inkoopt, en rekent ze door aan mij. Als zo’n man een fust van twintig liter bestelt, en er zonder statiegeld € 45,- voor betaalt, dan is toch al ’n kwart van de bierprijs accijns.

Het grootste probleem is niet zozeer dat al die regelgeving mijn hobby beperkt, ach nee, ik laat mij niets verbieden – het probleem is dat ze mijn hobby ontként.

Die accijns bijvoorbeeld, die wordt niet op het percentage alcohol berekend, maar op het stamwortgehalte. Pils heeft een laag stamwortgehalte, speciaalbier heeft een hoog stamwortgehalte. Voor genietersbier bepaal je dus veel meer accijns. Een Emelisse van 2,5% alcohol, vers getapt, daar word je voor beboet. Een blik bocht van 10% uit de supermarkt, ach, ’n paar cent accijns en klaar ben je.

Zo is ’t ook met die alcoholleeftijd, natuurlijk. “Ja, de comazuipers worden aangepakt,” zegt Den Haag. Maar comazuipers nippen geen bockbiertjes. Dat heeft geen effect. Comazuipers zuipen wodka en wodka was altijd al verboden voor wie jonger dan 18 was. Nu is het signaal: alle alcohol is gelijk, wodka of pils, maar pas op met genietersbieren, want daar betaal je voor.

Hermans schrijft ergens: alleen in straten vol boekwinkels heb ik het gevoel in een wereld te leven die rekening met mij houdt. Het lijkt er inderdaad op dat er elders bar weinig rekening gehouden wordt met mensen die in alle rust ‘ns van iets moois willen genieten. De bierliefhebber moet vooral rekening houden met de regelgeving, en met de volstrekte willekeur daarvan.

Duitse humor

“Es is nicht zu Viel gesagt, wenn man behaubtet, in eben dem Grad, wie unser Jahrhundert alle vorigen an Aufklärung übertrift, übertreffe Deutschland alle übrigen Nationen daran.” Jawel, er is weer aandacht voor Duitsland op deze webstek, ’t zal eens niet. “De Duitsers overtreffen alle andere volken als ’t op Verlichting aankomt,” dat zou niet te veel gezegd zijn, vond ene Wilhelm Ludwig Wekhrlin in 1785.

Ik zal eerlijk zijn: tot gisteren had ik nog nooit van Wilhelm Ludwig Wekhrlin gehoord. Ik denk niet dat ik me daarvoor hoef te schamen, die man is al heel lang dood en niet een talent van het statuur van Goethe of Schiller. De canon gaat aan zulke mensen voorbij. Toch is hij wel interessant, al was het maar om wat hij in 1785 allemaal over Duitsland schreef.

Wekhrlins stuk met de titel “Die Vorzüge der Teutschen” begint met een opsomming van wat het Duitse volk allemaal voor verlichts ondernomen heeft. De doodstraf afgeschaft, heksenvervolgingen aan banden gelegd, de duivel verjaagd… Maar niet alles is groots, aldus Wekhrlin, wat Duitsland ontbeert is een hoog niveau in de Schone Kunsten. Toneel, literatuur, het was allemaal maar middelmatig in Duitsland. “Unsere Musik wird nimmer originell werden,” dat staat er echt.

Ons moderne beeld van Duitsland is radicaal anders. Goed, we vinden ze inmiddels weer verlicht, onze oosterburen, maar we waarderen hun geschiedenis meer om de muziek en de literatuur dan om de verlichte daden van Duitse politici. Is dat onze fout, of speelt die Wekhrlin een spelletje? Net die vraag maakt zijn essay zo interessant. Na Bach en net voor Beethoven klinkt Wekhrlins stelling dat de Duitse muziek nooit origineel zal worden als een grap, niet eens een heel goede. Maar hoe moeten we de rest van zijn essay dan begrijpen?

Wekhrlin was, zo leert wat grasduinen, een voorvechter van de Verlichting, een snedig journalist, een satiricus ook wel. Zijn bekendste werk is Monolog einer Milbe im siebenten Stock eines Edamerkäses, een heel vermakelijk stuk tekst dat gewoon op internet te lezen is. Hier neemt Wekhrlin stelling in een filosofisch debat (kunnen wij beoordelen of onze wereld beter is dan andere) en daarbij maakt hij gebruik van ironie en omkering. Dat deed hij kennelijk vaker.

Wekhrlins Die Vorzüge der Teutschen lees ik dan ook als een omkering, een persiflage. Maar waarop? Lang niet alles wat hij beweert in zijn stuk is per definitie onwaar, maar er valt zeker de nodige nuancering aan te brengen. Wilde hij die nuance uitlokken? Wilde hij iets of iemand belachelijk maken? In de tijd werd Wekhrlin na eerdere verbale uitspattingen gevangen gehouden in een Beiers kasteel, wat het vermoeden sterkt, dat zijn schrijven bitter-ironisch was.

Sommige literatuur heeft eeuwigheidswaarde, andere niet. De scherpte van Wekhrlins essay is er meer dan 200 jaar later bijna helemaal af, alleen voor wie de historische omlijsting goed kent is er iets aan te beleven. Dat verklaart wel waarom de man uit de canon gevallen is.
Tegelijkertijd maakt de onbegrijpelijkheid van zijn grappen hem juist interessant – als ik zijn essay zonder meer begrepen had, dan had ik daar nu geen blog over geschreven. Dat is ironisch: juist omdat zijn teksten de tand des tijds níet doorstaan hebben onttrek ik Wekhrlin nu aan de vergetelheid, en met hem zijn kaasmijt, die ik iedereen aanbeveel.

Het oudste boek

Het oudste boek van Europa is verkocht. Dat is in de Nederlandse kranten te lezen en ongetwijfeld ook in die uit andere landen. Het oudste boek van Europa, dat gaat ons allemaal aan. Zoiets is toch uniek, nietwaar?

Het gaat om ’n Engels boek, het Evangelie van Cuthbert. Het is geschreven in het Latijn. Het handschrift komt uit de zevende eeuw, dus oud is het zeker. Het werd geschreven op het mooie eiland Lindisfarne, in het hoge noorden van Engeland. De kopers – de eerbiedwaardige British Library – hadden er negen miljoen pond voor over. Zoiets bijzonders mag wat kosten.

Maar hoe bijzonder is het nu eigenlijk? Is dit werkelijk het oudste boek van Europa? De British Library zegt van wel, en als je nu “oudste boek van Europa” googelt krijg je massa’s Nederlandse artikelen die de British Library napraten. Als er maar één bron is kun je je afvragen hoe betrouwbaar die is. Zouden ze daar bij de British Library niet gewoon ’n beetje chauvinistisch zijn?

Het eiland Lindisfarne vanaf de Engelse kust

Als je nu met Google wat over andere kandidaten voor de titel wilt vinden, zink je in ’n zee van verwijzingen naar het Evangelie van Cuthbert. Dat heeft de British Library al voor mekaar. Maar ja, wat is dat ook, “het oudste boek van Europa”? Wat is een boek?

Boeken bestaan in Europa nog niet zo lang als het schrift. Zelfs de Romeinen gebruikten aanvankelijk nog lange rollen om hun teksten op te bewaren. Toch waren zij waarschijnlijk de eersten die met het idee kwamen om een stapel teksten aan elkaar te verbinden met een band, zodat ze doorbladerbaar waren. In eerste instantie deden ze dat met wastafeltjes. Dat leverde zware schriften op, die wel herbruikbaar waren, omdat wat je in de was graveerde nu eenmaal prima te wissen en te wassen was. Maar voor het serieuze werk werden perkamenten bundels vervaardigd: de eerste boeken, de codices.

Zo’n codex was natuurlijk een handschrift, geen gedrukt boek. Maar dat is dat Evangelie van Cuthbert ook niet, dus dat zal het punt niet wezen. En Cuthberts evangelie is zeker niet het oudste handschrift. Een beroemd handschrift dat ik zelf graag eens in handen zou hebben is de Gotische Bijbelvertaling, de Codex Argenteus. Dat is een echt boek, met de evangelisten erin. De auteur is Wulfila, de man die ijverig de Bijbel vertaalde in zijn moedertaal en daarmee de eerste lange tekst in het Germaans schreef – of toch tenminste de eerste die bewaard gebleven is.

De Codex Argenteus werd rond het jaar 500 vervaardigd, toch anderhalve eeuw eerder dan dat Engelse evangelie. Het onttroont Cuthbert gemakkelijk. Het wordt niet in Engeland, maar in Zweden bewaard, dus voor de Angelsaksische pers valt er niks mee te behalen. Maar zelfs deze codex is niet de oudste in z’n soort, bijlange niet. Misschien wordt de alleroudste dan toch nog ergens in Engeland bewaard.

Natuurlijk gaat ’t me niet eens om het superlatief. Het oudste boek, wat is dat nou voor titel. Waar het mij om gaat is dat de Engelse bron zo gemakkelijk voor waar wordt aangenomen door de internationale pers. Zo kan iedere chauvinist z’n claims wel verspreiden. Google geeft ze al gauw gelijk. Tot Google dit blog heeft opgemerkt, natuurlijk.

Neerlandiziek

In het onvolprezen cultureel tijdschrift Ons Erfdeel heeft René van Stipriaan, het genie achter de prachtsite dbnl, zich kwaad gemaakt over de hedendaagse neerlandistiek. Het is goed dat iemand zich daar eens in het openbaar kwaad over maakt. Ik maak me er ook dikwijls kwaad over, maar ik ben niet zo openbaar. Wat ook weer jammer is.

Van Stipriaan zet in zijn artikel in Ons Erfdeel uiteen hoe de neerlandistiek zich de voorbije decennia ontwikkeld heeft. Hij gaat vooral op de Nederlandse situatie in, maar wat hij schrijft geldt ook voor de situatie in Vlaanderen, zoals het minder mooie weekblad Knack terecht opmerkt. Behalve Knack heb ik er trouwens nog geen andere grote pers over weten schrijven, dus blijkbaar is zelfs René van Stipriaan niet openbaar genoeg.

Van Stipriaan stelt vast dat de moderne neerlandistiek nauwelijks nog ambitieus is. Het gaat niet meer om de grote wetenschap, er worden geen bakken geschiedenis over de studenten uitgestort, het gaat allemaal allang zo diep niet meer. Tegelijkertijd is de site van dbnl, waar het wél diep mag gaan, een succes: de site wordt druk bezocht door ’n breed, blijkbaar geïnteresseerd publiek. Dat publiek zoekt veel minder z’n heil op de letterenfaculteiten, en Van Stipriaan begrijpt wel waarom. Er is gewoon niks meer aan.

Zelf kom ik ook graag op die mooie, overvolle website, waar je nog degelijke artikelen en talloze oude boeken terug kunt vinden. Wát een bibliotheek. Toen ik nog Nederlands studeerde stond er minder op, maar toen was ik er ook al gek van. Er viel meer te leren dan in de collegebanken. Want wat Van Stipriaan voorzichtig vaststelt, heb ik al vaker, bozer vastgesteld: de studie Nederlands is tot een soort speelkwartier voor mooie meisjes die wel ‘ns ’n boek lezen verworden, met echte wetenschap heeft ’t allemaal nauwelijks nog van doen.

Van Stipriaan wil dat de neerlandistiek weer ambitieuzer wordt. Laat taalkunde en letterkunde weer samensmelten, betoogt hij. Daar ben ik het dan weer niet mee eens. Ik ben zwartgalliger dan hij: hef die hele neerlandistiek maar op, dat vak is toch z’n geloofwaardigheid al kwijt. Zorg dan wel dat ervoor in de plaats een échte studie taalkunde komt, die zich niet door één taalgebied beperkingen op laat leggen, maar die diep en precies op alle talen van de wereld ingaat, van Chinees tot Fries en van Hongaars tot Hixkaryana. Voor de letterkunde hetzelfde: niet alleen Reve, maar ook Huysmans, niet alleen Nescio, maar ook Lu Xun. En Cornelis van der Wal, natuurlijk.

Ondertussen worden de laatste restjes neerlandistiek verder onttakeld. Bezuinigen is het toverwoord, visie en ambitie zijn achterhaald. Dáárom is Van Stipriaans pleidooi zo onopgemerkt gebleven: het past niet meer in deze tijd. Universiteiten zijn scholen geworden, blije oorden voor blije tieners, en met diep graven, of ’t nu binnen één taalgebied is of algemener, zoals ik zou willen, kom je dat verval niet meer te boven.

Laat ze lezen, schrijft Van Stipriaan. Laat ons op dbnl maar lezen dan. Allemaal. Niet dat autodidact zijn wél van deze tijd is – integendeel – maar voor onze gemoedsrust is het zo beroerd nog niet. Vooral niet als we bij het lezen bedenken dat er ook nog anderen zijn, die lezen willen, al is het dan niet in het openbaar.

Een reis naar Friesland

Sneek, ik zag er niks van. Door de ramen van de bus viel niet te kijken. Alles was van water wit. Over de voorruit schoven ruitenwissers. Waar was ik? Was dit al het station? Niemand zei mij iets, ik vroeg niemand iets. Kabaal van regen en wind, de motor van de bus, het belletje van iemand die op “stop” drukte, verder niets.

In Sneek moest ik wezen. Ik had er een afspraak met een Friese dichter. “Een zonderling,” hadden ze gezegd, “hij is de meest paranoïde dichter van Friesland.” Zijn onbereikbaarheid paste bij dat gerucht. Hij woonde in een donkere stad. Zware wolken werden er door zuilen water omhooggehouden. Een stad zonder kerktorens, zonder pleinen. Sneek moest per ongeluk zijn ontstaan.

Een mooi meisje verliet de bus. Door de deuren zag ik andreaskruisen. Een spoor, een station? Haastig sprong ik haar achterna. Buiten was er alleen maar regen, haar zag ik niet meer. De bus vertrok en reed tussen spoorbomen door. Een station was er niet, er was hier zelfs geen bushokje, geen dak, geen plek om voor het weer te schuilen. Ik holde verder, blindelings de spoorbaan over – was dat enkelspoor? – tot aan een postmodern bankgebouw, met palen, een afdak en dus een verschuil.

Aan Sneek is alles postmodern. De nieuwe gebouwen, maar de oude ook: neostijlen, classicisme, betonnen zuilen. Geen gotiek, geen expressionisme, geen idee. Deze stad is per ongeluk ontstaan en ze hebben haar vervolgens volgezet met imitatiearchitectuur.

Door de regen heen sleepte ik Sneek door, tot ik in de straat van de Friese dichter Knilles was. Nummer 25, had hij mij geschreven. 24 was gauw gevonden, 30 ook, maar 25 was natuurlijk nergens. Een Fries dichter laat zich niet gauw vinden.
Ik belde hem. Nog nooit had ik hem gebeld. Hij gidste me door zijn buurt: het verborgen steegje in, het trapje op, het hofje door. De deur stond open al.

Bij Knilles thuis was het droog en aangenaam. Ik las hem mijn proza voor, hij gaf mij zijn gedichten.
“Ik heb ook een novelle,” zei hij, “maar die kan ik je niet geven. Ik heb zelf maar één exemplaar liggen en dat heb ik bij De Slegte gekocht.”
Een Fries dichter zijn, en dan te vallen. Of kan een Fries dichter niet eens vallen?

De avond kwam. Knilles en ik trokken Sneek in. Tussen de winkels stond een tent waar gratis glühwein te krijgen was.
“Als het gratis is, dan moet ik het hebben,” zei de paranoïde Friese dichter.
“Waarom is het gratis?” vroeg ik.
Het was om de folklore: hier werd een boek gepubliceerd. Het Friese elfsteden kookboek. De pompeblêden waren weer van stal gehaald. Het boek was in het Nederlands, dat wel. Dat legde één van die jongens ons in het Nederlands uit. Een zanger zong Hollandse schlagers en iets van Guus Meeuwis.

We zwalkten van kroeg naar kroeg, de dichter en ik.
“Knilles,” vroeg ik, “moet je als Fries dichter niet een enfant terrible zijn?” Als alles folklore moet wezen, dan ook de Friese dichters.
“Oh,” stelde Knilles me gerust, “ik ben nog steeds tegen alles hoor. Dat wel. Ik ben tegen alles.”

Op het laatst was ik niet eens meer tegen Sneek.

Een Baskisch boek uit Amsterdam (2)

Literatuur is er in grote en kleine talen. Ik heb een zwak voor kleine talen, en dus ook voor kleine literaturen. Ze doen vaak helemaal niet onder voor die hele grote, maar ze worden wél vergeten. Iedereen leest maar vertaalde Engelse boeken, niemand leest iets dat vertaald is uit het Estisch, Fries of Catalaans. Al eerder schreef ik over de bijzondere uitgeverij Zirimiri. Deze Amsterdamse uitgever ijvert ervoor kleintalige literaturen, zoals de Baskische, te ontsluiten voor het Nederlandse publiek. Ze publiceerden al Emekiro, een verhalenbundel met daarin werk van Baskische schrijfsters. Nu is er dan eindelijk een roman.

Sisifo maite minez is in Baskenland een bestseller. Het is verplichte kost voor ieder die de Baskische literatuur wil gaan ontdekken. Basken lezen Sisifo maite minez op school. De schrijfster, Laura Mintegi, is er een bekendheid. Ze schreef een essayistische roman over verliefdheid, over oprechtheid en verdwazing, over heel veel en tegelijk over heel weinig, over het kleine, tere en fragiele, en over hoe groot we dat maken… Enfin, ’t is zo’n typisch goed boek, geen romantisch niemendalletje, maar grootse literatuur, die toch meesleept en door iedereen gelezen wordt, omdat iedereen het lezen wíl… Nederlanders ook. Toch?

Sisifo maite minez is vertaald in het Nederlands. Het heet nu Sisyphus verliefd. Niet met een -f-, want dan zou ’t een vergeten boek van Ton Anbeek zijn, maar met -ph-. Het boek doet niet alleen met die -ph- z’n best om op te vallen. Het is opvallend mooi uitgegeven. Dat kunnen ze wel, bij Zirimiri, al hun uitgaven zijn grafische wondertjes. Alsof ze daar ook wel weten dat je er met ’n goed boek alleen niet meer komt. Want dat is het grote probleem: de Nederlanders en de Vlamingen willen Sisyphus verliefd misschien wel net zo graag lezen als de Basken, alleen weten ze dat van zichzelf niet. Zo dreigt Sisyphus verliefd ook in vertaling ondergesneeuwd te raken onder honderden romannetjes uit Amerika.

Zelf heb ik Sisyphus verliefd inmiddels gelezen. In vertaling, want Baskisch kan ik niet. Wel heb ik begrepen dat maite “liefde” is in het Baskisch. Het zal dus wel goed vertaald zijn. Gelukkig maar, want ik had er niks van willen missen, van dit wonderlijke boek.
Met ’n roman over de liefde maak je mij eigenlijk niet warm, ik ben immers een cynicus, wat moet ik met het relaas van hoofdpersoon Ane, die na een dwaze liefdesreis in Baskenland terugkeert bij haar echtgenoot…?
Al na ’n hoofdstuk had ik door dat dit andere koek was. Dit boek is smullen voor cynici. Het is voer voor psychologen, dat ook. Filosofisch is het, diepzinnig, tegelijk spannend en aangenaam mysterieus. De hoofdpersoon, Ane, gaat langs bij een psychoanalyticus, Esteban, die haar probeert te doorgronden, net als de lezer. Ane heeft net een zonderlinge liefde achter de rug. Op slag verliefd geworden, met hem naar Zuid- en Noord-Amerika gereisd, daar in verwarring geraakt – alweer – en zomaar teruggevlogen naar dat regenachtige Baskenland, waar niemand wist wat ze met Ane aanmoesten. Daarom is ze bij Esteban, maar die weet het ook niet. Ane heeft zo eigenaardig lief.

Verliefdheid, liefde, overgave, leugens en waarheden: Sisyphus verliefd hangt er van aan elkaar. ’t Is knap verweven. Het leest als een trein, daarom is het natuurlijk een bestseller geworden destijds. Ik kan het iedereen wel aanbevelen. Maar wie leest dit? Wie leest Sisyphus? Voorkom dat dit boek vergeten raakt, lezer. Doe het desnoods voor Laura Mintegi. Die verdient een groter publiek dan het Baskische alleen. Vraag er naar bij de boekwinkel. Een goede boekverkoper, zo’n ouderwetse, wil vast ook wel eens wat anders verkopen dan Angelsaksische chicklit.

Toch?

Al zwart

Sinterklaas is weer in het land. Dat verheugt me, want ik houd van het Sinterklaasfeest. ’t Is zo’n vertederende traditie. Als de Sint weer in het land is vind ik het jammer dat ik niet meer geloof. Toen ik acht was vertelde mijn moeder het me. Ik herinner me die avond nog heel goed. Ik voelde het als een verlies, destijds, en soms voelt het nog zo.

Als alle jaren ging ook nu op zaterdagmiddag de televisie aan, om de nieuwe Sint te zien, en Dordrecht. Dieuwertje Blok zat er net als ieder jaar, de liedjes waren dezelfde, de boot ook. De Sint bleek ook geen spat veranderd, daar had ik nog even voor gevreesd. De beelden waren chaotisch maar verzorgd. Dordrecht stond er mooi op, de burgemeester kon tevreden zijn.

Later, toen ik weer gewoon op internet volwassen zat te wezen, kwam ik op heel andere beelden uit. Beelden van diezelfde intocht, maar nu grimmiger. Ze stonden op youtube, daar had ’n verontruste toeschouwer ze opgezet. Er was blijkbaar reden tot ongerustheid.

Elk jaar zijn ze er weer, de mensen die krijten dat Zwarte Piet racisme is. Ik heb die mening altijd maar vervelend gevonden. Het valt allemaal wel mee. De intentie is niet slecht, volgens mij. Echt racisme valt het niet te noemen. Maar hoe vervelend ook, ’t is wel ’n mening die erbij is gaan horen, die natuurlijk ook gewoon mag worden geventileerd. Ook dat is Nederlands, nietwaar?

Bij de intocht in Dordrecht stond een man met een wit t-shirt aan. “Zwarte Piet is racisme”, stond erop. Naast hem stond nog een man, met een zwart t-shirt aan, en in witte letters dezelfde tekst. De man met het witte shirt zou de beroemdste worden. Hij is de dichter Quincy Gario, die eerder een leuk poëzieproject opzette in de Amsterdamse Javastraat, maar nu als “de man van het youtube-filmpje” door het leven gaat. Hij werd namelijk onder het toeziend oog van ouders en kinderen hardhandig tegen de grond gewerkt door de politie. Ze veegden de straat met hem, vrij letterlijk, en dreigden omstanders die er wat van zeiden ook te arresteren, waarna het protest verstomde en alleen het cameraatje door bleef pruttelen, met het veelbesproken youtubefilmpje als resultaat.

“Ik heb niks gedaan,” kreet de neergeslagen dichter nog. Heeft hij inderdaad niks gedaan? Hij stond er met ’n wit t-shirt met daarop een mening die ongetwijfeld veel mensen geërgerd zal hebben, maar dat lijkt mij inderdaad geen geldige reden om iemand op te pakken. En zo hardhandig zou het al helemaal niet moeten, met zo’n meute kinderen eromheen. Dat past veel minder bij het feestje dan dat t-shirt.

Het is erger: zoiets past niet bij Nederland. Of toch niet bij het Nederland waar ik in geloof. Deze beelden, de agressie, de wellust van de agenten, het onbezonnen machtsmisbruik: ook voor mij voelt het als verliezen. Waar is die vrijheid van meningsuiting, waarover je enkele jaren geleden nog zoveel hoorde, gebleven?

Dieuwertje vond de intocht naderhand een groot succes. Ze straalde. Ze zal ook wel niet geweten hebben wat er wat straten van haar vandaan gebeurde. Zou ze er ooit iets van gaan zeggen? Zouden onze politici er nog iets van gaan zeggen? Of zouden ze allemaal, net als die ouders daar op straat in Dordrecht, geïntimideerd blijven zwijgen, en hoogstens maar ’n beetje filmen in de hoop dat dan iemand anders nog voor hun recht vecht…?

Bekijk het filmpje op youtube.