Randprovincie

Er is weer wat op til. Er komt een nieuwe regering, met dezelfde premier als eerst, maar naar ’t zich laat aanzien nu iets volwassener beleid. Kleine jongens worden groot. Deze dagen staan in het teken van “genoemd” worden. Natuurlijk lekken er ook al plannen uit, zo gaat het altijd. De contouren van het tweede kabinet-Rutte worden zo beetje bij beetje zichtbaar.

Eén punt is al direct de grens overgestoken: Belgische media pakken voldaan uit met het voornemen om de Hedwigepolder alsnog onder water te zetten. De Vlaamse regering vindt de natuurcompensatie die Europa zo graag wil namelijk ontzettend belangrijk, al is het meer een principekwestie dan een inhoudelijk punt. Maar inhoud is natuurlijk ook niet waar ’t om gaat.

In Nederland zal het vooral over cijfertjes gaan. Twee uitgelekte cijfers vielen mij op: 5 en 100.000. Dit kabinet gaat ons land hervormen, jawel, en er moeten 5 superprovincies komen met daarin gemeenten van minimaal 100.000 inwoners. Echt waar, kijkt u de lekjes maar na.

Het plan is niet helemaal nieuw, de getallen zingen al langer rond in Den Haag. Ik heb me er al eerder tegen uitgesproken. Democratie gaat niet om cijfertjes, democratie gaat over vertegenwoordiging en stabiel bestuur. Rousseau schreef dat democratie het beste functioneert op een kleine schaal. Ook recent is dat nog bewezen: kleine gemeenten zijn goedkoper én efficiënter dan grote.

In Den Haag is men gewend alles tot cijfers te reduceren, ook goed bestuur. Identiteit is niet te meten en dus ook niet langer van belang. Hef Friesland maar op, moffel het platteland onder steden weg, laat wat al heel lang prima functioneert maar verdwijnen in een rekensom. 5 landsdelen, een gemeente of 150, makkelijk zat.

Alkmaar is een aanzienlijke stad, maar de gemeente heeft nog geen 100.000 inwoners. Nu zijn een aantal omliggende dorpen aan Alkmaar vastgegroeid en zelf verstedelijkt: de “HAL”, die bestaat uit Heerhugowaard, Heiloo, Alkmaar en Langedijk, komt wel aan 200.000 inwoners. In de praktijk functioneert deze agglomeratie ook als één stad. Is een fusie dan niet gewoon heel redelijk?

Misschien. Maar het mooie is: déze fusie komt er niet. In de plaats fuseert Alkmaar straks met Graft-De Rijp en Schermer, uitgesproken landelijke gemeenten – Graft-De Rijp grenst niet eens aan Alkmaar. Voor de cijfers hindert ’t niet, we komen wel aan 100.000, maar levert dit nu efficiënt bestuur op? Stad en platteland moeten nu samen een tussenweg gaan vinden.

Zo gaat ’t ook met provincies. Een Randstadprovincie, dat klinkt prima, maar wat heeft het platteland daar bij te winnen? Als het aan dit kabinet ligt wordt Texel straks Randstad, heel West-Friesland ook. En dat zijn dan nog West-Friezen, de échte Friezen, met zo hun taal en hun cultuur en hun identiteit, zullen straks opgaan in een heel groot Groningen. Want taal, cultuur en identiteit, daar zijn geen cijfertjes van.

Ik ben over het algemeen helemaal niet ontevreden over het nieuwe kabinet. Een middenweg, links en rechts samen, brede steun in de Tweede Kamer, het is allemaal veel beter dan het de voorbije jaren was. Maar laat ze niet alles wegcijferen voor een compromis. 100.000 is helemaal niks en 5 nog minder.

Overrijp

’t Herindeelt maar aan in Nederland. De mafste gemeenten ontstaan er zo. Het nieuwste herindeelplan komt uit mijn eigen streek. Alkmaar gaat fuseren met Graft-De Rijp. Tussen Alkmaar en die mooie, landelijke gemeente ligt nog wel ’n Schermer, maar dat maakt niet uit. Er zijn al zulke gekke gemeentegrenzen gecreëerd de voorbije jaren, dan kan een exclave er ook nog wel bij.

Al lang volg ik de gemeentelijke herindelingen verwonderd. Onderzoeken bewijzen, dat kleine gemeenten goedkoper zijn dan grote, dus geld kan het argument niet zijn. Praktisch is ’t niet, zo’n megagemeente, dat is de reden vast ook niet. Centralisatie dan? Identiteit is geen argument, dat blijkt wel uit de resultaten. Stedelijke gemeenten fuseren met landelijke. Dorpen die niks met elkaar te maken hebben liggen ineens in één fusiegemeente. Overal in Nederland is de gekte toegeslagen. En eigenlijk weet niemand goed waarom.

Ik woon in de provincie Noord-Holland. Daar hebben we er weer wat pareltjes bij. Hollands Kroon bijvoorbeeld, een fusiegemeente waar het eiland Wieringen, de Wieringermeer, het West-Friese Niedorp en het aan Den Helder grenzende Anna Paulowna in zijn opgenomen. De bewoners richten zich in het dagelijks leven op regionale centra buiten de gemeente (Schagen, Den Helder, Hoorn) en vooral niet op elkaar. Toch hokken ze samen. Tegen hun zin, als je ’t zo hoort daar. Maar democratie is al helemaal het argument nooit geweest.

An sich ben ik niet tegen herindelingen. Met name voor uitdijende steden kunnen gemeentegrenzen het bestuur bemoeilijken. Alkmaar is daar een voorbeeld van. Eigenlijk zijn Alkmaar, Heerhugowaard, Langedijk en Heiloo samen één agglomeratie, maar er is niet één bestuur. Een fusie kan dan een optie zijn, al is nauw samenwerken ook goed.

Nog uitgesprokener zie je problematische gemeentegrenzen in Amsterdam, waar dorpen als Diemen en Duivendrecht zelfstandig blijven, ook al zijn ze volledig door de stad opgeslokt en maken de inwoners ook van de gemeentelijke voorzieningen van Amsterdam gebruik. Van Rotterdam kan hetzelfde worden gezegd. Daar kan een herindeling best nuttig zijn.

Maar grote gemeenten herindelen niet. Nee, herindelen, dat moet op het platteland, vindt Den Haag. De gemeenten waarvan al jaren wordt gezegd dat ze zo goed functioneren, net omdat ze zo klein zijn, moeten eraan. Voor de rest is er geen visie. De provincie zegt niet: De Rijp, fuseer anders met de Beemster of de Schermer, dat snijdt nog wel hout. Nee, gemeenten moeten het zelf maar uitvogelen. Onbekende belangen slingeren alle kanten uit. Rare grenzen worden niet getekend, maar getrokken. Geruzie in de raad. Sentimenten, gelazer. En dan een amorf resultaat.

In Alkmaar wordt nu gepraat over een referendum. Alsof dat wat uithaalt. Maar als ’t er komt, dan stem ik ‘ns tegen. Ik wil graag een constructieve burger zijn, heus, maar ik wil geen burger van een politiek gedrocht worden. Herindeel als ’t nodig is, of anders helemaal niet. Die ontzettende visieloosheid, wat is dat toch voor akelige mode?

Twaalfstedenkoorts

Van vorst krijgen Nederlanders het warm. Met het vriesweer van vandaag en het vooruitzicht dat de temperatuur voorlopig nog wel onder nul blijft ook loopt de traditionele Elfstedenkoorts hoog op. Natuurlijk zijn er ook de obligate opgeheven vingertjes, dat het voorbarig is, dat niks zeker is, maar die opgeheven vingertjes zijn al evenzeer onderdeel van de folklore. De Tocht der Tochten zingt door de media en door de Nederlandse hoofden.

De Elfstedentocht is behalve een Nederlands natuurlijk ook een Fries evenement. Zo’n Âlvestêdentocht is voor veel Hollanders gelegenheid om hun Fries wat op te poetsen. Ineens weet iedereen weer dat Sloten eigenlijk Sleat heet. Komiek zijn de pogingen om Bartlehiem met een Friese tongval uit te spreken, met een zware rollende r zelfs. De r in Bartlehiem wordt in het Fries helemaal niet uitgesproken!

Al die aandacht is de Friezen natuurlijk gegund. De Friese zaak gaat mij heus aan het hart. Maar toch zou ik het leuk vinden als we er hier in het westen eens iets tegenover konden zetten. Een Noord-Hollandse tocht, liefst, want ik woon in Alkmaar. Wat ronddwalen op Wikipedia leerde me dat zo’n tocht zelfs heeft bestaan. De Twaalfstedentocht, jawel. In de 17e eeuw is ‘ie al ‘ns gereden, in 1822 nog ‘ns, daarna nooit meer.

De Twaalfstedentocht is een onwaarschijnlijke tocht: de route leidt over het gigantische Markermeer, dat maar zelden dichtvriest. Hoe dan ook is echte vrieskou zeldzamer zo dicht aan zee. Noord-Holland is een schiereiland. Maar toch, maar toch. Het klinkt wel als iets prachtigs. De Twaalfstedentocht.

De historische tocht begon in Zaandam en eindigde in Alkmaar. Zaandam had toen alleen nog geen stadsrechten, dus pas van Haarlem begon men met tellen. Hoewel ik van Zaandam houd, vrees ik dat die stad in een moderne versie toch niet kan worden meegenomen, want van Zaandam het Noordzeekanaal over – dat gaan de ijsbrekers niet toestaan. Dan maar in Haarlem van start, op het Spaarne liefst, dat geeft ook mooie plaatjes. Dit is de route:

  • Haarlem
  • Amsterdam
  • Weesp
  • Naarden
  • Muiden
  • Monnickendam
  • Purmerend
  • Edam
  • Hoorn
  • Enkhuizen
  • Medemblik
  • Alkmaar

Deze tocht is zwaarder dan de Friese tegenhanger. Ik schat dat er een kilometer of 300 geschaatst zal moeten worden, over grote ijsvlaktes met de nodige wind. Vooral de tocht van Hoorn via Enkhuizen naar Medemblik gaat zeer doen. Eventueel zou er een nieuwe route gevonden kunnen worden waarbij Enkhuizen niet wordt aangedaan, dan kan er binnendoor naar Medemblik geschaatst worden en daarna via Schagen naar Alkmaar, om toch tot twaalf steden te komen. Maar ja, dan maak je de tocht wel weer net iets minder heroïsch.

Toch zie ik het zitten. Een extra stempelpost op Pampus, wat een plaatjes gaat dat opleveren! Als het maar genoeg vriest moet het lukken. In 1822 deden ze er nog 24 uur over, maar met de moderne technieken kan het vast iets sneller. Goed voor op tv. En dan natuurlijk die finish in Alkmaar. Daar ben ik bij.

Wie mee wil denken: reageer gerust! Wie weet komen we zo nog tot betere ideeën, opdat de Twaalfstedentocht herleve.

Gastblog

Vandaag laat ik maar kort iets van mij horen. Ik moet wel weer meer gaan bloggen, natuurlijk, anders word ik nooit beroemd. Maar het nieuwe jaar is nog lang.

Het nieuws van vandaag is dat ik ergens anders dan hier ben wezen bloggen. Mijn ontrouw is nu tastbaar: hier is mijn gastblog te lezen, op de onvolprezen site “monumentje”. Ik heb natuurlijk over kerken in Noord-Holland geschreven. Als je dan toch stokpaardjes hebt moet je ze durven berijden ook.

Verder even niets. Ik ga vast van de week wel weer bloggen. Er is altijd wel iets om me kwaad over te maken. Geen lezer hoeft bezorgd te zijn.

Ontgrenzeld

Donner wil aan grenzen tornen. Dat werd deze week duidelijk, toen hij het plan de wereld inslingerde om drie provincies, Noord-Holland, Utrecht en Flevoland, te laten fuseren. ’t Was geen suggestie, geen denkpiste, zelfs geen luchtballonnetje. Daar is Donner het type niet voor. Het was meteen maar een besluit. De fusie moet er komen, de provincies hebben dat maar te accepteren. Ze moeten de komende tijd de plannen van Donner maar gaan uitwerken, aldus Donner.

De provincies zijn op hun beurt niet erg blij. Samenwerken, daar waren ze al wel mee bezig, dat is natuurlijk ook wel nodig. Amsterdam reikt ver: Almere en Utrecht zijn nauw met onze hoofdstad verbonden en om de regio sterk te maken is een goede samenwerking belangrijk. Geen mens ontkent dat. Maar een provinciale herindeling, is dat nu nodig? De provinciebesturen morren. Dit gaat te ver. De minister wil veel te veel, en hij wil het niet alleen, hij eist het zomaar.

Een superprovincie bestaande uit Noord-Holland, Utrecht en Flevoland zou een eigenaardige vorm krijgen. Ergens in het midden bevindt zich de stedelijke kern waar het allemaal om draait: Amsterdam en, in breder perspectief, de “Noordvleugel” van de Randstad. De oude vertrouwde Randstad is de voorbije decennia in twee sterke economische regio’s uiteengevallen, de Noordvleugel en de Zuidvleugel. De Zuidvleugel ligt veilig in één provincie, Zuid-Holland. De Noordvleugel, die bestaat uit Amsterdam, Haarlem, Schiphol, de Zaanstreek, Almere en Utrecht, tja, die ligt voorlopig maar wat verspreid. Waarom zou je die Noordvleugel niet gewoon tot één provincie maken, net als Zuid-Holland?

Aan de Noordvleugel hangen twee vogellijfjes. Het ene is Flevoland, voor het grootste deel een landelijke provincie met heel andere belangen dan die ene Noordvleugel. Het andere vogellijfje is ouder, groter ook: dit is het “Noorderkwartier”, ook wel West-Friesland genoemd. Een regio met een sterke identiteit, een bijzondere geschiedenis en opnieuw heel andere belangen dan die van de Noordvleugel. Het is een agrarische streek die zich weert tegen de verstedelijking die vanuit het zuiden oprukt. Als het aan de West-Friezen ligt komt zo’n Randstadprovincie er niet van, ze zouden maar mooi vleugellam raken.

Aan Donners plan kleven veel nadelen die hij zelf kennelijk niet heeft willen onderzoeken. Binnen zijn superprovincie bestaan tegengestelde belangen. Hij zou het democratisch evenwicht, dat nu met name in Noord-Holland al moeizaam is (het zwaartepunt ligt te veel in het zuiden), ernstig uit balans brengen. De voordelen van een nauwe samenwerking tussen Amsterdam, Almere en Utrecht worden hierdoor tenietgedaan.

Dat Donner de huidige provinciegrenzen in vraag stelt, dat vind ik prima. We zouden best kunnen nadenken over andere manieren om ons land bestuurlijk in te delen. Een Amsterdamse stadsprovincie, zonder het Noorderkwartier, dat zou nog wel een idee kunnen wezen. Een Duits systeem van Kreise en Kreisfreise Städte zou ook best eens kunnen worden onderzocht. Die discussie zou interessant kunnen zijn. Ik zou er graag aan mee doen.

Donner heeft anders besloten. Er is geen discussie. Er is alleen zijn eis, zijn bevel, zijn autoriteit. Het moet en zal gebeuren, ook al wil niemand er echt aan. Ik vind ’t pijnlijk. Dat zo’n conservatieve regent tegelijk zo weinig eerbied voor zijn geschiedenis heeft, dat is toch eeuwig zonde.

Abuys

Wanneer was Alkmaars Gouden Eeuw? Die vraag wordt zelden eigenzinnig genoeg beantwoord, men gaat er altijd maar van uit dat de Gouden Eeuw van Alkmaar wel ongeveer gelijk liep met die van Amsterdam en Hoorn, terwijl historici best weten dat het met Alkmaar in die tijd juist al gauw gedaan was met de bloei. Natuurlijk, de schildersfamilie Van Everdingen, dat waren meesters, Alkmaarse meesters, maar geen van hen was “de Meester van Alkmaar”, zoveel is zeker. Wie dan wel de Meester van Alkmaar was, daar wordt nog over gediscussieerd, maar we weten wel dat hij schilderde rond het jaar 1500 en wat mij betreft ligt in die tijd ook Alkmaars Gouden Eeuw.

De Meester van Alkmaar leefde in de jaren dat in Alkmaar de grootste architectuur van de stad werd neergepoot: de Sint-Laurenskerk en het stadhuis. De eerste gotisch, en hóe, de tweede al renaissance maar niet minder perfect. In een halve eeuw werd hier voor duizend jaar aan architectuur opgetrokken. Voor een architectuurliefhebber zijn de eerste decennia van de 16e eeuw zeker wel de Gouden Eeuw van Alkmaar.

De Meester van Alkmaar was geen architect, hij schilderde. Zijn bekendste werk, De Zeven Werken van Barmhartigheid (1504), was zelfs goed genoeg voor het Rijksmuseum. In Alkmaar zelf hangt nog een ander werk van hem, maar dat is niet zo aansprekend als dat kerkelijke zevenluik, dat zo middeleeuws oogt en tegelijkertijd al zo modern, de nieuwe tijd lonkte immers al – Jan van Scorel zou de renaissance enkele jaren later definitief in Alkmaar introduceren.  Het is een schilderij als een gebouw, bedoeld voor iedereen, heel moralistisch maar tegelijkertijd misschien wel grappig, ondeugend, omdat er overal van alles gebeurt. Zo zijn veel schilderijen uit deze periode: ze lezen als stripverhalen, er is zoveel op te doen – zo anders dan de strenge portretten van Cesar van Everdingen, wat eeuwen later!

De Meester van Alkmaar, wie is hij? Wie schilderde die heerlijke Zeven Werken van Barmhartigheid? Er is wel een naam op hem geplakt, natuurlijk niet met zekerheid, maar wel door lieden met verstand van namen en van schilderkunst: Cornelis Buys. Een echte Alkmaarse schilder moet hij zijn geweest, maar tegelijkertijd een broer van de Zaankanter Jacob van Oostsanen, nog iemand die zo scharnierde van Middeleeuwen naar Renaissance.

De Gouden Eeuw van Alkmaar was een scharnierende Gouden Eeuw, zowel in de schilderkunst als in de architectuur. Ze laat zich lezen als een lineair verhaal. De Meester van Alkmaar had een zoon, Cornelis Buys de Tweede, die nog veel meer door de zuidelijke renaissance beïnvloed was dan zijn pa. Van hem heeft nauwelijks een mens gehoord, zijn werken zijn op internet bijna allemaal onvindbaar, er is enkel tekst en een aardige maar droge Wikipagina. Toch, Cornelis Buys de Tweede, díe kon er wat van.

In het Stedelijk Museum van Alkmaar hangen meerdere schilderijen van Buys II. Het merkwaardigste is een klein doekje met daarop aan de rand wat Bijbelse landschappen die zó van Jan van Scorel hadden kunnen zijn, en dan zomaar in het midden een grote renaissancegevel, een lijst, een orgelkas – iets dat duidelijk niet met de rest correspondeert, een tweede schilderij in dit schilderij. In deze gevel is dan weer een cirkel, en in die cirkel zit Jezus, vaag verlicht, en hij vertelt er aan zijn discipelen dat hij verloochend zal gaan worden. Petrus buigt meteen het hoofd, de anderen peinzen en kijken weg. Het is een pijnlijk tafereel. Dit schilderij leeft, maar het is geen stripje meer, het is één statische voorstelling waarbij niet de panelen maar het oog, het licht, de secure lijntjes een lineair verhaal vertellen. Alles is kleurig, fel, vól, en overal is zo ontzettend veel detail, de handjes kloppen, de vingers, Jezus heeft een mond met mondhoeken en rimpels om zijn ogen, en Petrus baalt zo levensecht van zichzelf…. en misschien ook wel van de beschuldigende blik die wij op hem werpen als wij stil naar dit meesterwerk te staren staan.

Cornelis Buys de Tweede. Niet alleen door goed te kijken naar Jan van Scorel, maar juist door individueel te durven zijn, werd hij een echte renaissancemens. Wie nu door het Stedelijk Museum van Alkmaar loopt hoeft helemaal zo’n expert niet te wezen om zijn hand, zijn kleur, zijn oog voor detail te herkennen. Zo zeg je: dat is een Buys, en het naambordje geeft je gelijk. Deze Tweede Buys is de ware Meester van Alkmaar, maar toch zo ontzettend onbekend – net als heel die Alkmaarse Gouden Eeuw is hij vergeten, overschaduwd door schimmen uit een recenter, grootstedelijker verleden. Zo gaat dat met provinciale Gouden Eeuwen.

Bier

In Purmerend ben ik geboren en in België heb ik gewoond. Voor een bierliefhebber is dat twee keer goed nieuws, want in Purmerend zit ’n goede brouwerij (S.N.A.B.) en in België houden ze veel van bier. Niet dat je het Purmerendse bier in België zult vinden, dat niet.

Onlangs was ik eens in Purmerend en daar bezocht ik het lokale biercafé. Voor een stad met zo’n beroerd imago heeft Purmerend verrassend goede cafés, waarvan Bontekoe het bekendste is en niet ten onrechte. Ik heb de tapkaart er op ’n viltje genoteerd, zodat ik thuis nog eens kon terugverlangen naar wat er daar allemaal te drinken viel. Wat opvalt is de grote variatie. Ik heb de herkomst van de bieren er maar bijgezet:

Brand Pilsener (Nederland)
Brand Sylvester (Nederland)
Goliath Winterbier (België)
Dobbelpalm (België)
S.N.A.B. 1410 (Nederland)
S.N.A.B. IJsbok (Nederland)
Gouden Carolus Ambrio (België)
Guinness (Ierland)
Edelweiss (Oostenrijk)
Texels Eyerlander (Nederland)
Texels Skimme (Nederland)
Troubadour Magma (België)
La Chouffe (België)
La Trappe Quadrupel (Nederland)
Ciney Blond (België)

België is goed vertegenwoordigd, Belgisch bier heeft immers een goede naam, maar gelukkig waren er ook Nederlandse bieren op tap. Veel cafés kiezen nog risicoloos voor saaie Belgische klassiekers als Leffe en De Koninck, maar niet de Bontekoe, daar durft men onbekende Waalse topbrouwers naast de lokale favorieten te zetten. Noch voor de S.N.A.B. noch voor de Texelse Brouwerij hoef ik mij als Purmerender van Texelse komaf te schamen.

Als ik in België bier drink lijkt het er soms toch op dat ik mij schamen moet, want Nederlands bier kun je daar nergens krijgen. In België komt er sowieso weinig van de tap, biercafés hebben daar doorgaans wat klassiekers staan en dan een flessenlijst erna. Een Nederlands tapbier is ondenkbaar in België, op fles vind je er hoogstens eens La Trappe. Is er misschien iets mis met ons Nederlandse bier?

Bierkenners uit heel de wereld buiten België vinden van niet. Nederlandse brouwers gooien hoge ogen bij internationale wedstrijden. De S.N.A.B. won onlangs weer in Duitsland en brouwerij De Molen uit Bodegraven verovert Amerika. Maar dat maakt voor België niet uit, in België vinden ze Duits en Amerikaans bier ook beroerd. Een Oostenrijks bier kun je er niet kopen, een Zweeds niet, een Deens niet… Ligt het probleem dan bij het bier of bij de Belgen?

Wat de Belgische biercultuur vooral van andere onderscheidt is niet de kwaliteit van het gemiddelde bier of de verfijnde smaak van de gemiddelde drinker, maar het ongelooflijke snobisme waarmee het bier er omgeven is. Belgisch bier is volgens de Belgen zo ongeveer het enige drinkbare bier, al het andere is per definitie inferieur. Zelfs op regionaal gebied wordt zo gedacht: in Wallonië drinkt men heel andere bieren dan in Vlaanderen.  Er zijn geweldige bieren in Wallonië, daar niet van, maar Vlamingen drinken liever iets uit eigen streek. Waalse trappisten, ja, die kun je ook in Leuven en Hasselt kopen, en natuurlijk Chouffe want dat is tegenwoordig eigendom van een Vlaamse brouwerij, maar naar bieren van Dupont is het zoeken, al zul je ze nog wel sneller vinden dan Nederlandse of Luxemburgse bieren. Typisch is wat dat betreft de houding van Belgische biercafés tegenover de Scheldebrouwerij: toen die nog in Nederland brouwde, zag en hoorde je er niks van, inferieur bier meneer, maar toen de productie enkele jaren geleden naar België verschoof verscheen het plotseling overal op de kaart.

Dit extreme chauvinisme, het doorgeschoten protectionisme en de eindeloze hang naar wat ooit was en dus zo blijven moet maakt de Belgische biercultuur tot wat ze is: gewaardeerd om de traditionele, oude stijlen maar meer en meer ook bekritiseerd om het gebrek aan innovatie, waar elders in Europa (vlak ook Scandinavië en Italië niet uit) steeds meer gebeurt.
Deze week nog kwam het nieuws naar buiten dat een Zweedse brouwer het Belgische Westvleteren van de eerste plaats op ratebeer.com had gestoten. De rest van de toptien bestond uit Amerikaanse bieren. Je vraagt je af wie zich hier nou schamen moet…