Het einde

Yves Leterme is cijferblind. Dat bekende hij dit weekend zelf. ’t Is niet heel ernstig allemaal, hij wisselt af en toe ‘ns wat getallen om, maar rekenen kan hij best. Zolang hij zich er maar op concentreert. Als Minister van Begroting vormde z’n lichte cijferblindheid heus geen probleem, voegde Leterme er nog aan toe.

Een Belgisch premier die cijferblind is, daar vallen vast een hoop flauwe grapjes over te maken. Belgenmopjes natuurlijk, maar in België zelf valt er ook ’n hoop te sneren. Leterme zei wel vaker iets opmerkelijks, stof genoeg, zou je zo zeggen.
Toch: het valt wel mee, met die grapjes. Leterme verdient ze niet. Niet meer. Leterme, ooit verguisd, is door de nieuwe politieke generatie ingehaald en mag, nu hij eindelijk vertrekken kan, de jas van de oude wijze aan. Je zou bijna gaan geloven dat hij een gerespecteerd politicus geworden is. Dat word je in België niet gemakkelijk.

Het einde van Leterme was al veel eerder. Hij faalde als Belgisch premier, niet zozeer door onhandige uitspraken, al bleven die het best hangen, maar vooral omdat België de afgelopen jaren praktisch onbestuurbaar is geweest. Kon Leterme dat helpen? Nee, blijkbaar niet. Net dat maakte hem ’n mislukt premier.

Niemand kon het beter. Er kwamen verkiezingen, schreeuwerige verkiezingen, en toen brak de langste formatie ooit aan, die al even schreeuwerig was. Leterme bleef in de schaduw van de schreeuwers staan en bestuurde het land, zo goed en zo kwaad als dat ging.
Leterme schreeuwde niet, maar zuchtte soms, en riep de onderhandelaars een enkele keer tot de orde, alsof hij werkelijk boven de partijen en boven die dwazen stond. Hielp ‘t? Het heeft Leterme in elk geval geholpen.

Nu is de nieuwe regering er: Di Rupo trekt nog een keer z’n strikje recht en stapt dan de trap naar de top op. Hij wordt premier van alle Belgen, een Waals premier, een homoseksuele premier ook nog. Een provocatie, krijt conservatief Vlaanderen. Misschien hebben ze niet eens ongelijk. Het zal Di Rupo zwaar vallen, boven zichzelf en de partijen uit te stijgen. Maar kennelijk is niets onmogelijk. Volgens Reve kon bij God en in Nederland alles, maar in België kan ook ’n hoop.

Leterme stijgt verder, naar de OESO, waar hij weer geconcentreerd cijferen mag. Voor hem is het allemaal nog niet voorbij. Of er een einde komt aan de Belgische onbestuurbaarheid, dat weet niemand. Velen hopen erop, dat helpt. Het eerste kabinet Di Rupo heeft in ieder geval al knopen doorgehakt. Alle deelnemers hebben in hun eigen vlees gesneden om tot de compromissen die nu in ’t akkoord staan te komen. Hoe laf de oppositie dat ook noemen mag, het is toch een goed teken. Misschien is België wel gered.

Leterme gaat. Wie zwaait hem na?
Hij werd pas een ster in het donker, in de schaduw van alle miserie van de afgelopen anderhalf jaar. Hij zou ook in het donker moeten vertrekken, zonder veel tamtam (en zonder volkslied, liefst). Dat past hem. Hij hoeft er ook geen aandacht op te vestigen, op zijn vertrek: ze merken het vanzelf wel. Ze gaan hem missen.

Een Baskisch boek uit Amsterdam

Dinsdag werd er bij mij een nieuwe boekenkast bezorgd. Het laatste stukje lege muur werd ingevuld, nog meer werd m’n woonkamer een bibliotheek, overal zouden nu boeken komen – wat me zelf wel veilig leek. Boeken behouden nog de eeuwigheid in een tijd waarin alles vluchtig is, feiten binnen een dag achterhaald zijn en duizenden debatten drammerig doordreunen op fora en tv. Boeken verzetten zich tegen de vluchtigheid van het moderne. Dat is nodig zelfs.

Toch werd ook aan de boeken deze week getornd. Ik herschikte en verplaatste, om zo mijn nieuwe kast mooi te vullen en de andere wat op te ruimen, want overal lagen nog de boeken over en achter elkaar, onopgemerkt zowat. De literatuur zou zich nu over zes planken verspreiden, en op ’n nette manier, dat leek me wel zo horen. De volgorde werd alfabetisch, en taal zou bij taal gaan, eerst veel Nederlands en dan pas de rest. De vijfde plank was de eerste anderstalige. Oude Friese boekjes zette ik er neer, Schurer en Triemersma en natuurlijk H. P. de Jong, proza en poëzie, en toen ze er stonden bestónden ze ook eindelijk weer. Te lang had het Fries achter een glazen deurtje moeten liggen, de taal was nu herrezen in mijn huis, en even leek het alsof het Fries, de literatuur en zelfs die dode Schurer weer een echte toekomst hadden, wat ik onlangs in mijn vluchtige blogje nog betwijfelde.

Naast het Fries van De Jong kwam een nieuw boekje, roder nog dan En de inket sil útrinne, met zwarte letters op een smalle kaft: Emekiro. Bijna dreigend staarde het kaftje me aan. Dit boekje was alles wat ik had van de Baskische literatuur, en het was nog in Amsterdam uitgegeven ook, in het Nederlands zelfs, maar de namen op de kaft, de titel en de naam van de uitgeverij waren exotisch genoeg om me een ogenblik opnieuw te verwonderen.

Emekiro is geen oud boekje. Verleden week kreeg ik het pas. Er staan Baskische verhalen in, vertaald naar het Nederlands, en twee verhalen werden door een Baskische dame direct in het Nederlands geschreven. Haar handtekening stond op het eerste lege blad, háár had ik ontmoet, vrijdag vorige week, toen ik m’n kast nog niet eens had gekocht en het Fries gestapeld achter een ruitje lag. Ik interviewde de schrijfster over haar taal en haar literatuur.

Het Baskisch is zoveel raadselachtiger dan het Fries. Geen taalkundige weet waar de taal vandaan komt of zelfs maar waarop ze een beetje lijkt. Wie de taal niet eerst bestudeerd en geleerd heeft kan er nooit iets van verstaan, tenzij hij er mee geboren is, en door z’n ouders in het Baskisch opgevoed – maar dat genoegen is maar weinigen gegund. Een verre bergtaal is het Baskisch, onbekend en ongehoord en ongelezen vooral. Tot deze week, toen Emekiro kwam en ik vertaalde Baskische verhalen las over moderne mensen in een vluchtige wereld, met daarin toch die oude, behouden taal.

Kristina Goikoetxea zag er nog minder Spaans uit dan ik had verwacht. Ze had blauwe ogen. Basken zijn bijna Noord-Europees om te zien, vertelde de uitgever later. Zelf had hij donker haar en donkere ogen, wat bijna jammer was, maar in Nederland in ieder geval wel exotischer. Kristina Goikoetxea sprak Nederlands, heel behoorlijk zelfs, maar ze was wel een echte Baskische die van haar taal hield en er natuurlijk nooit helemaal los van kwam. Waarom dan die keuze voor het Nederlands, een taal die met het Baskisch niets te maken heeft? “Lego,” zei ze, “Nederlands is als lego en Baskisch is dat ook.” Een taal van blokken, van woorden die met een k beginnen en er ook mee eindigen, kijk en koek en kaak… Zo helder, zo eerlijk, zo zalig zonder zever was het Nederlands. Net als Baskisch dus.

“Elkaar” is elkar in het Baskisch. Dat spreek je net zo uit als  “elkaar”, de uitgever deed het later nog voor. Het Nederlands en het Baskisch zouden elkaar niet zo moeten vergeten, de talen kunnen prima samen in een boekje en ook al verschillen ze zo van structuur en woordenschat, de geest van de taal is gelijk. Daarom past Baskische literatuur in Nederland. Zirimiri betekent motregen, en als motregen, zacht en bijna strelend, wil Zirimiri de Baskische literatuur in Nederland introduceren. Eindelijk weer iets anders dan die slagregen uit Amerika.

Storein. Passen Fries en Baskisch wel bij elkaar, als elkar in het Fries inoar is en de k in het Fries soms zomaar in een tsj veranderen kan? Ik denk van wel. Naast elkaar staan ze nu op de vijfde plank van mijn boekenkast, eerst tien centimeter Friese literatuur en dan een halve Baskische, zó, opdat ze behouden blijven en niet in vluchtigheid verregenen.

* Emekiro (Zirimiri Press, ISBN 978-94-90042-02-8) is te koop bij de betere boekhandel of te bestellen via internet.

Freulisch

Er is veel taal op de tv. Eigenlijk is veel televisie gewoon radio. De Wereld Draait Door, bijvoorbeeld, dat eigenlijk maar één echt televisierubriekje heeft (dat heet dan ook De Televisie Draait Door) en verder vooral de vlotte gesprekken, tunetjes en achtergronden biedt die ook bij radio horen. Zelfs is er muziek. Toch zou DWDD nooit zo’n groot publiek bereiken als het alleen op de radio werd uitgezonden. De radio flikkert en fonkelt niet, lijkt minder urgent – het is niet dat glazen haardvuur waarrond het Hollands huisgezin zich verzamelt, niet dat alledaagse druisen, niet zo móói. Daarom moet je taal vooral toch zoeken op tv.

Felix Rottenberg, de vaste presentator van DWDD, terzijde gestaan door de immer enthousiaste Mathijs van Nieuwkerk, zei vandaag iets over lieve Femke Halsema en gebruikte het woord freule. Wat hij precies wilde zeggen is mij niet bijgebleven, want ik werd alweer gegrepen door de taal. Dat overkomt mij dikwijls. Felix Rottenberg sprak het woord freule op een heel normale manier uit, met een eu, en dat hoort niet. Freule hoor je op ’n gekke manier te zeggen.

Freule klinkt ’n beetje Frans, en sjiek, wat dikwijls samengaat. Toch weet geen Fransman wat een freule is. Eigenlijk komt de freule uit het Duits. Wel is het heel beroerd Duits, raar vervormd, door overijverige Nederlandse adel die blijkbaar niet wist wat ze met het toch vrij eenvoudige woord aanmoesten. Freule betekent letterlijk “vrouwtje” en is dus verwant aan het Duitse Fräulein, al werd het naar men aanneemt uit een Nederduits dialect overgenomen en klonk het in dat dialect eerder als Frölen. Vrouwtje dus. Dat -len of -lein is in het Duits wel vaker de uitgang van verkleinwoorden. Dat in het Nederlands die laatste -n is weggevallen, ach, dat is nog niet zo vreemd. Het rare zit ‘m in de klinker, die geen eu is, al schrijf je die wel en zei Felix Rottenberg dat ook zo.

De eu van freule zit tussen de ui en de eu in. ’t Lijkt echt heel Frans, als je het zo hoort. Fonetisch schrijven we: œː. Zo ziet ’t er nog wat Frans uit ook! Het is ’n beetje de eu van kleur, het is de eerste toon van de tweeklank ui (tenminste, als die tweeklank juist wordt uitgesproken, wat op de Nederlandse tv zelden gebeurt). In geen ander Nederlands woord komt deze klank op deze manier voor. De œː hoort gevolgd te worden door ’n -r of door het eindje van de ui, niet door een hele nieuwe lettergreep die met een l begint.  Freule is een woord dat niet zo hoort.

Dat Felix Rottenberg zich met het rare woord even geen blijf wist valt ‘m eigenlijk niet te verwijten. Het valt niet mee een klank te moeten produceren die in het Nederlands eigenlijk helemaal niet bestaat. Maar goed, eigenlijk bestaan echte freules ook niet meer. Dan Femke maar.

Verstemming

De televisie is er weer vol van. Zelfs RTL4 past z’n gebruikelijke programmering, bestaande uit jolige Hollandse shows en Amerikaanse films, er voor aan. Stemmen moeten we, en zich profileren moeten de lijsttrekkers. Ze doen dat overal, dat wil zeggen: op alle tv-netten, bij alle omroepen, en bij gelegenheid zelfs op de radio.  Soms ook gaan ze de straat op, al doen ze dat vooral in de Randstad, waar hun kiezers wonen.

Je zou soms gaan geloven dat het allemaal echt ergens over gaat. Onze stem maakt verschil tussen bezuinigen of verspillen, tussen uitzetten of binnenslepen, tussen wijs of platvloers. Dat tenminste zeggen ze op de tv. Ik ben natuurlijk cynicus, of toch meestal, en ook nu denk ik er toch weer anders over. Wat ons uiteindelijke kabinet wordt ligt grotendeels al vast.

In Nederland bestaat de volksvertegenwoordiging uit de Tweede Kamer (parlement) en de Eerste Kamer (senaat). De Tweede Kamer kiezen we nu, de Eerste is al eerder verkozen op basis van de Provinciale Statenverkiezingen. Een kabinet dat stabiel wil kunnen regeren moet in beide Kamers een meerderheid hebben.

Van de mogelijke coalities heeft geen enkele die meerderheid in beide Kamers.
CDA – VVD – PVV, het “rechtse kabinet” waar iedereen het maar over heeft, zou in de Eerste Kamer nergens zijn, om de doodsimpele reden dat de PVV van Wilders daar niet bestaat. Een meerderheid is er niet en de rechtse hervormingen die CDA en VVD zo graag willen (en waarvan Wilders heeft gezegd dat hij ze zal steunen, al doet ‘ie zich in de campagne heel links voor) – nooit zullen zij door de Eerste Kamer kunnen geraken. Een onmogelijk kabinet, zo blijkt.
Een “linkse” coalitie van SP – GroenLinks – PvdA en eventueel D66 en CU komt ook net niet aan een meerderheid in de Eerste Kamer. Als deze coalitie een gematigd links karakter krijgt (en de SP dus ernstig moet inbinden) zou ze eventueel op voldoende gedoogsteun kunnen rekenen, maar dat is twijfelachtig. Ook dit is dus een praktisch onmogelijk kabinet.
Dan is er Groen-Paars, het middenkabinet: VVD – PvdA – D66 – GroenLinks. Een kabinet dat niet onwaarschijnlijk is, omdat de gedoodverfde winnaar, de VVD, erin zit en de andere partijen ook een liberale koers voorstaan, zij het sociaal-liberaal en niet rechts-conservatief zoals de VVD. Een meerderheid in de Tweede Kamer lijkt haalbaar, maar in de Eerste Kamer blijft het steken bij een grote minderheid. Dit kabinet kan echter wel op gedoogsteun van SP en CU rekenen (CU voor het economisch beleid, SP voor ethische kwesties) en dus toch stabiel regeren.
Dan is er noch het christelijk alternatief: CDA – VVD – CU. Dit kabinet zou in de Eerste Kamer een meerderheid hebben. Of de eerder linkse CU zich wel bij dit kabinet zou voegen is moeilijk te zeggen. Vooral grote winnaar VVD zou bij dit kabinet ernstig moeten inbinden. Voorlopig lijkt dit kabinet in de Tweede Kamer geen meerderheid te krijgen.

Stemmen is belangrijk, maar het is niet wat de heren politici er van willen maken. Écht kiezen kan ook ditmaal niet, maar verstandig stemmen, dat kan wel. De kleine partijen maken het verschil.
Wie graag een christelijk-conservatief kabinet wil, met een gematigd rechts beleid, die moet inzetten op een kabinet van CDA – VVD en CU. De CU is voorlopig te klein om in de Tweede Kamer voor een meerderheid te zorgen. Een verstandige stem zou daarom een stem op de CU zijn.
Wie een links kabinet wil, heeft niks te kiezen. Het zal er niet van komen. Van een uitgesproken rechts kabinet zal het ook niet komen. Rest ons het midden. Voor een stabiele Groen-Paarse coalitie is een groot D66 en een groot GroenLinks noodzakelijk. Bent u meer links dan liberaal, stem dan op Femke. Bent u een echte sociaal-liberaal, kies dan voor “Paarse Pechtold”.

Zelf heb ik mijn keuze al gemaakt. Ik ben sociaal-liberaal, overtuigd en wel. Het wordt Paars. Hoe dan ook.

Voorschijn

Eigenlijk blog ik nooit meer. ’t Is net alsof ik wijs geworden ben, of inspiratieloos, wat natuurlijk allebei niet erg waarschijnlijk is. Eigenlijk ben ik gewoon maar laks en te snel afgeleid. Bovendien: wat zou bloggen nog? Geluk of geld lijken van elders te moeten komen.

Dagen zijn lang geworden, dagen zijn kort geworden. En nog is het niet voorbij.

Radio heb ik gemaakt. Meer dan ’n jaar. Ik zat er tussen zwarte microfoons en raamloze muren en interviewde bekende en minder bekende mensen, vooral de laatste, en hoopte stiekem te worden ontdekt, zodat ze zouden zeggen: die jongen, dat is niet zómaar een jongen… Zoals Kees, in dat al fijne boek. Kees de jongen.

Bemind heb ik. ’t Waren lieve meisjes hoor, daar mankeerde het niet aan. Mooi waren ze ook. Als je geluk zoekt, dan zoek je het overal, maar vinden doe je het natuurlijk nergens. Zou het anders zijn, dan zouden noch de liefde noch de literatuur ver geraken. Toch mis ik het beminnen.

Misschien is ’t niet mis weer eens vaker te gaan bloggen. Over zinloze zaken wil ik schrijven, omdat ik steeds stelliger ben gaan geloven dat in het zinloze, in het nergens, het ware geluk wel schuilt. God kun je ook niet zien, liefde kun je niet beschrijven. Een blinde kun je blauw niet zeggen.
Het mysterie is aanbidding wel waard.
Laat ik het daaraan maar opdragen, mijn heruitgevonden blog. Aan de liefde. Aan al het ongekende. En aan God.

Zoiets. Meer nauwelijks. Er is genoeg dat ik heel niet zeggen kan…