Gedichter

Jolig doolde ik de vaderlandse letteren door, op zoek naar inspiratie voor mijn kolderieke verzen op Sint-Kapottius. De verveling doet wat met ’n brein dat uitdaging behoeft. Ik las de scabreuze Middeleeuwers nog ‘ns terug, ik bladerde van einde tot begin door Bredero, half mompelend dreunde ik liederen uit Lucifer op en zo vergleed de week. Op vrijdagmorgen viel mijn oog op de naam Mattheus Gansneb Tengnagel.

Een goede gekke dichter heeft ’n gekke naam. Mattheus Gansneb Tengnagel trof ‘t, al noemde hij zich in het gewone leven gewoon Tijs Tengnagel en is het niet helemaal zeker of hij dat adellijk klinkende Gansneb er zelf maar tussen had gezet, om zo verwantschap te veinzen met de échte Gelderse adel die zo heette, of dat Tijs werkelijk voluit Gansneb Tengnagel heette. Het is zoiets als het umlautje van Büch.

Over Tijs Tengnagel is heel veel onbekend. Hij heeft ’n vervelende jeugd gehad, zoveel is zeker. Zijn vader stierf jong en z’n moeder kon niet met hem worden, in tehuizen belandde hij, en zelfs toen hij meerderjarig werd hield z’n voogd hem onder curatele, want dit heerschap kon wel eens voor miserie gaan zorgen. Dat zou hij zeker ook gaan doen, en daar zou geen huisarrest tegen helpen.

Gisteren zocht ik hem op, deze al heel lang dode dichter. In 1652 werd hij al begraven. In Amsterdam, dat wel. Bij De Slegte lag hij niet, maar wat straten verder, aan het Singel, had ik prijs. Het oude ventje in het stoffige boekengrotje keek er echt van op. Naar Gansneb Tengnagel had echt al decennia niemand meer gevraagd, stamelde hij, maar hij zou eens kijken. Stapels vielen, stof verwaaide, maar daar was dan het Verzameld Werk, dat zelf ook al decennia oud was, en gekreukt.

Mattheus Gansneb Tengnagel is de schrijver van Amsterdamsche Mane-Schijn en het vervolg daarop, Amsterdamsche Zonne-Schijn. Het zijn twee eigenaardige werkjes. Ze rijmen, dat wel, en ze zijn zelfs betrekkelijk goed geschreven, in een vlotte, heldere stijl en met de nodige erudiete verwijzingen naar Ovidius en Huygens. Toch was de culturele elite van Amsterdam er allerminst van gecharmeerd. Ze voelde zich gekwetst.

De vlotte pen van Gansneb Tengnagel bleek vooral een vlijmscherpe pen. De Mane- en Zonne-schijn beschrijven de seksuele uitspattingen en andere vunzigheden van de Amsterdammers uit die dagen, en wel zó, dat het voor het publiek niet moeilijk was de Amsterdammers erin te herkennen. Sleuteldichten waren het.

Mattheus Gansneb Tengnagel was natuurlijk niet achterlijk, hij ondertekende z’n schenenschoppende Schijnen met het pseudoniem “Melis”  en dacht zich zo buiten schot te houden. Erger nog: hij stelde z’n tekst zó samen dat het publiek zou vermoeden dat een andere Amsterdamse dichter, Jan Zoet, alles geschreven had. Zelfs de schuilnaam Melis wees in die richting: “mel” is immers honing in het Latijn, en honing is natuurlijk zoet.

Jan Zoet zou nog wraak nemen, door een nog vunziger gedicht te publiceren, de Grove-Roffel, dat expliciet in de richting van Gansneb Tengnagel wees, en uiteindelijk ontaardde het in ’n pijnlijke literaire rel die Tijs op een heuse veroordeling kwam te staan. Een boete, en huisarrest.

Matheus Gansneb Tengnagel schreef door, nog wat jaren, en nog altijd ontzag hij z’n stadsgenoten niet. De klucht Frik in ’t veur-huys is wel het hoogtepunt in z’n oeuvre, of ’n dieptepunt misschien, want het is fel en hatelijk en dikwijls gewoon maar schelden ogenschijnlijk. Maar toch, die pen… Schrijven kon hij, Gansneb Tengnagel, zo zelfs, dat zijn werk ook voor de moderne lezer nog best genietbaar is, toch eigenlijk meer dan dat van Hooft of Vondel.

Niet dat iemand hem nog leest. Mattheus Gansneb Tengnagel is een vergeten dichter nu. In de jaren zestig is z’n verzameld werk verschenen, daarna bleef het stil. De man heeft nog net ’n eigen pagina op Wikipedia. Daarbij blijft ‘t, vrees ik. De Amsterdamse moralisten kregen hem niet monddood. De ontlezing is veel effectiever. Niet dat het voor Jan Zoet anders uitpakt, of voor Vondel, of voor Hooft. Die boekenwinkeltjes zullen ook nog wel vergaan. De zon scheen, de maan scheen, en zo gaat al heen.

 

Sint-Kapottius II

Op Sint-Kapottius

Ouden, yonghen, drinkt dees wonderbaren dranck,
laeft u aen het hemelsch bier uw goedt leven lanck,
gevat in vaten vol, dat bier is onbederfelijck,
de mensch geniet het euwigh en onsterfelijck,
den drincker zal macht en rijck verbreyden,
kost hij waer en valsch noch onderscheyden,
maer zo zet Sint-Kapottius hem eenen val:
daer vliedt omhoogh het aller quaedste gal.

Op treckt op, o, razend braecksel, ziedend spuygh,
volght saem dronckmans vaen,
en ware het ye niet te ruygh?
van laagh om hoogh trekt kots vrij aen!
volght dezen brol, met trommel en trant,
borr’lend in den hooghe door mijn strottyen,
set ye woest mijnen hals in brandt,
en klatterspettert rondt int pottyen!

So dan ontving Sint-Kapottius allen macht,
knerpend langs mijn ooghen dien langen nacht,
gheen liedt en singh ick noch voor den sterken dranck,
gheen pullen en draegh ick oyt in mijnen hanck,
mijn vrienden, luystert, ghij sijt mij lief, ik seghet:
dat ghij den dranck voor euwich tersijden leghet.
ay, nu heb ick doch mijn lessyen schoon geleerdt,
den groten Sint-Kapottius heyt mij ferm verveerdt.

Jacob Cots, 1654

Sint-Kapottius I

Op Sint-Capottius

Her Coninc, ghi sijt comen,
den wijn hebbic ghenomen,
den dranc hebbic verloren,
ghi doet mi soe groten toren.

Her Heilige, ghi doet blijcen,
ic en can u niet ontwijcen,
mijn herte en mijn maghe
moeten u smerte draghen.

Sint-Capottius, ghi groot,
ic en wil noch niet doot,
den wijn en sal mi nie vaen,
eens ic den biecht heb daen.

Sint-Capottius, siet mijnen pijn,
ghi en mooght des blind niet sijn,
gheneest den vromen droncaert,
voordat hine lijck Lot ontaert.

Romeyn de Ghilebeer,
omstreeks 1450