Tussen taal en land

Vandaag ga ik weer ‘ns naar België. Toch een beetje mijn tweede vaderland, want ik heb er gewoond en gestudeerd. Een tweede vaderland tegen wil en dank, misschien, want de cultuurverschillen blijven. Ik zal de Belgen wel nooit helemaal begrijpen en zij mij ook niet. Dat hoeft vriendschap niet in de weg te staan, dat niet. We spreken immers dezelfde taal?

Het buitenland vertellen we graag dat het Nederlands meer is dan de taal van Nederland alleen. Suriname tikt niet zo aan, maar Vlaanderen, met zes miljoen sprekers, nou! Het maakt onze taal toch weer wat gewichtiger, al zal een Engelsman nog lang niet onder de indruk zijn. Zeker niet als hij bij een eerdere reis wat fiere Vlamingen tegen is gekomen die hem op de mouw gespeld hebben dat zij Flemish spreken en geen Dutch. Het regionalisme.

Er ís een verschil tussen Vlaams en Hollands, zeker. We hebben dezelfde standaardtaal, maar gebruiken haar anders. Of moet ik zeggen: we gebruiken hém anders? Onze grammatica verschilt, onze woordenschat nog meer. Dat bracht het Vlaamse radioprogramma Hautekiet ertoe een tekstje de ether in te slingeren vol zuiderbuurs vocabulaire, onbegrijpelijk voor Nederlanders:

Bomma heeft in de solden zwarte pens, salami en botten gekocht. Het was een ander paar mouwen om nog fruitsap, kipkap en fondant te vinden.
Bij valavond kwam bomma’s dochter op bezoek. Ze durfde niet uit de biecht te klappen want ze vond het ambetant om te vertellen dat ze gebuisd was en op kot veel gepoept had. Dus stoefte de dochter maar wat over de smoutebollen die ze had gebakken.
Daarna was ze ribbedebie want ze moest dringend langs de mutualiteit en het interimkantoor. Bij deze laatste viel ze over een aftrekker die tegen de chambrant stond.
Daarna had ze nog weinig goesting om ook nog langs de flikken te gaan. Echt niet plezant.

Voor Nederlanders is dat zeker geen doorgrondelijk tekstje. Nu zijn sommige woorden wel wat gezocht (“botten” zijn laarzen, die koop je natuurlijk niet samen met bloedworst en salami), maar het is dan ook maar ’n gebbetje.

Zou dat andersom ook kunnen? Vast wel. De Standaard kwam met een alternatieve test waarin Vlamingen werden getrakteerd op typisch Nederlandse woorden als, eh, “zwijnenpan”. En “dooievisjesvreter”. “Kwijlebabbel”. Woorden die, de Nederlandse lezer van dit blog ziet dat meteen, ook boven de Moerdijk door niemand worden gebruikt.

Dat moet beter kunnen. Mijn alternatief is een leestekst, net als die van Hautekiet. En natuurlijk is ook deze geforceerd en kloppen niet alle woorden met de stijl en de situatie – maar ’t is dan ook maar voor te lachen, meneer. Ik wens de Vlamingen alvast veel succes.

Het was waterkoud. Een stevige bries drukte tegen de deur. De kozijnen rilden. De kastelein tikte nog ’n vaasje af.
“Nog eentje toe,” knipoogde hij.
Kees lachte, hij liet zich wel jennen. Hij zat best. De muziek stond niet hard. De poes snorde. Plots veerde ’t dier op.
“Volk,” baste een stem. In de deurpost stond een bonkige man.
“Krijg nou tieten,” riep Kees, “Jaap, dat is al ’n tijdje terug!”
“Ja welja, gozer,” zei Jaap gul, “ik ben even de hort op geweest.”
“Wat heb je uitgevroten?”
Jaap ging aan de bar zitten. “Een weekje niks. Ik ben het wad opgegaan.”
“Joh!?” Kees hoorde er van op. “Een week? En niks te nassen?”
“Ik had ’n trommeltje bij me,” grinnikte Jaap. “Brood, met palingworst, saks, en voor de zoete trek nog pasta ook.”
“Wordt dat niet taai?” Kees kon er met z’n kop niet bij.
“Ja, natuurlijk, daarom ben ik afgetaaid,” lachte Jaap.
“Nou, mij niet gezien,” zei Kees, “ik zit hier wel senang.”
“Ja, maar jij bent dan ook een watje,” sarde Jaap.
“Och,” zei Kees, “een avondje bankhangen, even niks, mij best… Maar dit is andere koek. Geen kwestie van lef hoor.”
“Joh, geintje,” zei Jaap goeiig. “Jij hebt ’n baan, ze zien je aankomen!”
“Nee, juist niet,” zei de kastelein gevat. “Jaap, ’n jonkie zeker?”
“Een kopstoot,” zei Jaap beslist, “en voor Kees nog eentje toe.”

Zo. En nou naar de trein.

Advertenties

De laatste trein

Door ons taalgebied loopt een lange, kronkelende grens: die tussen Nederland en België. Die grens is zeker een cultuurgrens, maar geen onoverkomelijke. Vaak wordt de grens overgestoken, niet alleen door toeristen, maar ook door studenten, familieleden en Nederbelgen. Altijd is er uitwisseling. Die taal houdt ons toch maar met elkaar bezig, of dat nu van harte is of niet.

De trein heeft her en der gaatjes geslagen in de oude grens. Er zijn twee stoptreintjes, er is een hogesnelheidslijn (de Thalys) en er is de trouwe intercity tussen Amsterdam en Brussel. Die laatste trein wordt het meest gebruikt. Toen ik nog in België studeerde werd die trein bijna een tweede huiskamer, zo dikwijls zat ik er in. Alles werd gewoonte: het brakke Frans van de conducteurs, de rammelende kar van de railcatering, het sms-bombardement in de coupé na de grensovergang… zelfs de mensen werden bekenden. Ik heb nog wel eens met twee vaste conducteurs jenever gedronken in Amsterdam.

De trein is niet altijd dezelfde gebleven. Ik heb de stoelen zien veranderen, de tunnel onder Antwerpen heb ik open weten gaan, minuten van de dienstregeling schoven op. Nieuwe locs, nieuwe kleuren, nieuw personeel… Sinds kort ook nieuwe pakjes voor de conducteurs: in paars en roze doen ze nu hun werk. Al die veranderingen waren tekenen van verval. Over anderhalve maand sterft de Beneluxtrein. De intercity tussen Amsterdam en Brussel wordt geschrapt.

De grens tussen Nederland en België zal in de toekomst harder en hoger zijn. Natuurlijk, de stoptreintjes blijven, die wel. Er komt zelfs een nieuwe hogesnelheidstrein bij, die Fyra heten zal. Maar de intercity is ten dode opgeschreven. Er is geprotesteerd hoor, dat wel. Er waren petities en groepen op Facebook. Maar democratie werkt niet op een grens. Op 8 december rijdt de Benelux z’n allerlaatste rit. Zal ik nog meegaan?

Het alternatief, de Fyra, is natuurlijk sneller dan de Benelux. Ik heb het uitgerekend, voor mij is er maar liefst 40 minuten tijdswinst als ik de Fyra neem. Maar die trein is wel veel duurder. Alleen als je heel vroeg boekt zijn er nog goedkope kaartjes, en hun aantal is beperkt. Op de Fyra moet je verplicht reserveren. Voor wie een hotelletje heeft geboekt, ruim op voorhand, is dat allemaal niet zo’n probleem, maar voor de Nederbelgen die géén toerist zijn, die zomaar die grens eens over moeten, voor werk, studie of een stervend familielid – voor hen is het zuur. Maar wie denkt er nu aan zulke mensen?

Europa kreeg verleden week de vredesprijs. Ons continent is eengemaakt, we kunnen nu opschieten met elkaar, wat mooi, wat fijn. Die unie is ooit begonnen met de Benelux. En zie nu onze eenheid. De grenzen worden weer opgetrokken. We stemmen binnendijks. Vlaamse nationalisten, Hollandse lekkerrechtsers. Dit gaat om veel meer dan een trein. Wij zitten straks op slot.

Ik moet maar auto leren rijden.

Stemmingmakerij

Borssele moet sluiten. Een motie daartoe is aangenomen door de gemeenteraad van Gent. Jawel, Gent, de Belgische stad. De gemeenteraad van Gent regeert als het moet over stads- en landgrenzen heen. Omdat de Belgische kerncentrales onveilig zijn gebleken moeten de Nederlandse dat ook wel zijn, is de redenering, ook al werd vorige week nog door onderzoekers geconcludeerd dat Borssele veilig is.

Het is een opmerkelijk bericht dat in de Nederlandse media een beetje zweeft tussen hard nieuws en faits divers. De Gentse gemeenteraad meent het serieus, dat is zeker. Schepen Tom Balthazar is zelfs vilein: “Ik neem aan dat een beschaafd land zoals Nederland het nodige zal doen wat gedaan moet worden,” aldus de politicus. De implicatie is duidelijk: als Nederland geen gehoor geeft aan de Gentse motie ontmaskert het zichzelf als een onbeschaafd land.

Het is verkiezingstijd in België. Over enkele weken kiezen onze zuiderburen een nieuwe gemeenteraad. Politici trekken dus alles uit de kast om de kiezer te paaien, en wat schoppen tegen de Hollanders is altijd een succesnummer. Gent hamert nu op Borssele, Antwerpen heeft z’n eigen thema: de uitdieping van de Schelde. Technisch gezien ís dat geen thema, de Schelde is immers al lang en breed uitgediept, maar dat hoeft de Antwerpse kiezer niet te weten. Al eerder schreef ik over de leugenachtige retoriek die in dit dossier de kop op steekt. Het is nu niet anders.

Op de Antwerpse Stadslijst, die wordt getrokken door de huidige burgemeester Patrick Janssens, staat op plaats 55 Marc Van Peel, die met trots de titel lijstduwer draagt. Duwkracht van Antwerpen, noemt hij het. Op zijn site is een ludiek filmpje te bekijken waarin Van Peel een Hollander in de Schelde duwt. Natuurlijk, dat is maar om te lachen, ook Van Peel wil de Hollanders niet dood. Het venijn zit in het inhoudelijke deel: ook hier weer worden de Hollanders afgeschilderd als booswichten die Antwerpen z’n haven en z’n welvaart af willen pakken. Onzin natuurlijk, maar kiezers smullen nu eenmaal van een complot.

Als er verkiezingen op til zijn spelen politici op sentiment, dat hebben we in Nederland ook gezien. Samsom met z’n kindjes, Rutte met brallerige praatjes over het rode gevaar en meeleven met slachtoffers, niet met daders – het is in ieder land hetzelfde. In België zijn de sentimenten alleen anders: daar scoor je met praatjes over arrogante Hollanders en luie Walen.

De VPRO besteedt iedere zondagavond aandacht aan België. Dat is goed, want over België  weten Nederlanders verdomd weinig, zelfs al denken ze dat Antwerpen van hun is. Canvas zou zoiets ook eens moeten uitzenden, over Nederland. Niet dat zo’n programma politici ervan zal weerhouden de anti-Hollandse kaart te trekken, ik maak mij wat dat betreft geen illusies meer. Het grote publiek kijkt niet naar Canvas en ook niet naar de VPRO. Maar ook kleine beetjes helpen.

Een anti-Vlaams complot

Op internet valt altijd wel wat te beleven. Op webfora worden de eigenaardigste complottheorieën verspreid. Die theorieën zijn meestal onschuldig. De mensen die ze bedenken hebben over het algemeen geen macht en ook niet genoeg verstand om macht te verkrijgen. Amusant blijft het natuurlijk wel.

Gisteren werd ik attent gemaakt op een nieuwe website in dit genre, waarop wordt uiteengezet hoe Nederland de Antwerpse haven blokkeert. Het is geweldig proza. Een paar citaatjes kunnen geen kwaad, er mag wel eens meer gelachen worden op dit blog.

In 1585 leidde het afsluiten van de Schelde door Nederland tot de Val van Antwerpen. Abrupt werd er een einde gemaakt aan de bloeiperiode van de 15de – 16de eeuw, ook wel de “Gouden Eeuw van Antwerpen” genoemd.

De Val van Antwerpen, daarmee is de toon gezet: de dramatische geschiedenis van arm Vlaanderen, onderdrukt door gemene buurvolkeren, wordt er meteen door in herinnering gebracht. Die geschiedenis is zelf al een mythe – de tijd van Rubens en Quellinus kan nu niet meteen een duistere tijd genoemd worden – maar dat het allemaal de schuld van de Nederlanders was is een wel heel merkwaardige lezing. De Val van Antwerpen was een Spaanse overwinning, een Antwerpse overgave en een Noord-Nederlands verlies. Dat de haven vervolgens werd afgesloten was militaire strategie, geen Vlamingenhaat en zelfs geen economisch opportunisme. Maar dat verhaal is natuurlijk te genuanceerd voor complotdenkers, nee, het was opzet allemaal, Nederlandse kwaadaardigheid.

Het stuk gaat verder:

Wie dacht dat daarmee een einde was gekomen aan de politiek van Nederland om de ontwikkeling van onze Vlaamse havens te dwarsbomen, had het mis.

Die gemene Nederlanders toch! Nadat ze de arme Vlamingen de Val van Antwerpen hadden aangedaan waren ze in1863 weliswaar gestopt met het heffen van tol op de Westerschelde (wat volgens het stuk gelijk staat aan een blokkade), maar ze zouden geen Nederlanders zijn als ze niet met nieuwe, snode plannen waren gekomen:

In juli 2011 besliste de Nederlandse regering namelijk een belangrijk luik van de Scheldeverdragen niet uit te voeren: de ontpoldering van de Hedwigepolder. Deze houding is onaanvaardbaar en legt een zware hypotheek op onze haven.

Het gaat natuurlijk om die omstreden verdragen, die op nog oudere verdragen teruggaan en die in den beginne de scheiding van België en Nederland regelden. Pardon, Vlaanderen, want de term “België” wordt in het stuk zorgvuldig ontweken. Dat zal wel met weer een ander complot te maken hebben.

Het was te verwachten dat dit dossier de complotdenkers nog eens op hun paard zou zetten. Nederland heeft de Westerschelde weliswaar uitgediept, om grote zeeschepen zo toegang tot de haven van Antwerpen te verschaffen, maar het onder water zetten van stukken landbouwgrond, teneinde de natuur te compenseren, ligt moeilijk bij de Zeeuwse bevolking. Daarom zoekt Nederland naar alternatieven. Dat is verschrikkelijk, volgens de complotsite. Nederland jaagt Vlaanderen daarmee doelbewust op extra kosten, allemaal om de haven van Antwerpen in gevaar te brengen. Sterker nog:

de geloofwaardigheid van Vlaanderen staat op het spel.

Die Nederlanders durven wel. Niet alleen verwoestten ze in het verleden expres de Antwerpse Gouden Eeuw, ze houden tot in de 21e vol de Antwerpse haven met gemene trucs te blokkeren en en passant zetten ze de Vlaamse geloofwaardigheid op het spel. Nu gaan ze in de wereld vast anders over de Vlamingen denken!

Maar gelukkig heeft iemand het complot doorzien en wordt er nu eindelijk actie ondernomen. Op de bewuste website kunnen boze bezoekers boze brieven sturen naar de Europese Commissie, die zal er wel wat aan doen.

Wie zou het toch zijn, die deze onzin op het internet slingert? Zou het weer zo’n overspannen forummer zijn? Belgische media hebben de Boze Belg opgespoord. Het is een vrouw, schrijft Het Nieuwsblad. Het bizarre is: ze is geen onbekende. Annick De Ridder heet ze, en ze is lid van het Vlaams Parlement, voor OpenVLD, de plaatselijke liberale partij. Eerder riep ze al op om de Zeeuwse mosselen te boycotten om zo de gemene Nederlanders terug te pesten, nu is er dus deze tekst. Iemand met invloed, iemand met macht – maar is ze ook iemand met verstand?

Eén ding heeft ze alvast goed gezegd: de Vlaamse geloofwaardigheid staat inderdaad op het spel.

België

Eigenlijk heeft niet één Europees land natuurlijke grenzen, tenzij dat land een eiland is, zoals IJsland of Malta. Maar dat zijn landen op de rand van Europa. De natuurlijke grens van ons continent loopt zelfs dwars door IJsland heen, en scheurt ieder jaar verder open. Daar hebben ze al die vulkanen van. Heel indrukwekkend, en heel uniek: iedere andere Europese grens is ’n willekeurige lijn, een paal, een wegroestend bordje met ’n wapen of ’n vlag erop. Het zijn grenzen die steeds verlegd en onteerd zijn, soepele grenzen, heel omstreden grenzen ook. Zo is Europa.

Het gaafste voorbeeld van zo’n bizarre tegennatuurlijke Europese grens vinden we in het dorp Baarle, dat in het zuiden van Nederland en in het noorden van België ligt, tegelijk. Dwars door Baarle slingeren grenslijnen. Er zijn huizen met twee voordeuren. Op het dorpsplein staat een grenspaal, die overigens niet echt is (de echte grens ligt wat meters verder) en rond die grenspaal drommen toeristen die wel eens willen zien hoe grenzeloos een grens kan zijn. Het Belgische Baarle heet Baarle-Hertog, het Nederlandse Baarle heet Baarle-Nassau. Heel het dorp bestaat uit eilandjes, vierkantjes, lapjes buitenland.
Zo’n grens is natuurlijk eeuwenoud. Al heel vroeg werd dit gebied verdeeld over twee landen, waarvan één uiteindelijk het huidige Nederland werd en het andere België. Dat die twee landen elk hun identiteit hebben, kun je in het dorp goed zien, maar dat ze een beetje bij elkaar horen merk je ook. België en Nederland delen een eeuwenlange geschiedenis en een mijlenlange, grillig kronkelende grens.

Koterij

Och, dierbaar België. Te weinig mensen houden van dat land. Er wordt almaar over gediscussieerd. Toch bestaat het al veel langer dan al die mensen en hun meningen samen.
In 1581 werden de huidige grenzen van België vastgelegd en ging het gebied “Zuidelijke Nederlanden” heten. Het veranderde soms nog van naam, en van eigenaar (het Habsburgse koningshuis was niet altijd even vruchtbaar), maar het bestond tenminste. De grens bij Baarle was een lappendeken, heel Limburg was een lappendeken, en Luik was bij momenten helemaal onafhankelijk – maar dat waren politieke gekkigheden. Dit gebied, dit “België”, ontwikkelde z’n eigen cultuur, met zo z’n eigen bouwstijl, z’n eigen gewoontes, z’n eigen keuken en z’n eigen bieren. Het was niet één cultuur, die Belgische cultuur, het was een grote malle optelsom van kleine dorpen en eigenwijze steden, van dialecten en talen, van armen en rijken, van alles en niets.
Zo’n eigenaardig land, zo’n eigenaardige cultuur, dat kon best toekomst hebben, en dat had het ook: in 1790 werd de eerste Belgische republiek uitgeroepen (Verenigde Nederlandse Staten / États belgiques unis), die het net twaalf maanden uithield. Niet veel later werd heel België bij Frankrijk gevoegd, toen weer bij Nederland, en uiteindelijk, veertig jaar later, weer onafhankelijk.

Zo’n mooie geschiedenis, zo’n mooie cultuur – hoe kon je zoiets nog laten mislukken? Het kon. Ten eerste kon het, door die cultuur te ontkennen. Niks versnipperde identiteit, niks dorp na dorp wat anders, niks Belgische eigenzinnigheid: de grote bazen, de heren industriëlen, hadden iets anders voor ogen. België moest een eenheidsstaat worden, met één taal, één vorst, één cultuur. La Belgique sera latine ou ne sera pas. Economisch haalde dat wel wat uit, België werd het rijkste en modernste land van Europa, maar voor de Belgische cultuur was het nefast. De industriebarons hadden weinig oog voor het gewone volk, dat Vlaams of Waals sprak en voor ’n hongerloon werkte in de fabrieken van Charleroi of Aalst en in de mijnen van Luik of Beringen. Dat moest misgaan.
Het kon misgaan. Nieuwe grootheden werden verzonnen. Niet één Belgische staat, maar één socialistische heilstaat, of één Vlaamse staat, of nog weer wat. De 20e eeuw kon beginnen, en het werd ’n heel ellendige eeuw, vol fictieve grenzen, grote machtsblokken, cordons, volksunies, zuilen en ontzuiling – kortom, ’n gepolariseerde wereld waarin van dat oude België niets meer overbleef.

Of toch. De Belg is flegmatiek. Politici en dwazen houden zich bezig met gewesten en staten en koddige Vlaamse leeuwen of blinde haantjes. Het echte België bestaat zodra je het weer binnenrijdt. Nog altijd is het een lappendeken, met om de twee kilometer een ander dialect en als ’t niet aan InBev ligt in elk café een ander bier. Gans België is een grote koterij, een rommelige scheur in de natuur, waar eigenlijk helemaal niet gebakkeleid wordt, maar gegeten, gedronken, geleefd. Zo blijken Vlamingen en Walen toch maar gewoon mensen te zijn, of nee, gewoon Bélgen, die pas weer zot draaien als het om al die belachelijke verzinsels gaat die hen sinds 1830 zijn aangedaan.

Stop de fictie. Begin aan België.