Bier en regelgeving

Er zijn zoveel zaken waar ’n mens van genieten kan. Ik geniet lang niet van allemaal, dat zou belachelijk zijn, maar ook ik heb meer hobby’s dan bier alleen. Ik houd van taal, bijvoorbeeld, ik vind reizen leuk, ik kan genieten van de natuur en van de wolken en verder houd ik van lezen. Voor wie ’t volgen wil, recent heb ik een verhalenbundel van Hermans uitgelezen, “De laatste roker”, en daarvoor toneelstukken van Bredero.

Het titelverhaal van “De laatste roker” gaat over een bizarre toekomst waarin roken verboden is en het Nederlands als officiële taal is afgeschaft en door het Engels is vervangen. De hoofdpersoon probeert tegen beter weten in toch nog ‘ns op straat te roken, wordt opgepakt en komt later zelfs pijnlijk aan z’n einde, want die zwartgallige wereld van Hermans is niet alleen regelziek, maar ook vol willekeur.

Het verhaal heb ik rustig uitgelezen. Dat mocht ik namelijk gewoon. Hermans kan soms beklemmend zijn, maar geen moment twijfelde ik eraan dat ik lezen mocht. Bij m’n andere hobby’s is dat niet anders. Ik leer talen en niemand verbiedt mij dat. Ik kijk naar een vlucht spreeuwen en niemand beboet mij. Zelfs als ik reis heb ik, in ieder geval binnen de Schengenzone, weinig regelgeving te duchten.

Hoe anders is dat met bier, de hobby waar ik hier meestal over schrijf. Mag ik er eigenlijk wel zo over schrijven? Is dat al geen reclame, maak ik mensen niet te dorstig naar alcohol? Ik ben nog nooit aangeklaagd, maar soms verwacht ik dat wel. Want er zijn veel regels en ze veranderen steeds.

Stel, ik zou nog zestien zijn. Toen ik zestien was proefde ik al ‘ns ’n bockbiertje. Wie nu zestien is mag dat ook – maar volgend jaar mag ‘ie dat niet meer.

Toen ik zeventien was, dronk ik soms al ‘ns bier in Amsterdam. Dan ging ik met wat vrienden naar In de Wildeman of ’t Arendsnest. De BeerTemple bestond toen nog niet en brouwerijcafés waren te ver weg, maar dat deerde niet. We proefden en testten onszelf. Nu zouden we illegaal zijn.

Toen ik achttien was ben ik wel ‘ns ’n tikje dronken geworden in zo’n Amsterdams café. Ik staarde met één oog naar de tapkaart, omdat ik met twee niet meer scherp kon stellen. De barman lachte en zei dat ’t m’n laatste was geweest. Ik gaf hem gelijk. Zo ging dat toen. Hoe gaat het straks? Wordt dronkenschap in de kroeg verboden?

En altijd zijn er die accijns. Ik betaal ze braaf. Dat wil zeggen: de kroegbaas betaalt ze, als ‘ie z’n bier inkoopt, en rekent ze door aan mij. Als zo’n man een fust van twintig liter bestelt, en er zonder statiegeld € 45,- voor betaalt, dan is toch al ’n kwart van de bierprijs accijns.

Het grootste probleem is niet zozeer dat al die regelgeving mijn hobby beperkt, ach nee, ik laat mij niets verbieden – het probleem is dat ze mijn hobby ontként.

Die accijns bijvoorbeeld, die wordt niet op het percentage alcohol berekend, maar op het stamwortgehalte. Pils heeft een laag stamwortgehalte, speciaalbier heeft een hoog stamwortgehalte. Voor genietersbier bepaal je dus veel meer accijns. Een Emelisse van 2,5% alcohol, vers getapt, daar word je voor beboet. Een blik bocht van 10% uit de supermarkt, ach, ’n paar cent accijns en klaar ben je.

Zo is ’t ook met die alcoholleeftijd, natuurlijk. “Ja, de comazuipers worden aangepakt,” zegt Den Haag. Maar comazuipers nippen geen bockbiertjes. Dat heeft geen effect. Comazuipers zuipen wodka en wodka was altijd al verboden voor wie jonger dan 18 was. Nu is het signaal: alle alcohol is gelijk, wodka of pils, maar pas op met genietersbieren, want daar betaal je voor.

Hermans schrijft ergens: alleen in straten vol boekwinkels heb ik het gevoel in een wereld te leven die rekening met mij houdt. Het lijkt er inderdaad op dat er elders bar weinig rekening gehouden wordt met mensen die in alle rust ‘ns van iets moois willen genieten. De bierliefhebber moet vooral rekening houden met de regelgeving, en met de volstrekte willekeur daarvan.

Advertenties

Bieren aller landen…

Thuis heb ik nog kabeltelevisie, geen digitale. Net geen 40 zenders, dat is al meer dan genoeg. Eigenlijk kijk ik alleen naar de Nederlandse en Vlaamse publieke omroep en soms nog naar TV5 of het nieuws op Duitsland 1. Wat moet je met al die keuze elke dag, daar word je ongelukkig van. Je kunt maar beter op een eiland zitten en denken dat je er niet af kan, dan weet je tenminste wáár je gelukkig moet worden en dat is een goed begin.

Op het Borefts Bierfestival waren er meer bieren dan ik op kon en meer brouwerijen dan ik hier kan noemen. Ik heb niet alle namen uit het hoofd geleerd. Wat een keuze! Was ik er ongelukkig? Helemaal niet. Borefts is dan ook maar twee dagen in een jaar en ik was er enkel op de eerste. Het was een schitterende dag. Borefts was even mijn eiland en heel het bierdorp speelde mee.

Zeven muntjes kocht ik, uiteindelijk nog een achtste toe, en ik kreeg nog tweemaal wat. Eén keer vergat ’n Deens meisje dat ik moest betalen. Elf proefglaasjes, Zie, ik ben toch matig geweest, alsof ik toch kabeltelevisie had en niet uit 140 bieren moest kiezen.

Borefts mag dan een fijn klein tweedaags eiland zijn, als je er je vinger in de zee steekt sta je in contact met de hele wereld. Amerikanen, Belgen, Denen; brouwers, barmannen en liefhebbers; mensen uit Amsterdam en uit Bodegraven – iedereen was er en iedereen dronk bier. Alleen een man van Bier&Co vroeg naar de cola, maar die moest dan ook rijden.

Une mèr à boire. De bierzee is geen Waddenzee, zeker niet, het is er diep en peilloos en winden en golfstromen bepalen het weer. Vorig jaar zat half Borefts aan de whiskystout, nu kon ik er met moeite twee vinden en die waren niet eens zo overdonderend. Ouderwets bier was de nieuwe trend: zure smaken natuurlijk, Gose, en Berliner Weisse, maar ook nog Grätzer/Grodziskie. Fijn.

Eén trend trok extra aandacht, dat waren de gruitbieren. Gruit is ook middeleeuws, natuurlijk, toen hop nog niet gewoon was kruidden we ons bier, met salie of gagel en als je sommige brouwers zou geloven ook met rode peper, wat natuurlijk onzin is, maar dat is alle mode. Jopen speelde het slim en schreef “gruit” achter Koyt. Daarnaast hadden ze een Goudse Gruit gemaakt die prettig anders was dan hun klassieker.

Ik zeulde een Tsjechisch boekje mee waarin vol lof over De Molen werd gesproken, en waarin foto’s van Jopen en Emelisse stonden. Iemand vroeg of ik de tekst voor kon lezen. Ik vertelde in halve zinnen over mijn bieravontuur. Het kwam niet helemaal over, maar ik probeerde het tenminste en zwom door zeeën en meren tegen de drukte in.

Waar waren ze eigenlijk, die Poolse brouwerijen uit mijn vorige blog? Waar waren de Tsjechen en de Slowaken? Goed, er was Grodziskie, maar die kwam uit Haarlem en uit Duitsland, niet uit de ketels van brouwerij Pinta. Wel kreeg ik van een vriendelijke Vlaming een flesje van brouwerij Legenda cadeau, zo uit Hongarije. Zelf stonden ze er niet.

Misschien is dat de missie voor de komende jaren: het IJzeren Gordijn slechten, de oude EEG ‘ns uit. Laat bieren komen uit die nieuwste bierrevoluties vandaan, zet wat kraampjes neer voor die vrolijke jongens, laat hun experimenten maar komen. Of wordt het dan echt digitale televisie in middeleeuws Bodegraven? Waar stopt die zee?

Polen, Slowakije, Tsjechië

Al anderhalve week ben ik terug van vakantie. Dat ik nog maar moeilijk wen, blijkt uit mijn voorgaande bericht. Dat ik met plezier aan mijn vakantie terugdenk moet dan maar uit dit verhaal gaan blijken. Soms lijkt het wel alsof terugdenken al te veel tijd kost. Ik heb m’n foto’s nog niet eens bewerkt. Mijn lijst met bierrecensies is nog niet op Ratebeer gezet. Misschien moet ik dat ook maar niet meer doen.

De vakantie begon in Warschau. In Warschau was ik al eerder geweest, eind 2011. Toen was het kersttijd. De stad was koud, maar er kwam ’n mooi zonnetje door de wolken heen en ik zag, dat ik er wel van kon houden. Bij Warschau moet je dat altijd uitleggen. Weinig Europese hoofdsteden hebben zo’n gaaf historisch centrum, maar ja, dat van Warschau is dan ook herbouwd. Die geschiedenis hè. Het moet er altijd over gaan.

Dat Polen ook een toekomst heeft blijkt uit het bier. Het Polen van de vooroordelen, dat is heel veel wódka en dan misschien ‘ns afpilsen met blikbier dat bij ons in supermarkten aan zwervers wordt verkocht. Het Polen van de toekomst rekent daar mee af. Toen we het station uitwandelden was daar al meteen een biertuin met bier in allerlei stijlen (Ciechan).

WBP13 011

Ons hostel zat in een blokkendoos, dat wel. Dit was het voormalige getto. Iets verderop was de muur in de stoep verbeeld. We wandelden en ontdekten macabere ruïnes. Maar ergens in een kelder zat een biercafé, met heel veel taps en Aziatisch eten. De taps boeiden me het meest. Prachtige IPA’s. Knappe porters. Leuke experimenten. Zo smaakt de toekomst van Polen.

We bezochten in Warschau meer biercafés. Dat bier de toekomst is, zag je ook aan de interieurs. Modern, gelikt vaak. Het publiek was jong en soms ook rijk. Eén biercafé zat naast de winkel waar Ferrari’s werden verkocht. Gelukkiger waren er ook gezelliger lokalen.

In Tsjechië zou dat allemaal anders wezen, ik verwachtte dat en het bleek ook zo te zijn. In Tsjechië is bier traditie. Cafés zijn doorleefd, het publiek is gemengd, de sfeer is meestal heel gemoedelijk en los. Met de Tsjechen heb je zo een praatje. Met de Polen ook, maar niet zo gauw in een biercafé.

Slowakije lag er een beetje tussenin. Dat klinkt flauw, maar ik moet het zo zeggen. Men drinkt er veel wijn, maar bier is er al lang bekend. Daarom zie je er vast ook zo veel traditionele stijlen. Experiment lijkt voorbehouden aan brouwerij Kaltenecker, en die naam zagen we vaker in Praag dan in Bratislava. De brouwerijcafés waren hip. In de volkskroegjes dronk men Tsjechisch pils of Slowaakse wijn. Ik kon het moeilijk peilen, maar amuseerde me wel, vooral ook omdat Bratislava zo’n plezierig overzichtelijke stad was.

Vooroordelen weerleggen is het leukst. Een bloeiende biercultuur ontdekken in Polen, wie verwacht dat? Wanneer worden de parels van Pinta of Artezan eens naar Nederland geëxporteerd? Daarover schrijf ik het liefst natuurlijk, over de verrassingen. Maar dat Praag was zoals iedereen verwachtte… Ach, dat beviel me ook heel erg. Stel je voor dat het een tegenvaller zou zijn geweest! Dan had ik voor niets Tsjechisch geleerd, dat is ergere verspilling dan bierdrinken in een oude Praagse tram.

De prijs van bier

Gisteren bezocht ik twee biergebeurens. Er gebeurt ook zo veel. De kranten schrijven er zelfs over, na al die jaren van groei en bloei in de Nederlandse biercultuur. Toch blijft het verrassen. Bij het laatste biergebeuren, gisteravond, passeerden er meisjes met witte gympjes en een Gooise r die zich geërgerd afvroegen “wat dit nou weer allemaal was”. Maar niet iedereen leest kranten.

Ook voor mij blijft het een vreemde wereld. Dat is gek, want ik loop toch al een tijdje rond in het bierdorp van Nederland. Ik kom de hele tijd bekenden tegen. De biercafés, de slijterijen, de festivals: ik ken ze, ik frequenteer ze. Als er dingen veranderen zou ik het moeten zien. En toch was ik gisteravond zo overdonderd dat ik nauwelijks aarzelde en twintig euro gaf. Twintig euro?

Die middag was ik nog in Wormer. Voor nog geen twaalf euro dronk ik daar zes biertjes. Ik begon met ’n hoppig bier van Rooie Dop, laag in alcohol, want dat is stilaan mode, bier met weinig alcohol. Verder dronk ik allerlei stouts, de een hoppiger dan de andere, soms met lactose of rogge of koffie weer. Het was goed.

In Amsterdam at ik bij Hofje van Wijs, waar ik m’n bier cadeau kreeg. De eigenaar wandelde met ons mee naar De Bierkoning, want daar zou het tweede biergebeuren plaatsvinden. Na het gemoedelijke festival in Wormer was ik toch wel benieuwd naar dit grootstedelijke gebeuren, “Zwanze”. Een presentatie van een nieuw Belgisch bier.

Het was druk, er stond een rij. Om acht uur ging de deur pas open. Blijkbaar was er een parcours van regels voor ons uitgezet. Een ganzenbord van rijen. Achterin de smalle winkel stonden taps, daar moesten we heen, en als we daar dan bier gekregen hadden leidde de route terug naar buiten, waar op de stoep gedronken werd.

Wist ik veel. Ik kende deze hele etiquette niet. Was bier wijn geworden? Er waren andere meisjes met een r die bitsten dat ik me maar had moeten inlezen. Gelukkig waren er meer onwetenden. “Kan ik hier pinnen?” Ik had contanten. Twintig euro betaalde ik, zomaar. “Pardoes” zou ik bijna zeggen, maar dat is geen hip woord. Zwanze is een hip woord. Jongens met baardjes schreeuwden het.

Voor die twintig euro kreeg ik een strippenkaart met vier vakjes. Vier biertjes, in kleine proefglaasjes. Dit was ganzenborden met een hoge inleg. Maar ik stond al in de rij. We klaagden over bieraccijns en over lelijke etiketten. Dit waren geen accijns, zei het bestuurslid, accijns kost je maar twee cent. Wat was het dan wel?

Pas om negen uur was er Zwanze. We werden opgewarmd met twee Amerikaanse biertjes. Hoppig, best fijn. De Zwanze was zoetzuur en ook best fijn. Een uurtje later was er nog een grand cru. Bier, geen wijn. Ik wilde mijn trein halen. We stootten en duwden ons de rij weer door, terug. Kwam er al een tram?

Bierdrinken is geen idealisme. Daar gaat het me ook niet om. Maar toch vond ik ’t wel aardig, in het begin, om te schamperen op die wijnkenners die honderden euro’s voor een fles neertelden en daar dan elitair mee deden. “Bier is tenminste bier,” zeiden we dan, en dronken. In Wormer was dat nog steeds zo. Geen gedoe, gemoedelijk drinken, het bierdorp. De achterdeur is altijd los.

Amsterdam was bierstad, gisteren, met moeilijke regels en sommen gelds. De prijs van de vooruitgang? In Het Parool stond dat Rutte het bier te duur maakte met z’n accijns. Wilders was tegen. Maar Wilders kent het bierdorp niet. Wie neemt het voor ons op, gemoedelijke, simpele dorpelingen, met een glaasje aan de Zaan of desnoods de Grote Sloot? Is dit Ganzenbord of Monopoly?

Verwijnd

Natuurlijk gebeurt er in de zomer bijna niets. Veel te bloggen heb ik niet. Maar ineens is er dan toch een relletje, ik had het haast gemist. Ik googelde omdat er niks anders was eens op “bier” in Google nieuws en toen kwam het voorbij. Harold Hamersma zei iets over bier, gewoon op NRC.nl. Wie het wel gemist heeft kan het bericht hier teruglezen.

Harold Hamersma is natuurlijk een wijnliefhebber. Daar schrijft hij over en soms zie je hem ook op tv. Een enthousiaste, geestige man met heel wat kennis van wijn, dat zie ik graag. Want ook ik drink wel eens ’n glaasje wijn. Maar nu Hamersma over bier begint erger ik me toch. Want, wie heeft doorgeklikt kan het al lezen, zijn berichtje zegt heel weinig over bier en wat het zegt is niet enthousiast, niet geestig en ook geen blijk van diepgaande kennis over het onderwerp.

Het is natuurlijk eerder begonnen, ook Hamersma reageert. Hij citeert Fiona de Lange, een bierblogster die vooral over commerciële Belgische brouwerijen schrijft, maar sinds kort een campagne is begonnen om de combinatie van bier en lekker eten bekend te maken bij een groot publiek, in navolging van eerdere campagnes die kennelijk niet succesvol genoeg waren.

Fiona’s tactiek is die van de provocatie, en kennelijk werkt die tactiek best, want ineens staan de woorden “bier” en “spijs” samen in de krant. Maar Hamersma reageert natuurlijk alleen op de provocatie en niet op de inhoud. Fiona zou gezegd hebben dat bier beter met eten samengaat dan wijn – want inspelen op die oude rivaliteit, dat is natuurlijk de juiste provocatie, dat helpt de discussie vooruit.

Bier en wijn zijn allebei smakelijk bij het eten. Niet al het bier en ook niet alle wijn, het ene gerecht komt beter uit met een goed glas rode wijn ernaast en een ander proef je beter met een biertje. Dat is als ik het wel heb ook de echte boodschap van Bier & Spijs, maar daar hoor je Hamersma niet over. Die tackelt de provocatie en daarmee is de kous af.

Op het artikeltje wordt ook gereageerd, door wijnminnende NRC-lezers. De bevooroordeeldheid van deze wijners is toch wel zorgwekkend. “Eerst een biertje om eventuele dorst te lessen, dan het plezier van een wijntje tijdens de maaltijd,” staat er te lezen. Verspilling, les je dorst met water, proef dan pas het bier! Maar gaat het hier om proeven?

“Wijn. Bier is bijzaak,” schrijft een andere reaguurder. Of: “Absoluut bier, maar zelden een Nederlandse.” Ook de grammatica is zorgwekkend, maar dat is voor later. “Bier drinken gedurende de maaltijd graag voorbehouden voor bij de Chinees.” Sterker: “Maak er maar liever geen gewoonte van.” U kunt het allemaal zelf nalezen, lezer, ik heb u gelinkt.

Hamersma zelf reageert nog met een onderzoek waaruit blijkt dat wijndrinkers langer leven en vergeet te vermelden dat dat net zo goed voor gematigde bierdrinkers geldt. Daarmee zijn de vooroordelen compleet, de laatste reactie vat het nog maar even samen: “(De levensduurwinst van bier) is natuurlijk negatief, omdat bier vooral en teveel door mannen gedronken wordt, die gemiddeld enkele jaren minder leven, zodoende!” Jawel.

Goed, om proeven gaat het dus niet, het gaat juist om niet-proeven, het vooraf afwijzen van nieuwe smaken en andere ideeën. Iemand die daarmee afkomt mag zich wat mij betreft geen proever noemen. Een proever is iemand die onbevooroordeeld drinkt en een nieuwe uitdaging graag aanneemt. Bier en spijs, bijvoorbeeld. Waarom is Hamersma niet gewoon gaan proeven?

Het jammerste aan al dit vooroordeelbevestigende gewauwel is wel dat het niet op één of ander blogje staat, maar in de krant. In het NRC zelfs, toen ik op school zat was die krant nog een meneer. Want in een land vol bierdrinkers, met meer dan 170 brouwerijen en zoveel schitterende biercafés en restaurants met bier-spijskaarten, daar schrijven de kranten over wijn en niet over bier. Dat is nou arrogantie, meneer.

Twee dagen wilde gist

Carnivale, zo heette het kortweg, het bierfestival dat dit weekend in Amsterdam werd georganiseerd. Over de volle naam was er wat discussie, verschillende media gebruikten verschillende namen, maar op de poster stond Carnivale brettanomyces en andere wilde bieren. Of waren het toch wilde dieren? “Prachtig, dat mensen zich daar zo druk over maken,” reageerde organisator Jan Lemmens desgevraagd. Waarmee het mysterie bleef.

Carnivale brettanomyces

Mysteries bleven mysteries, het hele weekend lang. Wat brett precies is? Nou, wilde gist dus, maar daar zijn verschillende soorten van en die hebben verschillende effecten op het bier. Een vaag antwoord, want zodra ik meer zeg schop ik tegen schenen. Brett is vooral persoonlijk. Maakt brett bier zuur? Soms, maar zeg dat liever niet. Kan brett altijd? Was brett ooit algemeen? Zoveel mensen, zoveel antwoorden. En dus was er vooral heel veel smaak.

Carnivale was nieuw, maar vorig jaar was er wel een voorganger. Toen heb ik me al aan het mysterie overgegeven. Brett moet je niet snappen, brett moet je proeven. Dat deed ik dan ook, vrijdag en zaterdag. Ik was zeker niet de enige. Het was een druk festival, internationaal ook, uit heel de wereld kwamen brettgekken naar Amsterdam.

De mysteries en de antwoorden deden het hele festival lang een merkwaardige dans met elkaar. De gebruikelijke kroegpraat over het weer, voetbal, de belabberde regering en onbereikbare vrouwen maakte ineens plaats voor diepzinnige beschouwingen over wat brett eigenlijk was. En dat was de bedoeling. Er waren zelfs masterclasses, die ik één voor één miste.

De eerste masterclass die ik miste was van Ron Pattinson, die vertelde over de Britse brettbieren van weleer. Dat was vrijdag. Zaterdagmiddag, net na twaalf uur, zat Ron in café In de Wildeman en ik ook. Onder het genot van een kopstoot herhaalde hij zijn college. Brits bier werd lang gerijpt, zó, dat het wilde gisten op kon vangen. “Hoe lang?” vroeg ik. “Zeker een zomer lang, maar soms nog langer.” Ik citeer hem niet helemaal juist, want Ron meanderde galant van Engels naar Nederlands en weer terug, maar de strekking was helder: de gisten konden lang hun gang gaan in het bier.

Toen ik de dag ervoor Rons masterclass miste, leunde ik tegen de bar van de BeerTemple en ontmoette ik Urbain Coutteau, een echte Struise Brouwer. Hij vertelde over het lastige karakter van de wilde gisten. “De tijd maakt ook verschil,” legde Urbain uit, “in het voorjaar, maart-april, is het goed, in het najaar ook. Maar in de zomer zijn er heel veel brettanomyces in de lucht, dat is een risico. In de winter heb je dan weer niet genoeg.”

Het mysterie was weer hersteld. Moet een brettbier een zomer lang gist liggen happen, of moet het dat alleen in het voor- of najaar doen? Rons bronnen beweerden het eerste, maar Urbains brouwervaring deed hem het tweede concluderen. Zo was elk verhaal weer een verrassing. Ook de presentatie van Frank Boon, de bekende geuzemaker, verraste: geuze zou door Nederlanders zijn bedacht, zij het per ongeluk. Bier of mythe?

Ach, die mysteries… De verrassingen maakten het leuk. Vorig jaar was voor mij het hoogtepunt een bier met wild Veluws gist, dat daardoor naar dennen smaakte. Nu viel ik voor een Duits bier met veel karamel en ook nog brett, van FritzAle. Het was eigenlijk een guilty pleasure, zo zoetig en gebrand – ik had het niet verwacht en ik had al helemaal niet verwacht dat ik het lekker zou vinden.

Twee dagen wilde gist waren twee dagen vol vragen en verwachtingen. Twee heerlijke dagen. Ik vraag vooral naar meer, naar nóg zo’n festival, nog twee van die dagen vol brett en ontmoetingen. En ik verwacht dat dat wel zal lukken ook. Er komt vast een nieuw brettfestival. Tot volgend jaar!

Week van het Nederlandse bier

De bierweek is weer over. Op mijn blog besteedde ik er al even aandacht aan, toen ik in Den Haag het symposium “Bewust Bier” opzocht. Verder had u ’t in de media kunnen horen: dit was de “Week van het Nederlandse bier”. Het kwam zelfs even voorbij in EénVandaag. Maar als u het gemist heeft is dat u ook vergeven, de NOS vond het blijkbaar geen nieuws, die pakten uit met het biertje dat de Hansonbroers gebrouwen zouden hebben en dat was dat.

Goed, elke omroep legt z’n prioriteiten op z’n eigen manier, dat moet ook maar mogen. Ik was al bij al niet ontevreden, de bierweek haalde de kranten en werd druk besproken op het internet, door proevers en door zuurpruimen – maar dat verlevendigt de discussie alleen maar. Ik hoefde niet ver te reizen om de Week van het Nederlandse Bier zelf te ervaren. Donderdag zat ik zelfs op de fiets. Maar het begon dus met de trein, in Den Haag.

Behalve het symposium was er in de hofstad ook een bierfestival. De meningen over dit festival waren verdeeld. De aanwezigheid van grote commerciële brouwers als Heineken en InBev wekte bij sommige liefhebbers wat wrevel. Tegelijkertijd ontbraken er ook wat grote namen. Het weer hielp ook niet mee. Maar er was tenminste een festival, daar gaat het toch maar om.

Een dag later was ik in Leiden, waar ik verschillende cafés bezocht, maar van de Week van het Nederlandse Bier nauwelijks iets merkte. De Engelse pub NorthEnd had Leidsch Bier, maar dat hebben ze altijd. De tapkaart van Lemmy’s was vooral Belgisch, maar ze hadden nog wel wat leuke flesjes. De Uyl van Hoogland had zelfs dat niet. Leiden liep nog ’n beetje achter de feiten aan.

Dat gold toch wel weer voor veel Nederlandse horeca. Je zou denken, zo’n evenement grijp je aan om je café weer eens onder de aandacht te brengen, maar nee. In de provincie bleven de saaie Belgische bierkaarten gewoon op tafel liggen. 165 brouwerijen, maar niet hier. Daar zijn nog wel wat bierweken voor nodig, vrees ik.

Maar toch kon ik fietsen, door Noord-Holland. Van Alkmaar naar Uitgeest ging ik. Daar werd donderdag een nieuwe brouwerij geopend, die De Noord-Hollandse Bierbrouwerij ging heten. ’n Tikje overmoedig misschien, die naam, maar hart voor de provincie had men zeker. De ketels zouden ook aan kleine brouwers worden verhuurd, zodat die wat grotere hoeveelheden kunnen brouwen. Dat was nobel. Het bier was degelijk, de opkomst hoog, de brouwer zelf bleek aangenaam welbespraakt. Dat komt wel goed daar in Uitgeest.

Zaterdag bezocht ik het Woodlandsfestival in Bergen, ook al op fietsafstand. Naast festivalpils werd hier ook Jopen getapt, in viervoud zelfs, er viel wat te kiezen. Zo kan het ook, lieve horeca-ondernemers. Het bier vond gretig aftrek, ook de festivalganger wil wel eens wat anders dan Skol. Hopelijk vind dit idee spoedig navolging op de andere festivals.

Zondag, dat was gisteren. Zo’n week gaat best snel om. ’s Middags bezocht ik een kleine brouwerij, een nieuwe: de Bierderie in Koog aan de Zaan. Heerlijke stout, mooie proevertjes, enthousiaste mensen: zo moet dat, dat maakt die kleine brouwerijtjes juist zo leuk. Een paar stouts verder treinde ik door naar Amsterdam, waar het kuitbier werd gekeurd. Kuitbier, dat haast verdwenen Hollandse bier, dat nu weer tot leven werd gebracht. De kwaliteit was hoog, zeker. Ik schrijf er later nog wel over verder.

Voor nu keur ik alleen de bierweek zelf. Ik vond het best een succes, maar we zijn er nog steeds niet. Of ja, “nog steeds niet”, misschien ben ik ongeduldig. Het zal nog wel even duren voordat de Nederlandse bieren echt overal op waarde geschat gaan worden. Vooroordelen zijn taai, zeker als die vooroordelen door sluwe marketingcampagnes – “Palm is bourgondisch” – worden bevestigd. Eerlijk duurt het langst. Ik zet die derde Week van het Nederlandse Bier alvast op de kalender.