Week van het Nederlandse bier

De bierweek is weer over. Op mijn blog besteedde ik er al even aandacht aan, toen ik in Den Haag het symposium “Bewust Bier” opzocht. Verder had u ’t in de media kunnen horen: dit was de “Week van het Nederlandse bier”. Het kwam zelfs even voorbij in EénVandaag. Maar als u het gemist heeft is dat u ook vergeven, de NOS vond het blijkbaar geen nieuws, die pakten uit met het biertje dat de Hansonbroers gebrouwen zouden hebben en dat was dat.

Goed, elke omroep legt z’n prioriteiten op z’n eigen manier, dat moet ook maar mogen. Ik was al bij al niet ontevreden, de bierweek haalde de kranten en werd druk besproken op het internet, door proevers en door zuurpruimen – maar dat verlevendigt de discussie alleen maar. Ik hoefde niet ver te reizen om de Week van het Nederlandse Bier zelf te ervaren. Donderdag zat ik zelfs op de fiets. Maar het begon dus met de trein, in Den Haag.

Behalve het symposium was er in de hofstad ook een bierfestival. De meningen over dit festival waren verdeeld. De aanwezigheid van grote commerciële brouwers als Heineken en InBev wekte bij sommige liefhebbers wat wrevel. Tegelijkertijd ontbraken er ook wat grote namen. Het weer hielp ook niet mee. Maar er was tenminste een festival, daar gaat het toch maar om.

Een dag later was ik in Leiden, waar ik verschillende cafés bezocht, maar van de Week van het Nederlandse Bier nauwelijks iets merkte. De Engelse pub NorthEnd had Leidsch Bier, maar dat hebben ze altijd. De tapkaart van Lemmy’s was vooral Belgisch, maar ze hadden nog wel wat leuke flesjes. De Uyl van Hoogland had zelfs dat niet. Leiden liep nog ’n beetje achter de feiten aan.

Dat gold toch wel weer voor veel Nederlandse horeca. Je zou denken, zo’n evenement grijp je aan om je café weer eens onder de aandacht te brengen, maar nee. In de provincie bleven de saaie Belgische bierkaarten gewoon op tafel liggen. 165 brouwerijen, maar niet hier. Daar zijn nog wel wat bierweken voor nodig, vrees ik.

Maar toch kon ik fietsen, door Noord-Holland. Van Alkmaar naar Uitgeest ging ik. Daar werd donderdag een nieuwe brouwerij geopend, die De Noord-Hollandse Bierbrouwerij ging heten. ’n Tikje overmoedig misschien, die naam, maar hart voor de provincie had men zeker. De ketels zouden ook aan kleine brouwers worden verhuurd, zodat die wat grotere hoeveelheden kunnen brouwen. Dat was nobel. Het bier was degelijk, de opkomst hoog, de brouwer zelf bleek aangenaam welbespraakt. Dat komt wel goed daar in Uitgeest.

Zaterdag bezocht ik het Woodlandsfestival in Bergen, ook al op fietsafstand. Naast festivalpils werd hier ook Jopen getapt, in viervoud zelfs, er viel wat te kiezen. Zo kan het ook, lieve horeca-ondernemers. Het bier vond gretig aftrek, ook de festivalganger wil wel eens wat anders dan Skol. Hopelijk vind dit idee spoedig navolging op de andere festivals.

Zondag, dat was gisteren. Zo’n week gaat best snel om. ’s Middags bezocht ik een kleine brouwerij, een nieuwe: de Bierderie in Koog aan de Zaan. Heerlijke stout, mooie proevertjes, enthousiaste mensen: zo moet dat, dat maakt die kleine brouwerijtjes juist zo leuk. Een paar stouts verder treinde ik door naar Amsterdam, waar het kuitbier werd gekeurd. Kuitbier, dat haast verdwenen Hollandse bier, dat nu weer tot leven werd gebracht. De kwaliteit was hoog, zeker. Ik schrijf er later nog wel over verder.

Voor nu keur ik alleen de bierweek zelf. Ik vond het best een succes, maar we zijn er nog steeds niet. Of ja, “nog steeds niet”, misschien ben ik ongeduldig. Het zal nog wel even duren voordat de Nederlandse bieren echt overal op waarde geschat gaan worden. Vooroordelen zijn taai, zeker als die vooroordelen door sluwe marketingcampagnes – “Palm is bourgondisch” – worden bevestigd. Eerlijk duurt het langst. Ik zet die derde Week van het Nederlandse Bier alvast op de kalender.

Advertenties

Litouwse mout

Verleden weekend bezocht ik Vilnius. Dat is een heel plezierige stad. Er hangt een ontspannen, open sfeer, iets van opluchting haast. De geschiedenis is hier eindelijk geschiedenis geworden, de panden zijn opgeknapt, de tradities gecanoniseerd. Eindelijk vrij, eindelijk zelfstandig. Hopelijk lukt het de Litouwers die aangename sfeer nog lang vast te houden.

In Vilnius kun je eindeloos kerken bekijken, wat ik graag doe, maar je kunt er ook eindeloos biertjes proeven en daar ben ik natuurlijk ook niet vies van. Litouwen heeft, zo ontdekte ik, een bloeiende biercultuur. De Litouwers zijn trots op hun traditionele bieren. Westers importpils domineert hier niet de markt, eigen onafhankelijke brouwers weten zich goddank te handhaven. In Litouwen domineert zelfs niet één stijl. Hoe kan zo’n rijke biercultuur zo ontzettend onbekend zijn in het westen?

Litouws bier heeft een eigen karakter. Mout mag je hier nog proeven, dat is fijn. Haast alle bieren die ik dronk hadden een volle, moutige, broodachtige smaak. Dat past bij de Litouwse cultuur, waarin brood heilig is. Brood mag in Litouwen zelfs niet omgekeerd liggen, als het op de grond valt moet je ’t kussen… En als graan in bier gaat, dan moet je het met heel je mond kunnen proeven. Zo is de symboliek.

Met mout kun je aardig variëren, zeker als je er dappere dingen mee doet. Gebrande mout is populair in Litouwen, veel grote brouwerijen hebben wel ’n stout of ’n porter in hun assortiment. Die zwarte bieren zijn dan vaak wel wat zoetig. De kleine brouwers durven verder te gaan met hun zwartgeblakerde mout. Naar ’n goede porter hoef je in Litouwen echt niet lang te zoeken.
Maar mout branden, dat doen ze in Nederland ook. Er is meer mogelijk. Je kunt mout ook bakken, en dat doen ze in Litouwen graag. Twee bakbieren dronk ik, Keptinis, gebakken zonder meer en goddelijk, en Ramūno Čizo Kaimiškas, waar ook nog honing aan was toegevoegd. De smaak van koekjes, honing en bier. Wat heerlijk, en wat Litouws.

Honing is even Litouws als bakmout. Overal in Vilnius kun je honing kopen, in verschillende toepassingen. Natuurlijk gaat honing dan ook in bier. ’t Is een mooi natuurproduct, net als mout, hop en gist, dus waarom zou het niet in bier thuis horen? Goede honing geeft een heel aangenaam zoetje aan het bier, zonder dat bier mierzoet of gewoon onevenwichtig te maken.

Gist is ook natuur, al durven veel brouwers hun gisten niet helemaal vrij te laten. In Litouwen vertrouwen ze gewoon op hun gistculturen. Sommige Litouwse bieren vergisten in open vaten. Daar komen bijzondere gisten op af. Ik dronk zo de Dundulis, een bier dat door de smaak van fruitig gist haast aan een degelijk Belgisch bier deed denken.

Belgisch bier, Nederlandse brouwers, Engelse biscuit malt – dat blijven steeds de referentiepunten. Terwijl Litouws bier gewoon Litouws bier is, het staat op zichzelf. Dit is een biercultuur die veel heeft moeten doorstaan, zoals heel Litouwen, maar er gewoon nog is. Net als de Litouwers zelf. ’t Is nu aan ons, arrogante westerlingen, om Litouwen in ons op te nemen en hun biercultuur te erkennen. Mij valt dat alvast niet zwaar. Omarm Litouwen!