Biercultuur

Afgelopen weekend was ik weer eens in Amsterdam. Café In de Wildeman was er weer even mijn ideaal universum. Ik zat aan een ronde tafel en dronk hoppig bier. Mijn vriendin deed hetzelfde. De rest van de tafel was leeg, het liep tegen etenstijd, de drukte was voorbij. Toch kwamen er, toen we ons tweede biertje dronken, nog mensen binnen die aan onze tafel aanschoven. Een peuter, een moeder, een zwangere vrouw en drie mannen, waarvan er één pils bestelde en één iets donkers. Ze spraken Engels onderling.

De tafel deelden we, maar de gesprekken gingen niet gelijk. De taal hield ons uiteen, en onze goede manieren natuurlijk. Maar een peuter kent geen taal en ook nauwelijks manieren. Het meisje stak moeiteloos de grens over en zorgde dat iedereen toch even met elkaar aan de praat raakte. Het gezelschap bestond, zo leerden wij, uit Duitsers en Nederlands, kennelijk Nederlanders van het soort dat liever Engels praat dan Duits. Ik zei daar niks van, de goede manieren immers. We praatten over de peuter en daarna even over bier, maar al gauw scheidden de gesprekken weer en begon de Nederlander aan de Duitsers uit te leggen dat Nederland geen biercultuur had.

Had ik moeten ingrijpen? Ik spreek Duits genoeg om uit te kunnen leggen dat Nederland wél een biercultuur heeft, maar ja, zo’n Nederlander die Engels praat wil je niet onderbreken. Ik had hem kunnen wijzen op de bierkaart van In de Wildeman, op de taplijst, op al die bijzondere brouwerijen die je kon zien liggen op een landkaart in de toiletten. “I like Belgian beers better,” zei de man, “Dutch beer is Heineken and Amstel, boring lager.” Mijn Belgische vriendin keek zorgelijk. Zo’n idioot, en toch heb ik hem laten praten. Die peuter hield de tafel vredig.

Voor ik café In de Wildeman was binnengegaan, was ik bij een festival geweest, het Kimchi Farm Festival. Daar stonden negen brouwers met hun bier. Geen van die brouwers was Belg, geen van de bieren was een pils. Op dit festival zetten hoppige bieren en stevige stouts de toon. Alle brouwers waren kleine hobbybrouwers. De bekendste brouwer op het festival was Rooie Dop, die staan zelfs op Wikipedia, al de andere brouwers waren te jong, te nieuw, te klein, hoe dan ook onbekend, maar wel steengoed.

De Engels koutende Nederlander uit het café was er natuurlijk niet bij, op dit festival, maar verder was het druk. Veel jongeren, veel bierliefhebbers natuurlijk, maar ook mensen die nu pas ontdekten wat Nederlands speciaalbier vermag. En dan ik nog, natuurlijk, ook ik was op ontdekkingsreis. Ik stelde vast dat brouwerijen als Kraanspoor (een perfecte melkstout) en Oedipus (een hele trits spannende experimenten) een toekomst hebben. Hoera voor Nederlands bier, dacht ik nog, wat gebeurt er toch ’n hoop in de Nederlandse bierwereld.

De komkommerzomer heeft ook voor het Nederlandse bier iets betekend. Zelfs in de Telegraaf was er aandacht voor de goede bieren uit eigen land, maar het meest nog wel in de echte kranten. Je zou denken: de Nederlandse biercultuur is volwassen, zo veel brouwerijen, met zo’n hoog gemiddelde, en dan mooie festivals en mooie biercafés, nette artikelen in de pers – maar dan is daar ineens zo’n man. Nederlands bier is pils hoor, meneer de toerist, drink maar Belgisch bier. Zolang zulke figuren de biercafés bevolken wordt de Nederlandse biercultuur nooit volwassen.

Advertenties