Bieren aller landen…

Thuis heb ik nog kabeltelevisie, geen digitale. Net geen 40 zenders, dat is al meer dan genoeg. Eigenlijk kijk ik alleen naar de Nederlandse en Vlaamse publieke omroep en soms nog naar TV5 of het nieuws op Duitsland 1. Wat moet je met al die keuze elke dag, daar word je ongelukkig van. Je kunt maar beter op een eiland zitten en denken dat je er niet af kan, dan weet je tenminste wáár je gelukkig moet worden en dat is een goed begin.

Op het Borefts Bierfestival waren er meer bieren dan ik op kon en meer brouwerijen dan ik hier kan noemen. Ik heb niet alle namen uit het hoofd geleerd. Wat een keuze! Was ik er ongelukkig? Helemaal niet. Borefts is dan ook maar twee dagen in een jaar en ik was er enkel op de eerste. Het was een schitterende dag. Borefts was even mijn eiland en heel het bierdorp speelde mee.

Zeven muntjes kocht ik, uiteindelijk nog een achtste toe, en ik kreeg nog tweemaal wat. Eén keer vergat ’n Deens meisje dat ik moest betalen. Elf proefglaasjes, Zie, ik ben toch matig geweest, alsof ik toch kabeltelevisie had en niet uit 140 bieren moest kiezen.

Borefts mag dan een fijn klein tweedaags eiland zijn, als je er je vinger in de zee steekt sta je in contact met de hele wereld. Amerikanen, Belgen, Denen; brouwers, barmannen en liefhebbers; mensen uit Amsterdam en uit Bodegraven – iedereen was er en iedereen dronk bier. Alleen een man van Bier&Co vroeg naar de cola, maar die moest dan ook rijden.

Une mèr à boire. De bierzee is geen Waddenzee, zeker niet, het is er diep en peilloos en winden en golfstromen bepalen het weer. Vorig jaar zat half Borefts aan de whiskystout, nu kon ik er met moeite twee vinden en die waren niet eens zo overdonderend. Ouderwets bier was de nieuwe trend: zure smaken natuurlijk, Gose, en Berliner Weisse, maar ook nog Grätzer/Grodziskie. Fijn.

Eén trend trok extra aandacht, dat waren de gruitbieren. Gruit is ook middeleeuws, natuurlijk, toen hop nog niet gewoon was kruidden we ons bier, met salie of gagel en als je sommige brouwers zou geloven ook met rode peper, wat natuurlijk onzin is, maar dat is alle mode. Jopen speelde het slim en schreef “gruit” achter Koyt. Daarnaast hadden ze een Goudse Gruit gemaakt die prettig anders was dan hun klassieker.

Ik zeulde een Tsjechisch boekje mee waarin vol lof over De Molen werd gesproken, en waarin foto’s van Jopen en Emelisse stonden. Iemand vroeg of ik de tekst voor kon lezen. Ik vertelde in halve zinnen over mijn bieravontuur. Het kwam niet helemaal over, maar ik probeerde het tenminste en zwom door zeeën en meren tegen de drukte in.

Waar waren ze eigenlijk, die Poolse brouwerijen uit mijn vorige blog? Waar waren de Tsjechen en de Slowaken? Goed, er was Grodziskie, maar die kwam uit Haarlem en uit Duitsland, niet uit de ketels van brouwerij Pinta. Wel kreeg ik van een vriendelijke Vlaming een flesje van brouwerij Legenda cadeau, zo uit Hongarije. Zelf stonden ze er niet.

Misschien is dat de missie voor de komende jaren: het IJzeren Gordijn slechten, de oude EEG ‘ns uit. Laat bieren komen uit die nieuwste bierrevoluties vandaan, zet wat kraampjes neer voor die vrolijke jongens, laat hun experimenten maar komen. Of wordt het dan echt digitale televisie in middeleeuws Bodegraven? Waar stopt die zee?

Kuitbier eindelijk weerom

Belofte maakt schuld. Ik beloofde in mijn vorige blog dat ik nog terug zou komen op het onderwerp “kuitbier”. Vandaag doe ik dat. Het kuitbier zelf is al evenzeer een belofte, een heel oude belofte zelfs. Al decennia zingt het rond: het kuitbier komt terug, het echte Hollandse bier wordt weer gebrouwen, binnenkort, of nú al zelfs – maar pas vorige week zondag kon ik echt kuitbier proeven.

In veel oude bronnen komt kuitbier voor, in talloze spellingen. Meestal wordt er dan alleen iets over het handelssucces gezegd, niet over de smaak en al helemaal niet over de receptuur. De stijl is in de 19e eeuw verloren gegaan, toen hippe stijlen als pils en Beiers bier, maar ook stout en pale ale, de markt veroverden. Wat kuit precies was weten we dus niet meer, het is weg, verdwenen, bierhistorie – niet eens meer nostalgie, want niemand herinnert zich de smaak.

Waarom is ons dan toch steeds weer kuitbier beloofd? In de jaren ’80 was er Goudsch Kuyt, in de jaren ’90 kwam er Jopen Koyt (en het is er nog steeds), steeds weer die verwijzing naar vroeger, steeds ook met andere spellingen. Blijkbaar spreekt kuitbier bijzonder tot de verbeelding. Waarom? Alleen om het commerciële succes? Er zijn wel meer verdwenen stijlen immers.

Misschien was het juist het onbekende dat kuitbier zo fascinerend maakte. We wisten geen recept. Van Nijmeegse mol was wel bekend dat het een zuur witbier was, de oude Pharao en Alambiek moeten wel geleken hebben op de moderne Belgische bieren met een -a- minder… Maar Hollands kuitbier, dat was écht Hollands, en écht onbekend, vast uniek!

Steeds beter kunnen we nu bronnenonderzoek doen, nu er meer en meer wordt gedigitaliseerd. Zo kon uiteindelijk ook de receptuur van kuitbier hersteld worden. Het initiatief kwam van Freek Ruis, van brouwerij de Witte Klavervier uit Zwolle, maar al meteen wilde Jopen er ook wel meer van weten – want die Koyt van ze, leek die nou echt op het origineel, of toch niet? De CNB werd opgericht (Campagne Nederlandse Bierstijlen), zelfs ondergetekende bemoeide zich er even mee, en op ’n end was er dan het recept en de uitdaging voor ’s neerlands brouwers: een echt kuitbier brouwen.

Jopen had alvast geen voorsprong, de Jopen Koyt was geen echt kuitbier, aldus de CNB. Een kuitbier was een gehopt bier, met lichte moutsoorten, veel haver vooral, tarwe, gerst, in een vaste verhouding. Het bier moest een wat droge smaak hebben, door de haver, aroma kwam van de hop en eventueel ook van de zacht-zoete tarwe… Enfin, er was een recept, de brouwers brouwden, daarna was er bier.

Afgelopen zondag, op de laatste dag van de Week van het Nederlandse Bier, proefde ik vele soorten kuit. Soms heel droog (Ramses), soms kruidig, zoethoutachtig (Dampegheest), soms fruitig en gisterig (Jopen), soms… Nu ja, steeds anders, maar steeds herkenbaar. Een granig bier, fris, lichtjes bitter maar meestal niet té, dat was kuit. Uiteindelijk koos de jury een verdiende winnaar: de Witte Klavervier, jawel, de brouwerij waar het ooit allemaal mee begonnen was.

Begonnen, ja? Is het een nieuw begin, blijft dit bier? Ik hoop het, want het was lekker. Ideaal voor in de zomer. Maar een “begin”, dat is wat anders dan het voortzetten van een oude traditie. Het échte kuitbier, ach, misschien smaakte dat nog weer anders. Werd mout vroeger immers niet gerookt? Waren de gisten niet wild? Wie zal het zeggen. Misschien is dit bier dan toch ’n beetje nostalgie, voor mensen uit de tijd dat kuitbier echt een raadsel was, waarvan we nooit zouden weten hoe het smaakte…

Week van het Nederlandse bier

De bierweek is weer over. Op mijn blog besteedde ik er al even aandacht aan, toen ik in Den Haag het symposium “Bewust Bier” opzocht. Verder had u ’t in de media kunnen horen: dit was de “Week van het Nederlandse bier”. Het kwam zelfs even voorbij in EénVandaag. Maar als u het gemist heeft is dat u ook vergeven, de NOS vond het blijkbaar geen nieuws, die pakten uit met het biertje dat de Hansonbroers gebrouwen zouden hebben en dat was dat.

Goed, elke omroep legt z’n prioriteiten op z’n eigen manier, dat moet ook maar mogen. Ik was al bij al niet ontevreden, de bierweek haalde de kranten en werd druk besproken op het internet, door proevers en door zuurpruimen – maar dat verlevendigt de discussie alleen maar. Ik hoefde niet ver te reizen om de Week van het Nederlandse Bier zelf te ervaren. Donderdag zat ik zelfs op de fiets. Maar het begon dus met de trein, in Den Haag.

Behalve het symposium was er in de hofstad ook een bierfestival. De meningen over dit festival waren verdeeld. De aanwezigheid van grote commerciële brouwers als Heineken en InBev wekte bij sommige liefhebbers wat wrevel. Tegelijkertijd ontbraken er ook wat grote namen. Het weer hielp ook niet mee. Maar er was tenminste een festival, daar gaat het toch maar om.

Een dag later was ik in Leiden, waar ik verschillende cafés bezocht, maar van de Week van het Nederlandse Bier nauwelijks iets merkte. De Engelse pub NorthEnd had Leidsch Bier, maar dat hebben ze altijd. De tapkaart van Lemmy’s was vooral Belgisch, maar ze hadden nog wel wat leuke flesjes. De Uyl van Hoogland had zelfs dat niet. Leiden liep nog ’n beetje achter de feiten aan.

Dat gold toch wel weer voor veel Nederlandse horeca. Je zou denken, zo’n evenement grijp je aan om je café weer eens onder de aandacht te brengen, maar nee. In de provincie bleven de saaie Belgische bierkaarten gewoon op tafel liggen. 165 brouwerijen, maar niet hier. Daar zijn nog wel wat bierweken voor nodig, vrees ik.

Maar toch kon ik fietsen, door Noord-Holland. Van Alkmaar naar Uitgeest ging ik. Daar werd donderdag een nieuwe brouwerij geopend, die De Noord-Hollandse Bierbrouwerij ging heten. ’n Tikje overmoedig misschien, die naam, maar hart voor de provincie had men zeker. De ketels zouden ook aan kleine brouwers worden verhuurd, zodat die wat grotere hoeveelheden kunnen brouwen. Dat was nobel. Het bier was degelijk, de opkomst hoog, de brouwer zelf bleek aangenaam welbespraakt. Dat komt wel goed daar in Uitgeest.

Zaterdag bezocht ik het Woodlandsfestival in Bergen, ook al op fietsafstand. Naast festivalpils werd hier ook Jopen getapt, in viervoud zelfs, er viel wat te kiezen. Zo kan het ook, lieve horeca-ondernemers. Het bier vond gretig aftrek, ook de festivalganger wil wel eens wat anders dan Skol. Hopelijk vind dit idee spoedig navolging op de andere festivals.

Zondag, dat was gisteren. Zo’n week gaat best snel om. ’s Middags bezocht ik een kleine brouwerij, een nieuwe: de Bierderie in Koog aan de Zaan. Heerlijke stout, mooie proevertjes, enthousiaste mensen: zo moet dat, dat maakt die kleine brouwerijtjes juist zo leuk. Een paar stouts verder treinde ik door naar Amsterdam, waar het kuitbier werd gekeurd. Kuitbier, dat haast verdwenen Hollandse bier, dat nu weer tot leven werd gebracht. De kwaliteit was hoog, zeker. Ik schrijf er later nog wel over verder.

Voor nu keur ik alleen de bierweek zelf. Ik vond het best een succes, maar we zijn er nog steeds niet. Of ja, “nog steeds niet”, misschien ben ik ongeduldig. Het zal nog wel even duren voordat de Nederlandse bieren echt overal op waarde geschat gaan worden. Vooroordelen zijn taai, zeker als die vooroordelen door sluwe marketingcampagnes – “Palm is bourgondisch” – worden bevestigd. Eerlijk duurt het langst. Ik zet die derde Week van het Nederlandse Bier alvast op de kalender.

Bier in de wilde keuken

“De Wilde Keuken” is een sympathiek programma op de Nederlandse televisie. De presentator, Wouter Klootwijk, is eigenzinnig en geïnteresseerd, de plaatjes zijn mooi, de muziek geeft het programma een bijzondere sfeer. Ik kijk er graag naar. “De Wilde Keuken” gaat over eten, meestal. Gisteren niet. Gisteren ging “De Wilde Keuken” over bier.

Bierblogger zijn is niet altijd een vrolijke bezigheid. Vaak mopper ik, over kranten bijvoorbeeld, of over mediafiguren die domme dingen zeggen over bier. Zelfs brouwers kunnen soms rare dingen zeggen over het bier van anderen. Zou Wouter Klootwijk, die zo liefdevol over groente, vis en vlees kan praten, ook domme dingen zeggen over bier?

De uitzending begon met nostalgische plaatjes. Industrie, rode bakstenen, regen: zo ziet België er volgens de clichés uit. We waren dan ook in België, in Aalst. Want, vertelde Wouter Klootwijk, enthousiast als altijd, wie bier zegt, die zegt België. Ja, nou, Heineken, Bavaria, dat had je in Nederland, maar écht bier, dat is Belgisch.

Daarmee was de toon gezet. Nederlands bier, dat is pils, slecht pils, niet meer dan dat. Vele tientallen Nederlandse brouwers werd op vrijdagavond, primetime, stilzwijgend de strot doorgesneden. Zij bestaan niet in De Wilde Keuken. Alleen de grote pilsbrouwers bestaan: Heineken, Bavaria, later in de uitzending ook nog in een bijzin Grolsch. Meer is er niet in Holland, meneer.

Voor de Nederlandse biercultuur zou het een pijnlijk half uurtje televisie worden. Toch werd, en dat pleit weer voor Klootwijk, Belgisch bier ook niet kritiekloos benaderd. Een journalist die de “Belgische taal” (sic) beter sprak dan Klootwijk, toonde aan dat in veel Belgisch bier glucose zit. Kunstmatig wordt het bier aangezoet, zodat er tijdens het gisten meer alcohol ontstaat. Want bier moet zwaar zijn.

De journalist deed z’n werk keurig. Hij doorprikte de mythe van de middeleeuwse, ambachtelijke bieren: Belgisch bier zoals we dat nu kennen is een verzinsel uit de 20e eeuw. Bier met veel alcohol, om zo de straffere jenever, die na 1919 verboden werd in België, een beetje te vervangen. Daarom wordt er glucose in Duvel en Palm verwerkt, maar ook in de trappisten.

De echte bierliefhebber weet dit natuurlijk wel. Maar de echte bierliefhebber weet ook dat niet iedere brouwer zo met bier foefelt. Integendeel, bieren met veel smaak maar weinig alcohol zijn de laatste tijd in opkomst. Die Nederlandse brouwers die gisteravond even niet mochten bestaan, die knoeien lang niet allemaal met suiker. Veel Belgische collega’s ook niet, trouwens. Maar ja. Tv moet snel zijn zeker?

Normaal is “De Wilde Keuken” niet snel. Het is nostalgische tv. En eigenlijk was het dat gisteren ook: de wereld was nog gewoon zoals ze in 1983 was. Hollands pils, zoet zwaar bier uit België, hop uit West-Vlaanderen. Sinds 1983 is er veel gebeurd, Amerikaanse hop kwam op, Nederlands speciaalbier kwam op, bitter en zuur werden hippe smaken. Maar die ontwikkeling heeft Wouter Klootwijk niet gevolgd.

“De trend voor de zomer,” zei Klootwijk toen hij hopthee met suiker dronk. Hij keek erbij alsof hij het zelf bedacht had, maar hopthee bestaat al even. In de wereld van nu, tenminste, in 2013. De Wilde Keuken ging gisteravond schaamteloos terug in de tijd, naar een wereld van sprookjes en clichés. Wat een gemiste kans.

Het bierjaar 2012

Vandaag is ’t kerst. Zodra dat achter de rug is komen de dagen tussen kerst en oud en nieuw, de tijd die ze in Duitsland zo mooi zwischen den Jahren noemen – daar horen jaaroverzichten bij. Ik doe er ook maar eens aan mee. Ik heb weer ’n jaar langer geblogd, en in dat jaar is dit blog steeds meer een alternatief bierblog geworden. Daarom blik ik nu terug op het bierjaar 2012.

In 2012 zijn er drie brouwerijen opgehouden te bestaan, maar daar staat tegenover dat er 28 nieuwe bij zijn gekomen. Dat is een historische score: sinds een en ander wordt bijgehouden op cambrinus.nl zijn er nog nooit zoveel brouwerijen in één jaar bijgekomen. De Nederlandse biercultuur is in 2012 alleen maar verder tot bloei gekomen.

Afgelopen weekend bezocht ik de winterversie van het Kimchi Festival (over de zomerversie blogde ik al eens). Hier verzamelden zich nieuwe brouwerijtjes, sommige in oprichting, andere alleen nog een hobbyproject, een enkeling professioneel. Het niveau was hoog. Als dat de voorbode is van 2013, dan houdt de bloei alleen maar aan. En waarom zou dat ook niet zo zijn?

Niet alles gaat goed in bierland Nederland. Ondanks alle succesverhalen hebben veel kleine brouwers het moeilijk, nog steeds. Ze hebben het niet moeilijk omdat ze belabberd bier brouwen – als dat zo zou zijn zouden de problemen verdiend zijn -, ze hebben het moeilijk omdat er nog steeds te weinig podium voor Nederlandse brouwers is.

Ik heb er op dit blog al vaak over geklaagd: Nederlands bier bereikt de markt niet. De grote leveranciers vertrouwen liever op Belgische klassiekers en nemen maar mondjesmaat Nederlandse brouwers op in hun assortiment. Te weinig biercafés durven te vernieuwen. Heineken en InBev houden de markt met wurgcontracten in een ijzeren greep. Het blijft zoeken naar Nederlandse topbieren, terwijl ze wel bestaan, in honderdvoud.

Er is dus nog een hoop te verbeteren. Dat is voor 2013. Voor nu is er het bierfeestje van 2012. Nieuwe brouwerijen als Rooie Dop slaagden er dit jaar snel in ook internationaal door te breken. Dat gaat Oersoep vast ook lukken: met wilde gisten haken ze aan bij de nieuwste trends én bij het onvolprezen Brettanomycesfestival, nog zo’n stap voorwaarts die in 2012 is gezet.

Behalve vernieuwing was er ook continuïteit. Grote namen als Jopen verrassen nog altijd met nieuwe, uitdagende bieren. De Molen organiseerde weer een pracht van een festival, Borefts, en trok daarmee een internationaal publiek. Ook andere bekende namen – Emelisse, De Eem, Klein Duimpje, De Prael – en zelfs microbrouwerijtjes als Dampegheest (uit Limmen) bleven vernieuwen en vooruitzien.

Het is niet eens moeilijk om voorspellingen te doen voor volgend jaar. Er zijn al veel nieuwe ambities uitgesproken en daar zal in 2013 vast het nodige van te merken zijn. Nieuwe bierstijlen zullen verzonnen worden, oude zullen worden herontdekt. En weer zijn er de festivals, ieder weekend weer ergens anders. Bierland Nederland bloeit als nooit tevoren. Dat houden we vast, natuurlijk. Ik ook. Ik blijf schrijven over bier!

Bier op

De Nederlandse bierwereld wordt dikwijls vergeleken met een klein dorp, en niet ten onrechte. Brouwers en liefhebbers kennen elkaar persoonlijk en ze delen op de vele bierfestivals naarmate de avond vordert lief en leed met elkaar. Ons kent ons. Er gaan wat plagerijtjes over en weer, onderhands wordt soms een bijzondere fles weggegeven, anders zo kritische recensenten laten zich omkopen en schrijven dan tot ieders verbazing iets leuks over een saaie tripel – altijd wel stof voor een nieuwe dorpsroddel. Zo modderen we gemoedelijk voort.

Een modern dorp hoeft niet fysiek te bestaan. Internet is al genoeg, op Facebook is er een bierproefpagina die functioneert als dorpsplein en stamcafé, bij momenten ook als kerk, als één of andere liefhebber weer een zatte preek afsteekt. Daarnaast zijn er nog de festivals, de dorpskermissen op verplaatsing. Dit weekend trekt menig dorpeling naar Hoogeveen om daar, in de kille openlucht, aan een heel leuk festival deel te nemen.

Heeft een modern dorp nog wel een eigen dialect? Als taalliefhebber zou ik toch hopen van wel. Variatie is immers mooi. Het bierdorp, heeft dat een dialect? De mensen komen overal vandaan, op de festivals hoor je tongvallen uit heel Nederland en een enkele keer zelfs uit België of van overzee. Het dorpsdialect heeft dus in elk geval niet één klank, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat het niet bestaat.

Onlangs zat ik met een bevriende brouwer in café In de Wildeman, de fysieke dorpskroeg van bierland Nederland. We spraken over Engels bier, want er wordt natuurlijk ook gewoon geroddeld over naburige dorpen, zo gaat dat op het platteland. “De St. Peter’s Cream Stout heb ik in huis,” zei ik. “O ja,” zei de brouwer, “die heb ik ook op. Leuk biertje.”

Ineens werd ik me bewust van een beetje dorpsdialect. “Die heb ik op.” Op jaarmarkten is het wel eens een openingszin: “Die nieuwe van Jopen, heb jij die al op?” Het is natuurlijk een verkorting van “opgedronken”, maar eigenlijk een rare, want waarom wordt de nadruk zo op de voltooiing, op dat  “op”, gelegd? Doen ze dat in andere dorpen ook zo?

Ik kom wel eens in het boekendorp. Veel schrijvers ken ik niet, maar wel zo wat liefhebbers. Op boekenmarkten komt de vraag wel eens voorbij: “Heb jij de nieuwe van Grunberg al gelezen?” Ik kan me best voorstellen dat er ook wel eens wordt gevraagd: “heb jij die al uit?” – maar dan ligt de nadruk toch echt wel op de voltooiing. Zoiets vraag je over een onleesbaar boek. “Heb je het nog uit kunnen lezen, dat rotboek?” Dat is toch anders in het bierdorpsdialect.

In de bierwereld hoor je het vaak zeggen, dat “op”. Het is niet negatief, het gaat zeker niet over ondrinkbare bieren. Eerder is er een ondertoon van spijt. “Die heb ik op,” zeg je treurig, “het glas is leeg.” Maar gelukkig is er altijd een nieuw glas, op één van die festivals bijvoorbeeld. Daar moeten nu ook maar eens taalkundigen naartoe, met een opschrijfboekje en opnameapparatuur. Het dorpsdialect van bierland Nederland is er springlevend.

Bierthee

Verleden maand blogde ik over koffiebier. Toen vermeldde ik al dat je in Nederland prima koffiebier kunt drinken, als je de weg naar de betere biercafés en slijterijen maar weet te vinden. Zelf ben ik meer een theedrinker, maar in bier vind ik koffie heerlijk. De Kopi Loewak van brouwerij De Molen is één van mijn favorieten. Toen ik vernam dat het op tap verkrijgbaar was in Amsterdam aarzelde ik dan ook niet.

Het goede biercafé liet zich ditmaal lastig vinden, want de Kopi Loewak werd getapt in een zaak die ik tot dan toe vooral als koffie- en theeproeflokaal kende. Het Hofje van Wijs, aan de Zeedijk – niet ver van het station, gelukkig, en goed te combineren met een wandeling langs de andere goede cafés die Amsterdam rijk is.

Ik kwam pas ’s avonds binnenvallen en zei iets over bier. Dat was voor de eigenaar genoeg. Ja, hij tapte Kopi Loewak, maar voor een theeliefhebber als ik had hij ook nog iets anders. Hij had op dat moment twee “theebieren” op de tap staan. Natuurlijk kon ik die proeven met ’n kopje thee ernaast, zodat ik de gebruikte theesoorten nog beter zou herkennen. Dit werd een goede avond, zoveel was duidelijk.

De basis van het theebier van Hofje van Wijs is hoppig bier van De Molen. Die samenwerking is niet toevallig, legde de eigenaar uit. De Molen komt uit Bodegraven en daar kwam hij zelf ook vandaan, dus daar moest een keer iets mee gedaan worden. Zo ontstonden de thee- en koffiebieren die hij die avond tapte.

Vuur & Vlam, dat was een bier dat ik wel van De Molen kende: scherp en hoppig. Nu dronk ik het bier met Chai ernaast én erdoorheen. Het bier had simpelweg op de thee getrokken, omdat het kon. Het resultaat mocht er wezen. De Chai sloot perfect op de hop aan, de overgang was zo merkwaardig subtiel dat het me niet lukte te zeggen wannéér de ene smaak nu in de andere overging. Zo leuk kan proeven zijn.

Het tweede theebier dat ik proefde was de Smoking Gun. Rook is een hippe smaak in bier, maar er bestaat natuurlijk ook gerookte thee en die was gebruikt om het rookbier van De Molen op te leuken. Rookmout en Lapsang Souchong – een geslaagde combinatie die nog leuker werd toen ik de thee, naast het bier geserveerd, proefde: nieuwe smaken als kaneel kwamen ineens naar boven.

Natuurlijk sloot ik af met waar ik voor gekomen was: Kopi Loewak, het bier én de koffie, vers getapt. Dat was heerlijk, zeker. Maar het gelukkigst was ik met de nieuwe smaken die ik had leren kennen. Weer helemaal anders dan de nieuwe smaak die ik een paar dagen ervoor had leren kennen. De verbazing is de helft van het plezier.

Er kan vast nog veel verbeteren, maar op sommige plaatsen is onze biercultuur toch haast perfect. Het experiment, de durf, over grenzen, stijlen en definities heen kunnen denken – dat maakt het moderne Nederlandse bier zo geweldig interessant. Wie ’t nog niet gevonden heeft wijs ik graag de weg.