Het bierjaar 2012

Vandaag is ’t kerst. Zodra dat achter de rug is komen de dagen tussen kerst en oud en nieuw, de tijd die ze in Duitsland zo mooi zwischen den Jahren noemen – daar horen jaaroverzichten bij. Ik doe er ook maar eens aan mee. Ik heb weer ’n jaar langer geblogd, en in dat jaar is dit blog steeds meer een alternatief bierblog geworden. Daarom blik ik nu terug op het bierjaar 2012.

In 2012 zijn er drie brouwerijen opgehouden te bestaan, maar daar staat tegenover dat er 28 nieuwe bij zijn gekomen. Dat is een historische score: sinds een en ander wordt bijgehouden op cambrinus.nl zijn er nog nooit zoveel brouwerijen in één jaar bijgekomen. De Nederlandse biercultuur is in 2012 alleen maar verder tot bloei gekomen.

Afgelopen weekend bezocht ik de winterversie van het Kimchi Festival (over de zomerversie blogde ik al eens). Hier verzamelden zich nieuwe brouwerijtjes, sommige in oprichting, andere alleen nog een hobbyproject, een enkeling professioneel. Het niveau was hoog. Als dat de voorbode is van 2013, dan houdt de bloei alleen maar aan. En waarom zou dat ook niet zo zijn?

Niet alles gaat goed in bierland Nederland. Ondanks alle succesverhalen hebben veel kleine brouwers het moeilijk, nog steeds. Ze hebben het niet moeilijk omdat ze belabberd bier brouwen – als dat zo zou zijn zouden de problemen verdiend zijn -, ze hebben het moeilijk omdat er nog steeds te weinig podium voor Nederlandse brouwers is.

Ik heb er op dit blog al vaak over geklaagd: Nederlands bier bereikt de markt niet. De grote leveranciers vertrouwen liever op Belgische klassiekers en nemen maar mondjesmaat Nederlandse brouwers op in hun assortiment. Te weinig biercafés durven te vernieuwen. Heineken en InBev houden de markt met wurgcontracten in een ijzeren greep. Het blijft zoeken naar Nederlandse topbieren, terwijl ze wel bestaan, in honderdvoud.

Er is dus nog een hoop te verbeteren. Dat is voor 2013. Voor nu is er het bierfeestje van 2012. Nieuwe brouwerijen als Rooie Dop slaagden er dit jaar snel in ook internationaal door te breken. Dat gaat Oersoep vast ook lukken: met wilde gisten haken ze aan bij de nieuwste trends én bij het onvolprezen Brettanomycesfestival, nog zo’n stap voorwaarts die in 2012 is gezet.

Behalve vernieuwing was er ook continuïteit. Grote namen als Jopen verrassen nog altijd met nieuwe, uitdagende bieren. De Molen organiseerde weer een pracht van een festival, Borefts, en trok daarmee een internationaal publiek. Ook andere bekende namen – Emelisse, De Eem, Klein Duimpje, De Prael – en zelfs microbrouwerijtjes als Dampegheest (uit Limmen) bleven vernieuwen en vooruitzien.

Het is niet eens moeilijk om voorspellingen te doen voor volgend jaar. Er zijn al veel nieuwe ambities uitgesproken en daar zal in 2013 vast het nodige van te merken zijn. Nieuwe bierstijlen zullen verzonnen worden, oude zullen worden herontdekt. En weer zijn er de festivals, ieder weekend weer ergens anders. Bierland Nederland bloeit als nooit tevoren. Dat houden we vast, natuurlijk. Ik ook. Ik blijf schrijven over bier!

Advertenties

Bier op

De Nederlandse bierwereld wordt dikwijls vergeleken met een klein dorp, en niet ten onrechte. Brouwers en liefhebbers kennen elkaar persoonlijk en ze delen op de vele bierfestivals naarmate de avond vordert lief en leed met elkaar. Ons kent ons. Er gaan wat plagerijtjes over en weer, onderhands wordt soms een bijzondere fles weggegeven, anders zo kritische recensenten laten zich omkopen en schrijven dan tot ieders verbazing iets leuks over een saaie tripel – altijd wel stof voor een nieuwe dorpsroddel. Zo modderen we gemoedelijk voort.

Een modern dorp hoeft niet fysiek te bestaan. Internet is al genoeg, op Facebook is er een bierproefpagina die functioneert als dorpsplein en stamcafé, bij momenten ook als kerk, als één of andere liefhebber weer een zatte preek afsteekt. Daarnaast zijn er nog de festivals, de dorpskermissen op verplaatsing. Dit weekend trekt menig dorpeling naar Hoogeveen om daar, in de kille openlucht, aan een heel leuk festival deel te nemen.

Heeft een modern dorp nog wel een eigen dialect? Als taalliefhebber zou ik toch hopen van wel. Variatie is immers mooi. Het bierdorp, heeft dat een dialect? De mensen komen overal vandaan, op de festivals hoor je tongvallen uit heel Nederland en een enkele keer zelfs uit België of van overzee. Het dorpsdialect heeft dus in elk geval niet één klank, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat het niet bestaat.

Onlangs zat ik met een bevriende brouwer in café In de Wildeman, de fysieke dorpskroeg van bierland Nederland. We spraken over Engels bier, want er wordt natuurlijk ook gewoon geroddeld over naburige dorpen, zo gaat dat op het platteland. “De St. Peter’s Cream Stout heb ik in huis,” zei ik. “O ja,” zei de brouwer, “die heb ik ook op. Leuk biertje.”

Ineens werd ik me bewust van een beetje dorpsdialect. “Die heb ik op.” Op jaarmarkten is het wel eens een openingszin: “Die nieuwe van Jopen, heb jij die al op?” Het is natuurlijk een verkorting van “opgedronken”, maar eigenlijk een rare, want waarom wordt de nadruk zo op de voltooiing, op dat  “op”, gelegd? Doen ze dat in andere dorpen ook zo?

Ik kom wel eens in het boekendorp. Veel schrijvers ken ik niet, maar wel zo wat liefhebbers. Op boekenmarkten komt de vraag wel eens voorbij: “Heb jij de nieuwe van Grunberg al gelezen?” Ik kan me best voorstellen dat er ook wel eens wordt gevraagd: “heb jij die al uit?” – maar dan ligt de nadruk toch echt wel op de voltooiing. Zoiets vraag je over een onleesbaar boek. “Heb je het nog uit kunnen lezen, dat rotboek?” Dat is toch anders in het bierdorpsdialect.

In de bierwereld hoor je het vaak zeggen, dat “op”. Het is niet negatief, het gaat zeker niet over ondrinkbare bieren. Eerder is er een ondertoon van spijt. “Die heb ik op,” zeg je treurig, “het glas is leeg.” Maar gelukkig is er altijd een nieuw glas, op één van die festivals bijvoorbeeld. Daar moeten nu ook maar eens taalkundigen naartoe, met een opschrijfboekje en opnameapparatuur. Het dorpsdialect van bierland Nederland is er springlevend.

Biercultuur

Afgelopen weekend was ik weer eens in Amsterdam. Café In de Wildeman was er weer even mijn ideaal universum. Ik zat aan een ronde tafel en dronk hoppig bier. Mijn vriendin deed hetzelfde. De rest van de tafel was leeg, het liep tegen etenstijd, de drukte was voorbij. Toch kwamen er, toen we ons tweede biertje dronken, nog mensen binnen die aan onze tafel aanschoven. Een peuter, een moeder, een zwangere vrouw en drie mannen, waarvan er één pils bestelde en één iets donkers. Ze spraken Engels onderling.

De tafel deelden we, maar de gesprekken gingen niet gelijk. De taal hield ons uiteen, en onze goede manieren natuurlijk. Maar een peuter kent geen taal en ook nauwelijks manieren. Het meisje stak moeiteloos de grens over en zorgde dat iedereen toch even met elkaar aan de praat raakte. Het gezelschap bestond, zo leerden wij, uit Duitsers en Nederlands, kennelijk Nederlanders van het soort dat liever Engels praat dan Duits. Ik zei daar niks van, de goede manieren immers. We praatten over de peuter en daarna even over bier, maar al gauw scheidden de gesprekken weer en begon de Nederlander aan de Duitsers uit te leggen dat Nederland geen biercultuur had.

Had ik moeten ingrijpen? Ik spreek Duits genoeg om uit te kunnen leggen dat Nederland wél een biercultuur heeft, maar ja, zo’n Nederlander die Engels praat wil je niet onderbreken. Ik had hem kunnen wijzen op de bierkaart van In de Wildeman, op de taplijst, op al die bijzondere brouwerijen die je kon zien liggen op een landkaart in de toiletten. “I like Belgian beers better,” zei de man, “Dutch beer is Heineken and Amstel, boring lager.” Mijn Belgische vriendin keek zorgelijk. Zo’n idioot, en toch heb ik hem laten praten. Die peuter hield de tafel vredig.

Voor ik café In de Wildeman was binnengegaan, was ik bij een festival geweest, het Kimchi Farm Festival. Daar stonden negen brouwers met hun bier. Geen van die brouwers was Belg, geen van de bieren was een pils. Op dit festival zetten hoppige bieren en stevige stouts de toon. Alle brouwers waren kleine hobbybrouwers. De bekendste brouwer op het festival was Rooie Dop, die staan zelfs op Wikipedia, al de andere brouwers waren te jong, te nieuw, te klein, hoe dan ook onbekend, maar wel steengoed.

De Engels koutende Nederlander uit het café was er natuurlijk niet bij, op dit festival, maar verder was het druk. Veel jongeren, veel bierliefhebbers natuurlijk, maar ook mensen die nu pas ontdekten wat Nederlands speciaalbier vermag. En dan ik nog, natuurlijk, ook ik was op ontdekkingsreis. Ik stelde vast dat brouwerijen als Kraanspoor (een perfecte melkstout) en Oedipus (een hele trits spannende experimenten) een toekomst hebben. Hoera voor Nederlands bier, dacht ik nog, wat gebeurt er toch ’n hoop in de Nederlandse bierwereld.

De komkommerzomer heeft ook voor het Nederlandse bier iets betekend. Zelfs in de Telegraaf was er aandacht voor de goede bieren uit eigen land, maar het meest nog wel in de echte kranten. Je zou denken: de Nederlandse biercultuur is volwassen, zo veel brouwerijen, met zo’n hoog gemiddelde, en dan mooie festivals en mooie biercafés, nette artikelen in de pers – maar dan is daar ineens zo’n man. Nederlands bier is pils hoor, meneer de toerist, drink maar Belgisch bier. Zolang zulke figuren de biercafés bevolken wordt de Nederlandse biercultuur nooit volwassen.