Bier en regelgeving

Er zijn zoveel zaken waar ’n mens van genieten kan. Ik geniet lang niet van allemaal, dat zou belachelijk zijn, maar ook ik heb meer hobby’s dan bier alleen. Ik houd van taal, bijvoorbeeld, ik vind reizen leuk, ik kan genieten van de natuur en van de wolken en verder houd ik van lezen. Voor wie ’t volgen wil, recent heb ik een verhalenbundel van Hermans uitgelezen, “De laatste roker”, en daarvoor toneelstukken van Bredero.

Het titelverhaal van “De laatste roker” gaat over een bizarre toekomst waarin roken verboden is en het Nederlands als officiële taal is afgeschaft en door het Engels is vervangen. De hoofdpersoon probeert tegen beter weten in toch nog ‘ns op straat te roken, wordt opgepakt en komt later zelfs pijnlijk aan z’n einde, want die zwartgallige wereld van Hermans is niet alleen regelziek, maar ook vol willekeur.

Het verhaal heb ik rustig uitgelezen. Dat mocht ik namelijk gewoon. Hermans kan soms beklemmend zijn, maar geen moment twijfelde ik eraan dat ik lezen mocht. Bij m’n andere hobby’s is dat niet anders. Ik leer talen en niemand verbiedt mij dat. Ik kijk naar een vlucht spreeuwen en niemand beboet mij. Zelfs als ik reis heb ik, in ieder geval binnen de Schengenzone, weinig regelgeving te duchten.

Hoe anders is dat met bier, de hobby waar ik hier meestal over schrijf. Mag ik er eigenlijk wel zo over schrijven? Is dat al geen reclame, maak ik mensen niet te dorstig naar alcohol? Ik ben nog nooit aangeklaagd, maar soms verwacht ik dat wel. Want er zijn veel regels en ze veranderen steeds.

Stel, ik zou nog zestien zijn. Toen ik zestien was proefde ik al ‘ns ’n bockbiertje. Wie nu zestien is mag dat ook – maar volgend jaar mag ‘ie dat niet meer.

Toen ik zeventien was, dronk ik soms al ‘ns bier in Amsterdam. Dan ging ik met wat vrienden naar In de Wildeman of ’t Arendsnest. De BeerTemple bestond toen nog niet en brouwerijcafés waren te ver weg, maar dat deerde niet. We proefden en testten onszelf. Nu zouden we illegaal zijn.

Toen ik achttien was ben ik wel ‘ns ’n tikje dronken geworden in zo’n Amsterdams café. Ik staarde met één oog naar de tapkaart, omdat ik met twee niet meer scherp kon stellen. De barman lachte en zei dat ’t m’n laatste was geweest. Ik gaf hem gelijk. Zo ging dat toen. Hoe gaat het straks? Wordt dronkenschap in de kroeg verboden?

En altijd zijn er die accijns. Ik betaal ze braaf. Dat wil zeggen: de kroegbaas betaalt ze, als ‘ie z’n bier inkoopt, en rekent ze door aan mij. Als zo’n man een fust van twintig liter bestelt, en er zonder statiegeld € 45,- voor betaalt, dan is toch al ’n kwart van de bierprijs accijns.

Het grootste probleem is niet zozeer dat al die regelgeving mijn hobby beperkt, ach nee, ik laat mij niets verbieden – het probleem is dat ze mijn hobby ontként.

Die accijns bijvoorbeeld, die wordt niet op het percentage alcohol berekend, maar op het stamwortgehalte. Pils heeft een laag stamwortgehalte, speciaalbier heeft een hoog stamwortgehalte. Voor genietersbier bepaal je dus veel meer accijns. Een Emelisse van 2,5% alcohol, vers getapt, daar word je voor beboet. Een blik bocht van 10% uit de supermarkt, ach, ’n paar cent accijns en klaar ben je.

Zo is ’t ook met die alcoholleeftijd, natuurlijk. “Ja, de comazuipers worden aangepakt,” zegt Den Haag. Maar comazuipers nippen geen bockbiertjes. Dat heeft geen effect. Comazuipers zuipen wodka en wodka was altijd al verboden voor wie jonger dan 18 was. Nu is het signaal: alle alcohol is gelijk, wodka of pils, maar pas op met genietersbieren, want daar betaal je voor.

Hermans schrijft ergens: alleen in straten vol boekwinkels heb ik het gevoel in een wereld te leven die rekening met mij houdt. Het lijkt er inderdaad op dat er elders bar weinig rekening gehouden wordt met mensen die in alle rust ‘ns van iets moois willen genieten. De bierliefhebber moet vooral rekening houden met de regelgeving, en met de volstrekte willekeur daarvan.

Advertenties