Bier op

De Nederlandse bierwereld wordt dikwijls vergeleken met een klein dorp, en niet ten onrechte. Brouwers en liefhebbers kennen elkaar persoonlijk en ze delen op de vele bierfestivals naarmate de avond vordert lief en leed met elkaar. Ons kent ons. Er gaan wat plagerijtjes over en weer, onderhands wordt soms een bijzondere fles weggegeven, anders zo kritische recensenten laten zich omkopen en schrijven dan tot ieders verbazing iets leuks over een saaie tripel – altijd wel stof voor een nieuwe dorpsroddel. Zo modderen we gemoedelijk voort.

Een modern dorp hoeft niet fysiek te bestaan. Internet is al genoeg, op Facebook is er een bierproefpagina die functioneert als dorpsplein en stamcafé, bij momenten ook als kerk, als één of andere liefhebber weer een zatte preek afsteekt. Daarnaast zijn er nog de festivals, de dorpskermissen op verplaatsing. Dit weekend trekt menig dorpeling naar Hoogeveen om daar, in de kille openlucht, aan een heel leuk festival deel te nemen.

Heeft een modern dorp nog wel een eigen dialect? Als taalliefhebber zou ik toch hopen van wel. Variatie is immers mooi. Het bierdorp, heeft dat een dialect? De mensen komen overal vandaan, op de festivals hoor je tongvallen uit heel Nederland en een enkele keer zelfs uit België of van overzee. Het dorpsdialect heeft dus in elk geval niet één klank, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat het niet bestaat.

Onlangs zat ik met een bevriende brouwer in café In de Wildeman, de fysieke dorpskroeg van bierland Nederland. We spraken over Engels bier, want er wordt natuurlijk ook gewoon geroddeld over naburige dorpen, zo gaat dat op het platteland. “De St. Peter’s Cream Stout heb ik in huis,” zei ik. “O ja,” zei de brouwer, “die heb ik ook op. Leuk biertje.”

Ineens werd ik me bewust van een beetje dorpsdialect. “Die heb ik op.” Op jaarmarkten is het wel eens een openingszin: “Die nieuwe van Jopen, heb jij die al op?” Het is natuurlijk een verkorting van “opgedronken”, maar eigenlijk een rare, want waarom wordt de nadruk zo op de voltooiing, op dat  “op”, gelegd? Doen ze dat in andere dorpen ook zo?

Ik kom wel eens in het boekendorp. Veel schrijvers ken ik niet, maar wel zo wat liefhebbers. Op boekenmarkten komt de vraag wel eens voorbij: “Heb jij de nieuwe van Grunberg al gelezen?” Ik kan me best voorstellen dat er ook wel eens wordt gevraagd: “heb jij die al uit?” – maar dan ligt de nadruk toch echt wel op de voltooiing. Zoiets vraag je over een onleesbaar boek. “Heb je het nog uit kunnen lezen, dat rotboek?” Dat is toch anders in het bierdorpsdialect.

In de bierwereld hoor je het vaak zeggen, dat “op”. Het is niet negatief, het gaat zeker niet over ondrinkbare bieren. Eerder is er een ondertoon van spijt. “Die heb ik op,” zeg je treurig, “het glas is leeg.” Maar gelukkig is er altijd een nieuw glas, op één van die festivals bijvoorbeeld. Daar moeten nu ook maar eens taalkundigen naartoe, met een opschrijfboekje en opnameapparatuur. Het dorpsdialect van bierland Nederland is er springlevend.

Advertenties

Tussen taal en land

Vandaag ga ik weer ‘ns naar België. Toch een beetje mijn tweede vaderland, want ik heb er gewoond en gestudeerd. Een tweede vaderland tegen wil en dank, misschien, want de cultuurverschillen blijven. Ik zal de Belgen wel nooit helemaal begrijpen en zij mij ook niet. Dat hoeft vriendschap niet in de weg te staan, dat niet. We spreken immers dezelfde taal?

Het buitenland vertellen we graag dat het Nederlands meer is dan de taal van Nederland alleen. Suriname tikt niet zo aan, maar Vlaanderen, met zes miljoen sprekers, nou! Het maakt onze taal toch weer wat gewichtiger, al zal een Engelsman nog lang niet onder de indruk zijn. Zeker niet als hij bij een eerdere reis wat fiere Vlamingen tegen is gekomen die hem op de mouw gespeld hebben dat zij Flemish spreken en geen Dutch. Het regionalisme.

Er ís een verschil tussen Vlaams en Hollands, zeker. We hebben dezelfde standaardtaal, maar gebruiken haar anders. Of moet ik zeggen: we gebruiken hém anders? Onze grammatica verschilt, onze woordenschat nog meer. Dat bracht het Vlaamse radioprogramma Hautekiet ertoe een tekstje de ether in te slingeren vol zuiderbuurs vocabulaire, onbegrijpelijk voor Nederlanders:

Bomma heeft in de solden zwarte pens, salami en botten gekocht. Het was een ander paar mouwen om nog fruitsap, kipkap en fondant te vinden.
Bij valavond kwam bomma’s dochter op bezoek. Ze durfde niet uit de biecht te klappen want ze vond het ambetant om te vertellen dat ze gebuisd was en op kot veel gepoept had. Dus stoefte de dochter maar wat over de smoutebollen die ze had gebakken.
Daarna was ze ribbedebie want ze moest dringend langs de mutualiteit en het interimkantoor. Bij deze laatste viel ze over een aftrekker die tegen de chambrant stond.
Daarna had ze nog weinig goesting om ook nog langs de flikken te gaan. Echt niet plezant.

Voor Nederlanders is dat zeker geen doorgrondelijk tekstje. Nu zijn sommige woorden wel wat gezocht (“botten” zijn laarzen, die koop je natuurlijk niet samen met bloedworst en salami), maar het is dan ook maar ’n gebbetje.

Zou dat andersom ook kunnen? Vast wel. De Standaard kwam met een alternatieve test waarin Vlamingen werden getrakteerd op typisch Nederlandse woorden als, eh, “zwijnenpan”. En “dooievisjesvreter”. “Kwijlebabbel”. Woorden die, de Nederlandse lezer van dit blog ziet dat meteen, ook boven de Moerdijk door niemand worden gebruikt.

Dat moet beter kunnen. Mijn alternatief is een leestekst, net als die van Hautekiet. En natuurlijk is ook deze geforceerd en kloppen niet alle woorden met de stijl en de situatie – maar ’t is dan ook maar voor te lachen, meneer. Ik wens de Vlamingen alvast veel succes.

Het was waterkoud. Een stevige bries drukte tegen de deur. De kozijnen rilden. De kastelein tikte nog ’n vaasje af.
“Nog eentje toe,” knipoogde hij.
Kees lachte, hij liet zich wel jennen. Hij zat best. De muziek stond niet hard. De poes snorde. Plots veerde ’t dier op.
“Volk,” baste een stem. In de deurpost stond een bonkige man.
“Krijg nou tieten,” riep Kees, “Jaap, dat is al ’n tijdje terug!”
“Ja welja, gozer,” zei Jaap gul, “ik ben even de hort op geweest.”
“Wat heb je uitgevroten?”
Jaap ging aan de bar zitten. “Een weekje niks. Ik ben het wad opgegaan.”
“Joh!?” Kees hoorde er van op. “Een week? En niks te nassen?”
“Ik had ’n trommeltje bij me,” grinnikte Jaap. “Brood, met palingworst, saks, en voor de zoete trek nog pasta ook.”
“Wordt dat niet taai?” Kees kon er met z’n kop niet bij.
“Ja, natuurlijk, daarom ben ik afgetaaid,” lachte Jaap.
“Nou, mij niet gezien,” zei Kees, “ik zit hier wel senang.”
“Ja, maar jij bent dan ook een watje,” sarde Jaap.
“Och,” zei Kees, “een avondje bankhangen, even niks, mij best… Maar dit is andere koek. Geen kwestie van lef hoor.”
“Joh, geintje,” zei Jaap goeiig. “Jij hebt ’n baan, ze zien je aankomen!”
“Nee, juist niet,” zei de kastelein gevat. “Jaap, ’n jonkie zeker?”
“Een kopstoot,” zei Jaap beslist, “en voor Kees nog eentje toe.”

Zo. En nou naar de trein.

Vakantietaal

In mijn vorige blogbericht maakte me ik weer ‘ns kwaad over de eenzijdige oriëntatie op alles wat Engels is van de moderne Nederlandse (en Vlaamse) media. Andere talen komen nauwelijks aan bod, andere culturen bestaan er niet, zelfs het nieuws is pas belangrijk als het uit Engelstalige landen komt. De gemiddelde Nederlander ziet meer Australische films en series dan Duitse films en series en blijkbaar vindt de gemiddelde Nederlander dat heel normaal.

Nu is dit een ergernis waar ik zo ongeveer het hele jaar door mee rondloop, dus met de actualiteit heeft ze niet veel te maken. Maar het is nu wel vakantietijd, dus dan is er ook weer vakantie-Engels. Dat lijkt onschuldig. Mensen gaan op reis, meestal binnen Europa en dus hoogst zelden naar een Engelstalig land (binnen Europa is het Engelse taalgebied beperkt tot wat perifere eilanden en Gibraltar), en terug van vakantie vertellen ze vrolijke reisverhalen.

Die verhalen zitten, dat is zo raar, vol Engels. “In Praag hebben we lekker door de Old Town gewandeld,” klinkt het dan. Daar bedoelen ze de wijk Staré Město mee. Staré Město is Tsjechisch voor “oude stad”, maar de meeste toeristen spreken geen Tsjechisch, dus die term vertalen ze. “Oude Stad” zou je dan dus moeten zeggen, maar “Oude Stad” klinkt niet stoer, dat klinkt alsof je een dagje in Valkenburg geweest bent, kom nou. Tegen je vrienden zeg je beter dat je de “Old Town” gezien hebt, nietwaar?

Het is betekenisloos Engels. Boedapest, we waren op “Heroes’ Square”, jawel – Hősök tere in het Hongaars, Heldenplein in het Nederlands. Na een paar dagen Boedapest zou je er toch van doordrongen moeten zijn dat je met Engels niet eens zo ver komt, maar nee. Laten we tegen onze vrienden doen alsof Boedapest een Engelstalige stad is, dan klinkt het bijna net zo hip als Londen of New York. Of wat zeg ik, Londen – dat schrijf je natuurlijk als London tegenwoordig.

Het blijft niet tot reislustige studentjes beperkt. De Belgische krant De Standaard kwam onlangs met een volksliederenquiz (sinds Vandermeersch daar redacteur is geweest komt die krant voortdurend met dat soort jolige quizjes, serieus mag daar niet meer), met daarin fragmentjes van volksliederen en wat kennisvragen. In de quiz werd onder meer naar Beethovens Ode to joy verwezen, ik verzin dit niet, en naar The March of the Volunteers, niet het volkslied van één of ander Engelstalig ontwikkelingsland, maar dat van China. Eén op de vijf mensen spreekt Chinees, denken ze bij De Standaard nu echt dat ze in China hun volkslied March of the Volunteers zouden noemen?

Mijn bezwaar is niet eens het Engels. Dat vind ik een prima taal voor in Engeland. Wat me vooral ergert is het stoer willen doen met iets wat eigenlijk sneu is. Pochen met je eenzijdigheid. De toeristen kun je het niet eens verwijten, die zijn door de media zo gemaakt. Engels voor en Engels na, iets anders is er niet. Zo neemt de gemakzucht alles over.

Bijvoegtoon

Als beloofd kom ik nog even terug op de kwestie van de bijgevoegde naamwoorden, waar ik in ’n eerder blog, dat eigenlijk vooral over spelling ging, al een en ander over heb geschreven. Er valt namelijk nog wel meer over te zeggen, zeker als je gaat kijken naar een aantal verschillen in klemtoon tussen Hollands, Vlaams en Duits. Over klemtoon heb ik het trouwens ook al eens eerder gehad. De helft van het leven is herhaling.

In mijn blog van verleden week waagde ik me aan de stelling dat het Vlaams, of correcter het Zuid-Nederlands, vanouds meer gebruik maakt van de mogelijkheid nieuwe woorden te maken op basis van een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord. Kortverhaal is daar een mooi voorbeeld van. Nederlanders zeggen liever een kort verhaal, maar Vlamingen kunnen toe met kortverhaal, dat verdacht veel lijkt op het Duitse Kurzgeschichte en daarom ook vaak als “Duitse invloed” is bestempeld. Mijn stelling is: in Vlaanderen is dat geen Duitse invloed, daar zijn zulke woorden zeker inheems. Voor het Noord-Nederlands geldt dat iets minder.

Nu zal al snel tegengeworpen worden, dat er ook in het “Hollands” een aantal van dit soort samenstellingen voorkomt, en er is niet echt reden die als Vlaamse of Duitse leenwoorden te zien. Vrijgezel is toch heus een samenstelling van het bijvoeglijk naamwoord vrij en het zelfstandig naamwoord gezel.

Natuurlijk noem ik dit tegenargument niet zomaar. Ik ben zo sluw om in dit tegenargument een argument vóór mijn stelling te zien. De uitspraak van dit woord door Hollanders verschilt van de uitspraak die in Vlaanderen gewoon is:

Hollands: vrijgezél
Vlaams: vríjgezel
Duits: Júnggeselle

De Duitse vorm, die weliswaar met jung en niet met frei begint, heeft dezelfde structuur als de Nederlandse. De klemtoon komt perfect overeen met de Vlaamse. Dat is bij meer van dit woorden zo. Elk jaar verbaast er zich wel eens een Vlaming over Hollanders die nieuwjáár zeggen, en die Nederlander vindt ’t dan weer apart dat Vlamingen níeuwjaar zeggen. In het Duits is Néujahr gebruikelijk, maar naar het schijnt komt Neujáhr ook voor. Een noordelijke afwijking?

De woordvorming volgens de regel bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord is in het Duits productief en Duitsers zullen dat soort samenstellingen altijd “op z’n Vlaams” beklemtonen. Rótkäppchen. Ik ken Vlamingen die Roodkápje zeggen, maar die geven de schuld aan de Nederlandse tv – Róódkapje moet authentieker zijn. En terecht. Het is toch zeker ook róódborstje?

Ja, róódborstje. Niemand zegt roodbórstje, ook een Hollander niet. Het is geen wet, het is niet altijd waar, uitzonderingen te over, maar toch zie ik een verband: de Vlamingen hebben net als de Duitsers de klemtoon vóóraan bij dit soort woorden, omdat ze taaleigen zijn; de Nederlanders weten niet goed wat ze met de klemtoon aanmoeten, omdat deze samenstelling niet echt Noord-Nederlands is.

Wat moet de norm nu zijn? Is kortverhaal een germanisme? Uit Vlaamse mond niet, uit Nederlandse mond misschien wel. Maar de grenzen zijn nu open. We moeten maar gewoon eens leren consequent met vrijgezel, Roodkapje en nieuwjaar om te gaan. Niet dat de norm heel strak hoeft te worden nagevolgd, daar ben ik nooit voorstander van geweest. Maar voor wie wil: de Vlaamse klemtoon is wat mij betreft de meest correcte, maar als lokale variant vind ik gelukkig nieuwjáár ook wel best.